Over

Reluctant economist?

De uitdrukking Reluctant Economist werd voor zover ik weet voor het eerst gebruikt door Richard Easterlin, eerst als titel van een artikel (1997), The Story of a Reluctant Economist, dan als titel van zijn boek (2004): The Reluctant Economist. Perspectives on Economics, Economic History, and Demography.

In de inleiding van het boek legt Easterlin uit waarom hij een reluctant economist is:

My reluctance stems at bottom from a research philosophy forged at the hands of my mentor, Simon Kuznets, the third Nobel laureate in economics. In a field where theory was and is the be- all and end-all of intellectual accomplishment, Kuznets taught that the touchstone of achievement is insight into empirical reality. Moreover, other social sciences might, along with economic theory, contribute to one’s understanding.

Economics alone is not enough, and this is why I am a reluctant economist. We cannot comprehend the world around us without knowledge of the facts and insights provided by the other social sciences. Economics is a valuable starting point, but only a starting point, in the application of social science to the world’s problems … It is good to be an economist; it is better to be a social scientist.

Deze en gelijkaardige visies op de economische wetenschap hebben mijn economisch denken diep beïnvloed. Maar de echte reden waarom ik een reluctant economist ben, ligt nog elders, en op een persoonlijker vlak: Hoewel ik economisch geschoold en belezen ben, stel ik vast dat:

  • Ik mijn vrienden en familie op hun zenuwen werk als ik probeer in een discussie over maatschappelijke problemen economische argumenten aan te dragen. “A bas l’économie!”, schreef mijn beste en zeer verstandige vriend op zijn Facebook. En hij kreeg veel likes van andere goede en verstandige vrienden
  • Erger nog: Ik slaag er vaak niet in economische argumenten op een heldere, overtuigende manier te verwoorden. Niet eens voor mezelf, laat staan in vriendelijke discussies

Dat laatste heeft natuurlijk te maken met mijn onvolmaakte kennis van economie, vergeleken met, bijvoorbeeld, de echt slimme academische economisten. Maar dat is niet heel het verhaal. Want ik ben er vrij zeker van ook zij (de echt slimme academische economisten) aan de familie- en vriendentafels al hetzelfde hebben meegemaakt. Overigens: zet drie academische economisten aan een tafel, en ze schelden elkaar ook de huid vol over onwetendheid, foute modellen en slechte data.

Hier is een lang uitgesponnen, drieledige hypothese:

  • Economische argumenten roepen soms weerstand op omdat ze soms niet aansluiten bij en zelfs indruisen tegen onze basis ethische intuïties. Het probleem is hier dat de context van onze basis ethische intuïties niet schaalbaar is naar de volledige economie.

Een van de beste voorbeelden van een economische situatie die vanuit basis ethische intuïties weerstand oproept, is de klassieke sneeuwschopsituatie (inwisselbaar met mondmaskers). Als een verkoper van sneeuwschoppen tijdens een sneeuwstorm zijn prijzen verhoogt, roept dat hevige weerstand en zelfs afgrijzen op.

In wat volgt, baseer ik me in ruime mate op de Canadese filosoof Joseph Heath, een van de productiefste en slimste economisch filosofen die ik ken. Ik gebruik zijn artikel On the Scalability of Cooperative Structures (2016) en zijn boek Morality, Competition, and the Firm: The Market Failures Approach to Business Ethics (2014)

Het evidente uitgangspunt is dat we systemen en groepsstructuren nodig hebben om samen te werken. Historisch, evolutionair en psychologisch is de groepsstructuur die gebaseerd is op solidariteit en wederkerigheid de baseline en de benchmark voor samenwerking en sociale organisatie. Een groot deel van ons dagelijks leven speelt zich ook af in deze solidaire, wederkerige structuren (familie, vrienden, …).

Het probleem met deze baseline-architectuur is dat ze niet schaalbaar is. Er is een redelijk harde bovengrens aan het aantal mensen met wie we in deze architectuur op een vruchtbare manier kunnen samenwerken. Een samenwerkingsstructuur die goed werkt voor een groep van 10, zal minder goed werken als de groep groeit tot 50 of 100 mensen. Wie al in een start-up of een groeibedrijf heeft gewerkt, herkent zeker de ervaring: vanaf het ogenblik dat je niet meer met de hele groep kan communiceren door gewoon luidop iets te zeggen, beginnen de bedrijfsstructuren te veranderen.

De socioloog Emile Durkheim beschreef in zijn theorie over de ontwikkeling van samenlevingen al de evolutie van mechanische solidariteit naar organische solidariteit.
Anthropologisch, historisch en sociologisch onderzoek suggereert dat de solidaire groep werkt tot ongeveer 100 leden. De anthropoloog en evolutionaire psycholoog Robin Dunbar prikte dit getal zelfs redelijk precies op 150 (Dunbar’s Number). Daarboven splitst de groep of evolueert ze naar een andere, meer formele groepsstructuur.

Er zijn meer dan een handvol redenen waarom de opschaling van de solidaire groepsstructuur niet kan werken. De groepsynamica op het gebied van onder meer motivatie, informatie-uitwisseling en coördinatie, die perfect werkt in een solidaire groep, zal radicaal anders moeten worden georganiseerd in grotere groepen. In kleinere groepen kan je bijvoorbeeld redelijk effectief een beroep doen op intrinsieke motivatie; naargelang de groep groter wordt, ga je ook systemen moeten bedenken met extrinsieke en “gecontroleerde” motivatie.
Het grootste verschil is wellicht toch dat we in grotere groepen structuren moeten vinden die het mogelijk maken dat we op een vruchtbare manier samenwerken met vreemden. Paul Seabright argumenteert in zijn schitterende boek The Company of Strangers: A Natural History of Economic Life (2004) op overtuigende wijze dat en hoe ons dat meestal heel aardig lukt.

Maar, en hier komt de clou: Hoewel we in ons dagelijks samenleven daadwerkelijk en vruchtbaar samenwerken in heel grote groepen, tot op wereldschaal (bijvoorbeeld als we een smartphone kopen of gebruiken), en hoewel we rationeel begrijpen dat de groepsdynamica in een grote groep anders moet zijn dan in een kleine, solidaire groep, hebben we het in onze dagelijkse ethische intuïties over die samenwerking in grote groepen toch vaak moeilijk om de criteria die we gebruiken in onze baseline en benchmark voor samenwerking en sociale organisatie los te laten.

Dat geldt bij uitstek voor moraliserende kritiek op economische structuren en situaties. Die kritiek komt als het ware “van nature” en kan ook heel plausibel klinken, omdat ze zo dicht aansluit bij de baseline van ons ethisch aanvoelen. Maar jawel, het is verantwoord, vanuit het standpunt van efficiëntie en organiseerbaarheid, dat verkopers van sneeuwschoppen de prijs opdrijven in een sneeuwstorm (zo zorgen ze er tegelijk voor dat de sneeuwschoppen terecht komen waar ze het meest nodig zijn en dat er genoeg sneeuwschoppen worden geproduceerd, nu en bij een volgende sneeuwstorm).

De kritiek daarop is heel natuurlijk, maar ze is in zekere zin een bug in ons ethisch oordelen. De bug zit evolutionair in ons systeem en is enigszins vergelijkbaar met de bug die maakt dat we vliegtuigen tekenen waaruit bommen verticaal vallen. We zijn in het algemeen wel redelijk goed in het inschatten van trajecten van bewegende voorwerpen, maar in dit geval moeten we onze basisintuïtie bewust overschrijven om het “juiste” beeld te tekenen.

“De economie” is een organisatievorm die vooral de jongste paar honderd jaar op een redelijk spontane wijze is gegroeid naar een samenwerkingsarchitectuur die het mogelijk maakt dat we in een company of strangers, op een extreem schaalbare wijze, in een context van competitiviteit toch een coöperatief resultaat kunnen realiseren. Maar de “de economie” als organisatievorm heeft de solidaire groepsstructuur niet vervangen. De solidaire groepsstructuur blijft niet alleen de meest intuïtieve vorm van sociale organisatie, ze blijft ook een ideaal. Maar een dat niet schaalbaar is.

De markteconomie is in een redelijk letterlijke zin een onnatuurlijke aanbouw. Ze is geen ethisch ideaal op zich (een fout die veel economisten maken, of alleszins een kwestie die nog niet uitgediscussieerd is), maar een soort work-around rond onze diepgewortelde baseline ethische intuïties, met het oog op schaalbaarheid, efficiëntie en organiseerbaarheid.

  • Sommige economische argumenten zijn niet alleen ethisch maar ook conceptueel niet zo gemakkelijk te volgen.

Een klassiek voorbeeld is de economische argumentatie over de voordelen van internationale handel op basis van comparatieve voordelen. Elke eerstejaarsstudent economie kent de redenering van David Ricardo (1817), waarin hij aantoont dat Engeland en Portugal er beide voordeel bij hebben als Engeland zich specialiseert in de productie van kleding, en Portugal in de productie van wijn, en dan kleding en wijn internationaal verhandelen.

Ricardo’s “wet” is een van de weinige argumentaties waarover er onder economisten nagenoeg geen discussie meer is. Toch blijkt ze niet zo eenvoudig uit te leggen aan de toog, winnen presidenten verkiezingen door er regelrecht tegenin te gaan, en is er een ganse goedbedoelde verspillingsindustrie ontstaan op basis van argumenten van korte keten en emotionele beelden over hongerlonen.

  • Toch zullen de meeste mensen erkennen dat economie belangrijk is als we de wereld willen begrijpen. Mensen nemen ook dagelijks economische beslissingen die, allemaal samen opgeteld, “de economie” maken.

Deze blog is dan een poging om de verstaanbaarheid van de wereld een klein stukje te vergroten, door de weerstand tegen economische argumenten een klein beetje te proberen verlagen. Reluctantly dus. Waarbij ik voor mezelf de ene betekenis van reluctant (unwilling, met tegenzin, niet geneigd) heb overwonnen, maar wel nog aan de andere (aarzelend, terughoudend) vasthoud.

Mijn eenvoudige principes voor economische analyse

Dit zijn de principes en de vragen die ik me stel als ik een situatie economisch probeer te analyseren en waarvan ik vaststel dat ze vaak over het hoofd gezien of ondergewaardeerd worden:

1. Incentives (prikkels, stimulansen) werken zeer krachtig in een groot aantal situaties

2. Trade offs

Heel veel economische situaties kunnen worden geanalyseerd in termen van trade offs: een evenwicht tussen twee gewenste maar niet compatibele uitkomsten. Eenvoudiger: Meer van het een betekent minder van het andere. Als buitenlanders geen dingen aan ons kunnen verkopen, dan kunnen ze niet de euro’s verdienen om dingen van ons te kopen. Als je A subsidieert, moet je geld afnemen van B.

3. Organisatie

Als ik hoor: “Ze zouden moeten …”. Dan vraag ik, reluctantly:
Wie zijn “ze”?
Hoe zouden “ze” het dan moeten organiseren?
Heel vaak hebben mensen geen preciese antwoorden op deze vragen, vooral niet op de tweede.

4. Onbedoelde neveneffecten

Hangt samen met het antwoord op de tweede vraag hierboven, en is een aspect waar ook veel professionele economen te weinig aandacht voor hebben. Economisch onderzoek is op zijn interessantst wanneer het empirisch aantoont dat en hoe goedbedoelde ingrepen onbedoelde en soms ongewenste neveneffecten kunnen hebben. [Hint: follow the incentives]

Eenvoudig voorbeeld van mijn leermeester Paul De Grauwe: Het vastzetten van de broodprijs leidde tot een overmatige prijsstijging van gebakjes.
Ander (meer controversieel; geen eensgezindheid onder economen; geen eenduidigheid in het empirisch onderzoek) voorbeeld: Het opleggen van een minimumloon leidt tot hogere werkloosheid.
Ander (ook controversieel, maar wel grotere eensgezindheid onder economen) voorbeeld: Het opleggen van bouwbeperkingen of het verlenen van huursubsidies in een markt waar het aanbod van huizen een gestegen vraag niet kan of mag volgen (inelastisch aanbod in economisch jargon), leidt tot hogere koop- of huurprijzen en/of tot lange wachtrijen.

5. Speciale belangen

Een moeilijke maar noodzakelijke. In het samenspel tussen markt en overheid, en wanneer er geld mee gemoeid is, kan het niet anders of speciale belangen spelen hun rol. Het is de taak van de economist om de mechanismen en de gevolgen van dat spel bloot te leggen.

Is het daarbij intellectueel geoorloofd om per definitie uit te gaan van een overheid als verlichte despoot, die altijd handelt in het algemeen belang, zich nooit laat capteren door speciale belangen? Ik geloof minder in een ideologische opstelling in dit soort discussies dan in een feitelijke, geval-per-geval discussie.

6. Nederigheid

Met een quote van Noah Smith:

While “thinking like an economist” is in principle a good thing, beware of people who claim to know how to do it. There’s really nothing magical or esoteric about it.

Noah Smith

En pragmatisme ook. Voor de filosofen: ik denk dat ik dus eerder een Sen-iaan ben dan een Rawls-iaan:

What moves us, reasonably enough, is not the realization that the world falls short of being completely just – which few of us expect – but that there are clearly remediable injustices around us which we want to eliminate.

Amartya Sen (2019). The Idea of Justice (2009), p vii

7. Rechtvaardigheid

Met Joseph Heath geloof ik dat:

(I)t is only when embedded within the broader context of a welfare state, which engages in both market-complementing and redistributive policies, that capitalism as a whole can claim to be just.

Joseph Heath (2014). Morality, Competition, and the Firm: The Market Failures Approach to Business Ethics. Oxford University Press, p 10.

Maar Heath vervolgt dus wel:

At the same time, this does not mean that market actors are accountable to the same moral demands that the system as a whole must satisfy.

Dit is in een notendop het filosofisch denken van Heath over economie en business ethics. Hij noemt het met een mooie uitdrukking the moral compromise at the heart of capitalism. Ik denk dat hij ontzettend juist zit, en dat de freelance critici van de markteconomie en het kapitalisme dit nog niet begrepen hebben.

Geschiedenis

In mijn economische literatuur is economische geschiedenis zwaar oververtegenwoordigd. Om het met economisch blogger John Cochrane te zeggen: “Economics should be much better at being the ark for simple lessons of economic history and experience” [QUOTE]
De interesse in economische geschiedenis is vooral ingegeven door het aanvoelen dat economie als academische discipline teveel begaan is met theorie en modellen en te weinig met data. Wat Easterlin zegt dus: “The touchstone of achievement is insight into empirical reality.”

De studie van de economische geschiedenis is ook een les in nederigheid [LINK]. Het meest onbetwistbare en tegelijk meest spectaculaire feit uit de economische geschiedenis (economisch historicus Deirdre McCloskey noemt het The Great Fact, met hoofdletters) is:

QUOTE

Echter: hoewel dit economische feit dus redelijk onmiskenbaar is, en hoewel inzicht in de dynamiek van hoe dit feit tot stand kwam ons enorm zou helpen om de overblijvende armoede de wereld uit te helpen, zijn economen het nog altijd niet eens over wat nu juist die dynamieken zijn en hoe het oorzaak-gevolg verband juist loopt.
Het is alsof fysici nog altijd geen model zouden hebben voor waarom en hoe die appel nu naar beneden valt of voor waarom en hoe de aarde rond de zon draait.

Zonky

Deels door omstandigheden, deels uit neiging ben ik een Zonky (of Zonkey).

Ik heb een Master behaald (toen die nog licentiaat heette) in de “Zuivere Economie” (no kidding) aan de KULeuven in 1986.

Daarvoor (1983) had ik een Master behaald in Filosofie, ook aan de KULeuven.

Van 2002 tot 2004 volgde ik het part time International MBA programma aan Vlerick Management School. Ik heb het programma helemaal en succesvol afgewerkt, maar moest op het einde kiezen om het eindwerk als eindwerk af te maken of als betaald consultant. Ik heb voor dat laatste gekozen.

Van 1988-1996 was ik journalist op de redactie Economie van De Standaard.

In 1996 nam ik, met een krop in de keel en een knoop in de maag, afscheid van De Standaard om in België het internet- en mediabedrijf Planet Internet mee op te starten, als hoofdredacteur en Directeur Media

Sinds 2002:

  • Ben of was ik lesgever in internetjournalistiek en andere (meestal) internetgerelateerde vakken aan AP Hogeschool, VUB en KULeuven. Op AP Hogeschool ben ik naast mijn lesopdrachten bezig met onder meer een Europees project rond fact checking, een onderzoeksproject en een postgraduaat rond Virtual Reality Storytelling, en een postgraduaat rond Content Marketing.
  • Ben ik zelfstandig consultant in internetgerelateerde dingen en, in toenemende mate, bezig met advies over organisatorische implicaties van Digitale Transformatie
  • Schrijf ik nog af en toe als free lance

Sinds 2014 ben ik bezig aan een boek over Sociaal Ondernemerschap. Dat is dus duidelijk een langetermijnproject. Meer daarover binnenkort alhier.

Tijdens de financiële crisis van 2008 heb ik een terugkeermoment naar de (academische) economie gekend. Sindsdien volg ik op dagelijkse basis meer dan een handvol blogs van academische economisten, lees ik de boeken die zij aanbevelen, en volg ik vanop afstand de academische economische literatuur (artikels) op een aantal domeinen.

Mijn credentials als economist zijn dus al bij al beperkt. Toch zie ik mezelf, reluctantly, als een dilettant academische economist.
Ik ben me er terdege van bewust dat ik de discipline, de tijd en vooral de omgeving mis om mezelf meer dan een dilettant academische economist te noemen.