Pro-markt is niet pro-business

Elk jaar geven de Vlaamse en de federale overheid miljardensubsidies aan de bedrijven, niet omdat het goed beleid is, maar onder druk van de lobby’s …
Altijd duiken dezelfde argumenten op: die subsidies, elk jaar vele miljarden euro’s, zouden garant staan voor jobs, investeringen, innovatie, wat al niet. Die vermeende effecten zijn altijd erg abstract, moeilijk te bewijzen en laten veel ruimte voor gratuite beweringen.

Dat is uit een scherpe, factuele en goed geresearchede column van senior writer en bevlogen pen Marc Reynebeau van De Standaard.

De aanleiding is de recente uitspraak van het Europees Hof van Justitie dat de Belgische fiscus met de excess­-profit rulings illegale staatssteun aan multinationals verleent. Het Hof volgt daarmee Europees commissaris Margrethe Vestager, die al jaren die overwinstrulings aanvecht.

Reynebeau legt de vinger op een zeer zere wonde, die overal wel woekert, maar die in België te weinig wordt blootgelegd of aangeklaagd. Politici, ook en zelfs vooral als ze zich voorstanders van de markteconomie verklaren, zijn in hun handelen vaak niet pro-markt, maar pro-business. En dat is iets heel anders.

Een goed werkende kapitalistische vrije markt heeft een overheid nodig die de regels van die markt oplegt en afdwingt, en een level playing field creëert voor alle spelers.

Reynebeau reconstrueert hoe in het gekonkel rond de overwinstrulings alvast Open VLD, N-VA en CD&V, alledrie pro-markt (en anti-overheidsbeslag) in woorden, in daden gewoon pro-business zijn, en aan de leiband lopen van lobby’s. Waardoor ze het overheidsbeslag op de economie royaal laten stijgen.

De argumentatie die die politici dan aanvoeren – jobs! investeringen! innovatie! … – ontmaskert Reynebeau als abstracte retoriek, waar achteraf meestal heel weinig van terechtkomt, of die moeilijk hard te maken is.

Bijzonder kwalijk in dit duistere gebeuren is de draaideur tussen politiek en bedrijfsleven, waarmee de lobbyisten zichzelf en hun klanten op een discrete manier het leven gemakkelijk maken.

Reynebeau brengt nog eens onder de aandacht dat de kabinetschef van Johan Van Overtveldt, destijds als minister van Financiën een van de grote verdedigers van de overwinstrulings, na een passage van zes maanden op het kabinet Financiën, de politiek verliet en een advocatenkantoor begon dat zich specialiseerde in … overwinstruling.

(Z)olang politici voorrang blijven geven aan subsidiebeluste, discrete lobby’s en hun in woordenbrij verpakte dogma’s, zullen ze vrede nemen met ritueel gejammer over het hoge overheidsbeslag of over de vermeende, maar toch dringend te beteugelen gulheid van de welvaartsstaat.

Eentje om bij te houden.


Zaterdag quote

Hence they [the economists] can be called worldly philosophers, for they sought to embrace in a scheme of philosophy the most worldly of all of man’s activities – his drive for wealth. It is not, perhaps, the most elegant kind of philosophy, but there is no more intriguing or more important one. Who would think to look for Order and Design in a pauper family and a speculator breathlessly awaiting ruin, or seek Consistent Laws and Principles in a mob marching in a street and a greengrocer smiling at his customers? Yet it was the faith of the great economists that just such seemingly unrelated threads could be woven into a single tapestry, that at a sufficient distance the milling world could be seen as an orderly progression, and the tumult resolved into a chord.

Robert Heilbroner (2000). The Worldly Philosophers. The Lives, Times and Ideas of the Great Economic Thinkers, p 16. (7th edition, originally published 1953)

Slimmer werken door Corona: retail en horeca

De Belgische economie is nagenoeg hersteld van de effecten van Corona.

De dip en het herstel van Corona lijken dus wel degelijk V-vormig. Misschien gaan we zelfs naar een vierkantswortelherstel, waarbij we het welvaartsverlies van Corona meer dan inhalen, én op een steiler groeipad terechtkomen.

De reden zou kunnen zijn dat de structuur van onze economie (positief) veranderd is door Corona.

Een indicator voor die vierkantswortel-hypothese is alvast wat er aan het gebeuren is in retail (detailhandel).

De grafiek hieronder is een “achterkant-van-een-spreadsheet” berekening voor de evolutie van omzet en werkgelegenheid in die sector.

kleinhandel omzet werkgelegenheid

Het herstel van de omzet na de diepe dip in het tweede kwartaal van 2020 brengt de omzet in de kleinhandel weer op het niveau van vóór Corona.

De werkgelegenheid bleef in de Coronacrisis zelf min of meer op peil, dankzij de steunmaatregelen. Maar in het herstel volgt de werkgelegenheid de V-groei van de omzet niet. Dat kan een teken zijn dat de productiviteit in de retail fors gestegen is (grof gerekend: met 14 procent tegenover begin 2017).

Verdere opvolging en onderzoek zal moeten uitmaken hoe structureel en duurzaam die productiviteitsstijging is (wat is de rol van inflatie?).

De daling van de werkgelegenheid in de retail is betekenisvol. Kleinhandel vertegenwoordigt met 12 procent van de totale werkgelegenheid de tweede grootste sector in België, samen met industrie en na “Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke dienstverlening” (16 procent). Van het eerste kwartaal van 2020 tot het eerste kwartaal van dit jaar daalde de werkgelegenheid in de kleinhandel met 53,000, of 8 procent.

De daling van de werkgelegenheid – en stijging van de productiviteit – in de kleinhandel was weliswaar al structureel ingezet vóór Corona, wellicht onder invloed van e-commerce. Begin 2019 werkten nog 655,000 mensen in de kleinhandel; in het eerste kwartaal van dit jaar 560,000, bijna 100,000 minder.

Anekdotische evidentie zegt dat misschien hetzelfde gebeurd is in de horeca. Mijn vaste ontbijtstek werkt nu met een groter terras, maar met een personeelslid minder, dankzij de efficiëntie van bestellingen en betalingen via QR-codes. Tijdens Corona, zo vertelde de bazin mij, realiseerde ze dankzij thuisleveringen, die ze “aan de lopende band” konden maken, een grotere omzet dan vóór Corona.


*The Spirit of Green. The Economics of Collisions and Contagions in a Crowded World* (2021)

Economisten en groenen tref je niet zo vaak samen aan in bed. Het zijn andere karakters, ze hebben verschillende uitgangspunten, uiteenlopende doelstellingen.

Eigenlijk is dat bizar, want er is toch minstens een punt waar beide elkaar kunnen ontmoeten. Als economie ergens over gaat, dan is het over de efficiënte inzet van beperkte middelen. En dat is toch groen bij uitstek?

In The Spirit of Green doet economist William Nordhaus een verzoeningspoging en geeft hij een infuus van economisch realisme aan het groene debat.

Nordhaus (1941) is Sterling Professor of Economics aan de Yale University. Hij werkte samen met icoon Paul Samuelson aan zeven edities van Economics, wellicht het meest gebruikte basishandboek voor generaties van economiestudenten. Hij onderzoekt en publiceert over klimaateconomie sinds 1972 (!). In 2018 kreeg hij de Nobelprijs Economie voor zijn bijdrage aan klimaateconomie.

The Spirit of Green is klimaateconomie voor niet-economen. Nordhaus gaat back to basics, en begint zijn uitleg over Green Efficiency bij Arthur Pigou (1877-1959), de grondlegger van de welvaartseconomie en van het begrip externaliteiten, dat zo cruciaal is in klimaateconomie.

Van daar gidst hij de lezer methodisch en stap voor stap – soms op het schoolmeesterachtige af (inclusief de professorengrapjes – A more illuminating example is lighthouses (p 35)) door de opbouw van een economisch kader.

Dit economische kader past binnen een meer algemeen – filosofisch-ethisch – kader van het soort samenleving dat we wensen. Voor Nordhaus is dat een well-managed society (p 17-18): het is de well-ordered society van John Rawls, waar de nadruk op rechtvaardigheid ligt, maar met efficiëntie en welvaart als bijkomende doelen.

Die well-managed society heeft vier pijlers, waarop de doelen van een Green Society zullen moeten gebaseerd zijn: een degelijk wettelijk kader; goed ontwikkelde markten voor private goederen, waar bedrijven en consumenten de volle prijs van die goederen betalen; technieken en overheidsingrijpen om om te gaan met gevallen waar er door marktfalen externaliteiten optreden, waardoor bedrijven en consumenten niet de volle, echte prijs betalen; en een overheid die door corrigerende belastingen en uitgaven gelijkheid en rechtvaardigheid bevordert.

Binnen dat kader is voor Nordhaus de economische premisse van milieueconomie (p 30) dat in goed werkende markten de “juiste” hoeveelheden “juiste” goederen worden geproduceerd en geconsumeerd, maar dat er in gevallen van marktfalen negatieve externaliteiten optreden waardoor “verkeerde” hoeveelheden van “verkeerde” goederen worden geproduceerd en geconsumeerd.

De indicator voor “juist” en “verkeerd” is natuurlijk de prijs. Het klassieke voorbeeld van zo’n negatieve externaliteit is vervuiling: de producent van vervuiling rekent de schade van de vervuiling niet door in zijn prijs, waardoor consumenten het foute signaal krijgen en er teveel van gebruiken. De maatschappelijke kost (wat de producenten betalen om het goed te maken plus de vervuiling) is hoger dan de maatschappelijke opbrengst (uitgedrukt in de prijs die consumenten betalen).

Marktfalen en negatieve externaliteiten vereisen overheidsoptreden (de derde pijler van een well-managed society). De overheid kan de productie van een bepaald goed verbieden; of ze kan maximumgrenzen opleggen. Een derde mogelijkheid is de externaliteit te internaliseren door, via belastingen, de prijs van het schadelijke goed te verhogen.

Dit is de oplossing die Nordhaus, en met hem de meeste economisten, veruit prefereren, zeker in het geval van CO2.

“Economics points to one central and all-important truth about climate-change policy. This truth is so central that it must be stated and restated. For any policy to be effective, it must raise the market price of CO2, and other GHG [greenhouse gas] emissions.” (p 278)

Een hoger en, belangrijk, geleidelijk stijgende prijs voor koolstof en andere klimaatverstorende stoffen bereikt immers minstens vier doelen (p 278-279): hij geeft een duidelijk signaal aan consumenten: dit is waarop je moet besparen; het signaal naar producenten is al even duidelijk: zoek naar low-carbon alternatieven; de hogere prijs zal ook uitvinders en financiers stimuleren om naar alternatieven te zoeken; en een simpele prijsverhoging bevat in zich alle informatie, en bijhorende administratie- en promotiekosten, die anders relatief duur zou zijn om te verspreiden en te vergaren.

Een vijfde voordeel, tenminste als de overheid de prijsverhoging via belastingen realiseert, zijn natuurlijk hogere overheidsopbrengsten. Nordhaus rekent voor (p 200) dat de Amerikaanse overheid, die nu slechts 4 procent van haar uitgaven dekt met groene belastingen (en “zondebelastingen” zoals op tabak, alcohol en vuurwapens), dat aandeel zou kunnen verhogen tot 24 procent als ze die belastingen zou optrekken tot niveaus die de sociale kosten weerspiegelen. De ongelijkheidseffecten van zo’n belasting kunnen bovendien redelijk eenvoudig ongedaan gemaakt worden.

Een belasting, dus, met niets dan voordelen. Als dat geen ei van Columbus is.

Helaas.

De meeste ontwikkelde landen schuwen dit instrument. Alle OESO-landen heffen gemiddeld maar 5 procent van hun totale belastingen als milieubelastingen, hoofdzakelijk op autobrandstoffen (p 201, cijfers van 1995).

In Europa zijn er wel wat voorlopers. Finland was in 1990 het eerste land dat een koolstofbelasting hief. Andere landen volgden, maar met tarieven die meestal ondermaats bleven. En de politieke reacties bleven niet uit. De gelehesjesbeweging in Frankrijk is begonnen als protest tegen een verhoging van 10 eurocent aan de pomp. De Groenen in Duitsland hebben recent ook bakzeil moeten halen na een voorstel om de belasting aan de pomp op te drijven van 10 naar 16 cent per liter.

De Europese Unie hanteert een cap-and-trade systeem in plaats van rechtstreekse belastingen. Cap-and-trade stelt voor een volledige economie een plafond van rechten op om CO2 uit te stoten; uitstoters kunnen dan die rechten onder elkaar verhandelen. Het effect zou in principe hetzelfde kunnen zijn als een prijsverhoging door belastingen.

Nordhaus prijst de EU voor haar ETS (Emissions Trading System), haar versie van cap-and-trade, en geeft de Amerikaanse Democraten een veeg uit de pan omdat ze in hun Green New Deal dit ETS zelfs niet vermelden. Maar uiteindelijk ziet hij cap-and-trade als een tweede beste oplossing om de prijs van schadelijke stoffen te verhogen.

Het systeem heeft een veel grotere regelgevende voetafdruk dan eenvoudige belastingen en leidt soms tot CO2-prijzen die zwaar onder de werkelijke prijs (inclusief milieuschade) van CO2-emissies kunnen liggen. Die werkelijke prijs, de social cost of carbon (SCC), zou ongeveer 50 dollar per ton moeten bedragen. In de EU is die prijs, die jarenlang onder de 30 euro gebleven was, pas zeer recent (31 augustus) boven de 60 euro gestegen.

Spectrum

Nordhaus situeert zijn Spirit of Green aanpak op een spectrum tussen Deep Green aan de linkerkant en Muck Brown aan de rechterkant. (p 298)

Muck Brown zijn de klimaatontkenners zoals Trump en mensen die hun winsten boven het maatschappelijk welzijn stellen. Deep Green is biocentrisch en laat milieuwaarden meestal doorwegen op menselijke keuzes en voorkeuren. In het midden tussen die twee uitersten staan Spirit of Green en de Free Market aanpak, met Spirit of Green iets dichter bij Deep Green op het spectrum.

Het verschil tussen Spirit of Green en de Free Market aanpak zit hem vooral in de actieve rol van de overheid en overheidsregulering. Nordhaus zegt het met een charmant beeld: “Operating the well-managed society without both private markets and collective actions is like trying to clap with one hand.” (p 2)

Bovendien is er goed nieuws. Als we de impact van overheidsregulering op de juiste manier in rekening brengen, dan heeft die de hoeveelheid van de economische productie wel verlaagd, maar de groei van de economie verhoogd, doordat de productie minder CO2-intensief is geworden (p 90).

De vraag is dan wel: welke overheidsregulering en hoeveel? Hier stelt Nordhaus een “Goudklokje”-principe voor: niet te warm, niet te koud, maar precies goed. (p 307)

Het Goudklokje-principe en “klappen met één hand” zijn meer dan leuk gevonden metaforen. Want Nordhaus stelt er een aanpak mee voor die nogal drastisch verschilt van die van de Amerikaanse Green New Deal (die hij analyseert en bekritiseert, p 170-176), maar ook van die van het IPCC en de Europese Green Deal (die voorgesteld werd nadat Nordhaus’ boek uitkwam).

In vergelijking met de Green Deals aan beide kanten van de oceaan en met het IPCC ziet Nordhaus een grotere rol voor marktmechanismen en vooral voor de toepassing van kosten-batenanalyses, waarbij alle kosten en baten, dus ook (economische) keuzes en voorkeuren meegenomen worden.

Daartegenover staat een aanpak zoals die van de Amerikaanse Green New Deal (in de versie die Alexandria Ocasio-Cortez in 2019 voorstelde). Dat is een “command-and-control” aanpak “in which policies would take the maximum steps at whatever the cost” (p 175).

Ook het IPCC en de Europese Green Deal lijken die aanpak te volgen (zie onder meer de uitleg over het verschil tussen cost-benefit analysis en cost-effectiveness analysis in Box 5 | Economics of 1.5°C Pathways and the Social Cost of Carbon op p 150 van dit IPCC document).

Olifant

Het verschil wordt al duidelijk in de uiteenlopende aanpak om aan CO2-prijszetting te doen, tussen cap-and-trade – waar de overheid command-and-controlgewijs de hoeveelheid CO2 bepaalt en de markt de prijs laat uitvinden – en een CO2-tax – waar de overheid met een belasting de reële kost van CO2 probeert te benaderen, en de markt dan de hoeveelheid bepaalt.

Het wordt natuurlijk op de spits gedreven in de discussie over hoe we de opwarming van de aarde aanpakken. Stellen we een hard doel – 1.5C°? 2C°? – en gaan we dat bereiken whatever the cost? Of maken we een analyse waarin we kosten en baten van verschillende scenario’s afwegen?

Hier staat dan wel een olifant in de groene kamer.

Nordhaus berekent, op basis van het DICE-model (Dynamic Integrated model of Climate and the Economy) dat hij ontwikkelde, de kosten en baten van verschillende temperatuurscenario’s.

In een wereld waarin we vandaag 80 procent van onze energie uit fossiele brandstoffen halen, zou het doel van 2C° tegen 2100 en zero net tegen 2050, afhankelijk van het gehanteerde model, tussen 40 biljoen en 500 biljoen dollar kosten. (p 216) De kosten van energie zouden met 200 tot 400 procent stijgen. (p 175)

Nordhaus probeert diplomatisch te blijven, maar is eigenlijk toch redelijk categoriek.

“How big is the challenge of reaching zero net emissions by 2050? The short answer is that it is somewhere between higly unlikely and infeasible … without the unlikely combination of drastic changes in global policies and extremely rapid technological change.” (p 215-216)

Zulke uitspraken zullen voldoende zijn om Nordhaus vanuit Deep Green en zelfs lichter groene hoek te verketteren. Maar je kan hem moeilijk verwijten dat hij niet minstens meedenkt aan oplossingen.

Voor de “drastic changes in global policies” oppert hij in een apart hoofdstuk redelijk radicale voorstellen om de Goliath of all externalities, (p 267) zoals hij het probleem van de opwarming van de aarde noemt, op te lossen.

Het probleem, zoals bekeken door een economistenbril, is dat individuele landen geen (economische) incentives of prikkels hebben om het probleem aan te pakken: de kosten zouden bij hen liggen, maar de baten zouden verspreid zijn.

De lotgevallen van de Kyoto- en Parijs-akkoorden tonen aan dat een beroep op een optelsom van ongecoördineerd en vrijwillig nationaal beleid niet werkt. Niet alleen waren de doelstellingen te bescheiden, maar het waren vooral “toothless treaties“. (p 289)

Nordhaus stelt in plaats van die tandenloze vrijwillige aanpak een club-aanpak voor. (p 290-291) Een club is een vrijwillige groep waarin alle leden voordelen halen uit de gezamenlijke kosten om een “goed” te produceren.

In zo’n klimaatclub zou het, alweer, slimmer zijn om te werken met een uniforme prijs voor CO2, in plaats van met hoeveelheidsafspraken per land, zoals in cap-and-trade, omdat je dan maar één afspraak moet maken in plaats van evenveel afspraken als er landen zijn.

Het sluitstuk van het club-idee is dat niet-leden kunnen worden uitgesloten of gepenaliseerd tegen een kost die relatief laag is voor leden. Concreet zou dat neerkomen op een importtarief voor niet-leden in de club-regio.

Het is een hommage aan Nordhaus dat de Europese Green Deal, die de EU in juli van dit jaar lanceerde, net dat voorstel bevat, met een carbon border adjustment mechanism.

Maar de onmiddellijke reacties van Europa’s belangrijkste handelspartners (Australië, Rusland, voor wie het plan 11 miljard euro per jaar zou kosten, en de VS) bevestigden ook wel dat de “combination of drastic changes in global policies and extremely rapid technological change” inderdaad op zijn minst unlikely is.

Is de verzoeningspoging tussen economisten en groenen die Nordhaus beoogde dan mislukt?

Eerlijk gezegd, en helaas, ik denk het wel.

  • De groene beweging, en met haar een groot deel van de publieke opinie, blijft verhangen aan apocalyptische toekomstbeelden, omdat die wervend zijn. Maar ze weigert tegelijk de combinatie voor te stellen van radicale oplossingen (omdat die een groot deel van het potentieel kiezerspubliek zouden afschrikken) en pragmatische oplossingen (omdat die niet passen in het apocalyptische beeld, en omdat ze een deel van het huidige kiezerspubliek zouden teleurstellen).
    De verzoening tussen gele hesjes en groene hesjes, waarvoor de Vlaamse groene guru Dirk Holemans onlangs pleitte in De Standaard?
    Bon courage, maar ik vrees dat het een kwadratuur van de cirkel zal worden.
  • Misschien heb ik het gemist, maar ik heb nog geen enkele groene in zoveel woorden horen zeggen dat een “extreme” klimaattransitie iedereen van de huidige en volgende generatie in het beste geval enorm veel geld gaat kosten, en in het slechtste geval somewhere between higly unlikely and infeasible is.
  • Erger nog, een goed deel van de groene beweging pleit én voor klimaattransitie én tegen economische groei. Dat is niet alleen op het misdadige af tegenover toekomstige generaties en vooral tegenover het armere deel van de wereldbevolking. Het miskent ook dat efficiëntie en innovatie, twee begrippen die groen zou moeten koesteren, automatisch leiden naar economische groei.
    Het is frappant, en wellicht geen toeval, dat de ontdekker van deze theorie van endogene groei, Paul Romer, samen met Nordhaus de Nobelprijs Economie kreeg in 2018. Romer liet ons begrijpen dat hét economische feit van de jongste 200 jaar – ongelimiteerde groei in een wereld van eindige bronnen – misschien contra-intuïtief is, maar wel mogelijk. Immers: “Human history teaches us … that economic growth springs from better recipes, not just from more cooking.
    In een reflectie op de Nobelprijs typeert Romer zijn co-winnaar: “Bill has always understood that the human future hinges on the contest between the economics of objects and the economics of ideas.” De groene beweging, van de Club van Rome tot de degrowthers, blijft vaak steken in de economics of objects.
  • De verzoening tussen groenen en economisten wordt ook bemoeilijkt doordat Nordhaus, Nobelprijs en al, niet eens voor alle economisten spreekt.
    Sommige economisten verwijten hem dat hij de economische impact van klimaatverandering zwaar onderschat (ik kan niet inschatten hoe zwaar deze Steve Keen wetenschappelijk weegt tegenover Nordhaus).
    Anderen zeggen dat hij de economische schade net overschat en kanten zich tegen een CO2-tax als oplossing.
    Nog anderen gebruiken zelfs Nordhaus’ modellen om aan te tonen dat het doel van 1.5°C de mensheid armer zal maken dan helemaal niets doen.

Welkom in de klimaateconomie …!

Het is zoals met veel sociale dilemma’s (of collective action problemen zoals economisten ze noemen). COVID ook, bijvoorbeeld (dat Nordhaus nog net op tijd in het boek wist te smokkelen). Een mens denkt zijn burgerplicht te doen door zich te informeren. En waarom niet bij een Nobelprijswinnaar die al vijftig jaar met het probleem bezig is? Om dan te ontdekken dat je met vijftien browsertabs open nog maar een tipje begint te ontdekken van discussies waar de grens tussen wetenschap en ideologie soms moeilijk te onderscheiden is.

The Spirit of Green is alleszins een goed startpunt. Niet alleen omdat Nordhaus op bevattelijke wijze zijn vijftig jaar onderzoek weet samen te vatten. Maar ook omdat hij zijn eigen keuzes expliciet maakt én aangeeft waar ze verschillen van andere keuzes op het ideologische spectrum.


Zaterdag quote

It always is and must be the interest of the great body of the people to buy whatever they want of those who sell it cheapest. The proposition is so very manifest that it seems ridiculous to take any pains to prove it; nor could it ever have been called in question had not the interested sophistry of merchants and manufacturers confounded the common sense of mankind. Their interest is, in this respect, directly opposite to that of the great body of the people.

Adam Smith (1776). Wealth of Nations, Book IV, ch 3 (II)

Terug naar school, of niet: grafiek en links

De basisvaststelling is al een twintigtal jaar dat we meer en meer uitgeven aan een onderwijs dat Pisatest na Pisatest mindere kwaliteit aflevert.

In de grafiek wordt de evolutie van het budget gemeten op de linkeras (1,000 euro), die van de kwaliteit op de rechteras.

Onderwijs Vlaanderen begroting vs PISA

Het Vlaamse onderwijsbudget is goed voor een kwart van de Vlaamse begroting. Een deel van de stijging van het budget wordt weliswaar verklaard door een uitbreiding van Vlaamse onderwijsbevoegdheden en van de “consolidatieperimeter”. Maar de trend blijft.

De Amerikaanse (socialistische) criticus Freddie deBoer zoekt naar nuances in het debat over de link tussen uitgaven en kwaliteit, in Amerikaans en internationaal perspectief. “Er is meer onderzoek nodig.” Maar ook hij moet toegeven dat het met de huidige resultaten moeilijk is nog verdere stijgingen van het onderwijsbudget te vragen.

De PISA-resultaten moeten natuurlijk geïnterpreteerd worden. Ze meten om te beginnen enkel vaardigheden van 15-jarigen. Maar die bepalen wel degelijk de kwaliteit van de instroom in het hoger onderwijs.

En het hoger onderwijs heeft ook andere problemen. In de VS werken 40 procent van de pas afgestudeerden in jobs waarvoor ze overgekwalificeerd zijn. Heeft de massafixatie op meer en beter (hoger, academisch) onderwijs geleid tot een grote valse belofte?

The Economist herinnert er in een recent artikel aan dat onderwijs een “positioneel goed” is: wat er toe doet, is niet of je het hebt of niet, wel of je er meer en beter van hebt dan je “concurrenten”. Dat leidt, in sommige landen al meer dan andere, tot een wedloop waarbij kinderen, vaak met privé bijlessen, steeds harder moeten presteren in een race die nooit iedereen kan winnen.

De Amerikaanse economist Bryan Caplan ging in 2018 met zijn grondig geresearched boek The Case against Education: Why the Education System Is a Waste of Time and Money, nog verder. Onderwijs heeft hoe langer hoe meer enkel een “signaalfunctie”: een diploma toont dat je in het algemeen een attitude hebt die je geschikt maakt voor de arbeidsmarkt, maar is geen bewijs van specifieke vaardigheden.

Zijn conclusies gelden voor het onderwijsbeleid in het algemeen eerder dan voor elke individuele student:

The most important implication of the signaling model is that we spend way too much money on education.  Education spending at all levels should be drastically reduced, and people should enter the labor force at much younger ages.

En:

The education we offer should be more vocational [beroepsgericht onderwijs].  Especially for weaker students, vocational education has a higher private and social return than traditional academic education.


“We eisen te weinig van onze bedrijven”

Dat zegt milieu-advocate en docente omgevingsrecht aan de KU Leuven Isabelle Larmuseau in een interview met De Standaard, in aanloop naar haar getuigenis voor het Vlaams Parlement in de 3M-zaak.

Ze legt daarmee, onrechtstreeks en in mijn interpretatie, de vinger op de zere wonde van het Corporate Social resonsibility (CSR), of Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) debat.

Wat is er immers aan de hand?

Larmuseau onderzocht hoe 3M vorig jaar aan een nieuwe omgevingsvergunning raakte.
Die nieuwe omgevingsvergunning is een eeuwigdurende vergunning, maar er ging geen milieueffectenrapportage aan vooraf. Dat is niet wettig.”

En: “Het klopt niet dat de regelgeving rammelt. Alles is voorhanden om het beleid op een goede manier te voeren.”

Maar:

Het probleem ligt bij de onderbemanning van de diensten.”

Lermuseau toont hiermee twee dingen aan:

  1. Onrechtstreeks: CSR werkt niet. Immers, 3M heeft een heel departement dat zich, afgaande op de website nogal intensief bezighoudt met Sustainability. Het bedrijf publiceert, zoals CSR zou voorschrijven, zelfs een heus jaarlijks rapport, 230 pagina’s lang, over Sustainability. 3M beantwoordt daarmee het soort oproepen die onder meer de Belgische captain of industry Thomas Leysen onlangs in de Tijd deed: “Duurzame ontwikkeling is een absolute must“, onder de provocerende titel “Weg met corporate social responsibility“, en verwijzend naar de passages over duurzaamheid in de Belgische Corporate Governance Code 2020. Maar zulke Corporate Governance Codes zijn gebaseerd op vrijwilligheid en goede intenties. En dat werkt dus niet. CSR is triviaal, naïef, of contraproductief.
  2. Wet- en regelgeving dus. Maar dan heb je wel een overheidsapparaat nodig dat die wetten en regels kan doen naleven, én bedrijven die (1) zelf actief ijveren voor strengere wetten en regels (in plaats van vrijwillige goede intenties en “codes” te produceren) en (2) voldoende schrik aangejaagd worden om, bij overtreding, de kans te lopen op een strenge bestraffing.

Voorlopige conclusies:

  • Onze regelgevende staat laat ons in de steek, zoals de Amerikaanse economist en blogger Tyler Cowen blijft herhalen.
  • Het initiatief van het Vlaams Parlement is een goed initiatief. Immers, zegt Lermuseau in het interview, “Ik denk wel dat andere bedrijven nu even naar adem happen.”

Vrijdagse gevarieerde links

  • Twee verbluffende demonstraties (en hier) van de huidige stand van zaken in artificiële intelligentie (AI). Open AI Codex vertaalt gewone Engelse commando’s in softwarecode om, bijvoorbeeld, een animatie te maken, of een website.
  • Voor wie dit allemaal wat te snel gaat: kom tot rust met Into Great Silence, een prachtige docu over het leven van de Kartuizermonniken in Chartreuse. Regisseur Philip Gröning vroeg de monniken toestemming om te filmen in 1984. Zij moesten er eens over nadenken. Zestien jaar later antwoordden ze hem dat het OK was. Gröning leefde in 2002 en 2003 zes maanden tussen de monniken. Hij filmde zonder kunstlicht en monteerde de beelden tot een twee uur veertig minuten durende impressie, zonder commentaar, voice over of ander geluid dan dat van het kloosterleven. Uitgekomen in 2005, maar nu pas ontdekt, via (vergeten).
  • In de categorie “minder goedaardige effecten van religie”: onderzoekers gingen na wat de langetermijn economische effecten waren van de Spaanse Inquisitie. Tot op dorpsniveau in Spanje, zo tonen ze aan, heeft de Inquisitie tot 200 jaar na datum nog negatieve effecten op het binnenlands product per hoofd van de bevolking, via een lager niveau van vertrouwen en minder investeringen in menselijk kapitaal.
  • 3 budget levels is een fascinerende videostudie van het YouTube kanaal In Depth Cine hoe regisseurs zoals Stanley Kubrick, Spike Lee, Martin Scorsese en Wes Anderson hun basisstijl behielden en aanpasten doorheen hun loopbaan. Met videofragmenten van drie van hun films: low, mid en hoog budget. Via het regelmatig verrassende kottke.org.
  • Hoe krijg je je beste werk gedaan als je “voortdurend onderbroken” wordt? “Ik ga me eens drie dagen opsluiten”? Werkt toch niet echt. De Guardian columnist en time management specialist Oliver Burkeman ging te rade bij genieën zoals Charles Darwin en de wiskundige Henri Poincaré, en artiesten zoals Charles Dickens, Virginia Woolf en Ingmar Bergman. Hun les: vind ergens in de dag, liefst op vaste en de meest creatieve momenten, vier uur – bij Poincaré was dat twee uur in de voormiddag en twee in de namiddag, bij Darwin twee blokken van 90 minuten en een van een uur – en scherm die af voor je meest creatieve werk. En laat de rest van de dag dan maar op zijn chaotische beloop, met emails, meetings en andere “afleidingen”. Ga dat als gestresste thuiswerker vertellen aan je collega’s … Via de onuitputtelijke The Browser.

*Foretelling the End of Capitalism. Intellectual Misadventures Since Karl Marx* (2)

Dit is de tweede post van de derde boeksamenvatting en -bespreking in de reeks Kapitalisme. Is het einde nabij?

In de eerste post over het boek van Francesco Boldizzoni: een vogelvluchtsamenvatting van de geschiedenis van voorspellingen over het einde van het kapitalisme van 1850 tot aan de Tweede Wereldoorlog.

1950’s – 1980’s

De jaren van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot ergens einde de jaren 1960 zijn minder vruchtbare tijden voor voorspellers van het einde van het kapitalisme.

Het zijn de drie decennia van de Trente Glorieuses, een periode van ongekende economische groei (in het rijkere Westen), waarin het rauwe kapitalisme gebreideld en getemd leek te zijn. Planning en regulering waren wel degelijk mogelijk. Mensen konden de richting en het lot van de economie bepalen door berekende ingrepen. En dat weerlegde de thesis dat het kapitalisme onderhevig was aan onontkoombare wetten van de geschiedenis.

Voor die hard Marxisten waren het lastige tijden. De realiteit van het – weliswaar getemde – kapitalisme was dat het welvaart had gebracht. Dat was voor Marxisten, gaandeweg, “from uncomfortable to embarrassing” (p 117). Een aantal onder hen verlegden hun hoop voor de komende revolutie dan maar van het rijke Westen naar het armere Zuiden.

Maar de drang naar voorspelling bleek toch sterk genoeg. De protesten van 1968 en volgende jaren maakten, onder de intelligentsia alleszins, min of meer een einde aan de illusie van een maatschappij die dankzij groei en welvaart vrede kon nemen met zichzelf. In de tijdsgeest van de late jaren 1960, waarin er economisch niet al teveel te klagen was, verschoven ondergangsdenkers hun inspanningen van economische naar politieke en culturele analyse.

De Amerikaanse economist, diplomaat en ambtenaar Kenneth Galbraith (1908-2006) schilderde het kapitalisme af als een machine die consumentenvraag creëerde. De Duitse Frankfurt School formuleerde een bredere filosofische kritiek: de instrumentele rationaliteit van het kapitalisme leidde tot massaconsumptie en drong binnen in alle geledingen van de maatschappij, ook de niet-economische.

Herbert Marcuse (1898-1979) zag de industriële samenleving als totalitaire manipulator van onze noden. Ze kon alleen overleven door repressieve tolerantie. De opkomende groep van kenniswerkers was eigenlijk het nieuwe proletariaat. Daaronder was een subproletariaat ontstaan van mensen die niet meeprofiteerden van de economische groei.

De overgang naar socialisme kon voor Marcuse geen kwantitatieve evolutie zijn, met wat meer herverdeling hier en daar, maar moest een kwalitatieve sprong worden, die volledig brak met de economische, maar ook met de sociale, culturele, esthetische en ecologische fundamenten van het huidige systeem. Die revolutie, zo voorspelde Marcuse, zou nog wel even op zich laten wachten. De finale crisis van het kapitalisme zou best nog een eeuw kunnen duren.

In dezelfde trant, maar dan vanuit conservatieve hoek, zou de Amerikaanse socioloog Daniel Bell (1919-2011) midden de jaren 1970 wijzen op de culturele contradicties van het kapitalisme. De bourgeoiswaarden die het kapitalisme groot hadden gemaakt – discipline, uitgesteld genot, hard werk – hadden geleid tot een cultuur die net die waarden compleet verwierp.

De 1970’s, met de oliecrisissen, de vertragende groei en diepe recessies, maar ook met de steeds luidere waarschuwingen over een link tussen economische groei en de negatieve impact op het milieu, betekenden het einde van de Trente Glorieuses.

Sociaaldemocratische regeringen konden de onvrede over de gevolgen van recessies en vertragende groei niet de baas. Het pact tussen sociaaldemocratie en kapitalisme lag min of meer aan diggelen.

Het einde van de periode werd gemarkeerd door de verkiezingen van Ronald Reagan in de VS en van Margaret Thatcher (met The Road to Serfdom in haar handtas) in het Verenigd Koninkrijk. In Frankrijk moest François Mitterrand, die in 1981 president werd met de belofte om te breken met het kapitalisme, na twee jaar bakzeil halen.
De tegenbeweging die einde jaren 1960 begonnen was, liep stuk op een contrarevolutie.

1989 – 2019

De laatste periode die Boldizzoni in het boek behandelt, en die loopt tot vandaag (t.t.z., net vóór het uitbreken van de Coronacrisis), begint met de ophefmakende publicatie van de Japans-Amerikaanse politieke wetenschapper Francis Fukuyama, The End of History?

Het artikel, dat Fukuyama later uitwerkte in een bestsellerboek, verscheen, wellicht door een combinatie van geluk en goed inzicht, in de zomer van 1989, enkele weken vóór de val van de Berlijnse Muur.

Fukuyama’s thesis was dat de duizendjarige evolutie van economische, politieke en ideologische systemen tot een eindpunt was gekomen. Het kapitalisme en de liberale democratie hadden gewonnen.

Het was zodanig duidelijk dat het kapitalisme het “natuurlijke systeem” was, dat het niet meer nodig leek het systeem te analyseren, laat staan het einde ervan te voorspellen. Het begin van de 1990’s was in elk geval een naoorlogse laagconjunctuur in “end of capitalism”-voorspellingen.

end of capitalism ngram

In plaats daarvan brak een relatief korte hoogconjunctuur aan voor “post-kapitalisme” analyses. In de kennismaatschappij, die samen met het internet ontstaan was, waren de kenniswerkers de eigenaars van de productiemiddelen. En “as capital is within us, then how can it exploit us”, citeert Boldizzoni de Zweedse economisch historicus Jenny Andersson.

Bovendien had de scheiding tussen eigendom en controle over bedrijven, die al in de eerste helft van de 20ste eeuw was begonnen, zich verder doorgezet. Als vooral pensioenfondsen, en dus wij allemaal, eigenaar waren van bedrijven, dan leefden we in een kapitalisme zonder kapitalisten.

De echte bazen van de bedrijven, zo ging een andere analyse, waren de klanten. Voor werknemers betekende dat toch a much sweeter dictatorship (p 168).

Wat kon een sociaaldemocratie in identiteitscrisis hier nog tegenover stellen?

Het antwoord was de Third Way van Tony Blair, die van 1997 tot 2009 de Britse Eerste Minister was.

Die Third Way erkende dat het kapitalisme het enige werkbare systeem was, en stelde zich tot doel macht, welvaart en kansen zo breed mogelijk te verspreiden. Mensen zouden dan wel meer hun lot in eigen handen moeten nemen. De verzorgende, reactieve welvaartsstaat van de naoorlogse periode werd vervangen door wat Blair-volger Frank Vandenbroucke hier de actieve welvaartstaat doopte.

De tijd was zelfs rijp voor wat Boldizzoni “optimisten van het elfde uur” noemt (p 175). Hij haalt als voorbeelden Paul Collier aan (zie vorige boeksamenvatting en -bespreking in deze reeks), en Deirdre McCloskey’s (magistrale – FM) trilogie over Bourgeois Values.

McCloskey, zo noteert Boldizzoni een beetje smalend (McCloskey zal terugslaan met een nog smalender kritiek op zijn boek; zie volgende post) verdedigt het kapitalisme voor zijn economische superioriteit, maar meer nog voor zijn moraliteit en ethische waarden.

Het kapitalisme heeft ons betere mensen gemaakt. Niet alleen dat. De ongelijkheid, die voor nagenoeg alle anti-kapitalisten het probleem bij uitstek is, is geen probleem. Laat innovators en ondernemers doen, en de zo gecreëerde welvaart komt ons allemaal, inclusief de armen, ten goede.

Boldizzoni noemt dit *trickle-down” argument een “curious doctrine” (p 178).

Een andere verdedigingslinie, die populair werd tijdens de Grote Recessie na de bankencrisis van 2008-2009, is de stelling dat niet het kapitalisme het probleem is, maar corruptie en de buitensporige politieke invloed van de rijken: “(A)bsolving capitalism by separating economy from politics, and throwing the blame on the latter”. (p 180)

Volgende post: Boldizzoni’s analyse van het falen van voorspellers en van de staying power van het kapitalisme. Plus enkele bedenkingen en kritieken.


Dinsdag quote

Moral intuitions don’t always track the causes of the injustice that triggers them. This doesn’t mean those intuitions must be wrong, only that they don’t focus our attention on the cause. This impairs our ability to propose plausible solutions.

Daniel Halliday & John Thrasher (2020). The Ethics of Capitalism. An introduction, p 131

*Foretelling the End of Capitalism. Intellectual Misadventures Since Karl Marx* (1)

Dit is de derde boeksamenvatting en -bespreking in de reeks Kapitalisme. Is het einde nabij?

Wolfgang Streeck, How Will Capitalism End? (en deel 2) was het eerste boek. Paul Collier’s The Future of Capitalism (en deel 2) het tweede.

De auteur van Foretelling the End of Capitalism is de jonge Italiaanse historicus en sociaal wetenschapper Francesco Boldizzoni. Hij doceerde aan de universiteiten van Turijn en Helsinki en sinds 2019 is hij professor of Political Science aan de Norwegian University of Science and Technology.

Het boek hoort thuis in de reeks omdat het in een bevattelijke vogelvlucht een overzicht biedt van de geschiedenis van voorspellingen van het einde van het kapitalisme sinds het prille begin van dat genre tot vandaag.

Het programma is dubbel. Enerzijds wil Boldizzoni uit het historisch overzicht van voorspellingen van het einde van het kapitalisme inzichten halen waarom die voorspellingen tot nader order nooit uitgekomen zijn. Anderzijds wil hij die analyse gebruiken om ons begrip van het kapitalisme te verbeteren en om te begrijpen hoe het tot nu toe heeft kunnen overleven.

In dit eerst deel van de bespreking geef ik, opgesplitst in twee posts, een vogelvlucht van de vogelvlucht die Boldizzoni maakt. Het is, hoop ik, een handig overzicht van 160 jaar denken over het kapitalisme.

1850 – 1914

De term “kapitalisme” werd voor het eerst gebruikt in het midden van de 19de eeuw. Nagenoeg gelijktijdig ontstond het genre dat ook het einde van het kapitalisme voorspelde, of alleszins het verdere verloop.

Het bredere intellectuele klimaat was dat waarin het begin van de klassieke moderniteit samenging met de eerste analyses van die moderniteit, en waarin het vooruitgangsgeloof een tegengewicht vond in het zich afzetten tegen de moderniteit en een verheerlijking van een romantisch verleden en een betere tijd.

De Engelse filosoof John Stuart Mill (1806-1873), wiens Principles of Political Economy (1848) tot in 1919 het standaardhandboek Economie bleef aan de universiteit van Oxford, twijfelde eigenlijk heel zijn leven tussen socialisme, communisme, en een kapitalisme dat dan wel ingekaderd moest worden in een systeem dat zou zorgen voor gelijke kansen.

Hij zag het kapitalisme niet zozeer eindigen als wel evolueren naar een stationaire toestand, waarin groei niet meer nodig of gewenst zou zijn. Zowel om morele redenen als om (avant la lettre) milieuoverwegingen zou dit een ideale toestand zijn.

Voor Karl Marx (1818-1883) zou het kapitalisme weggevaagd worden in een evolutie die ingeschreven stond in de ijzeren wetten die de loop van de geschiedenis bepalen. De combinatie van een concentratie en een teveel aan productiemiddelen, en een dalende winst aan de ene kant en een uitgebuite massa zonder voldoende koopkracht aan de andere kant zou het systeem doen kraken in zijn voegen. Een proletariaat dat tot klassenbewustzijn zou komen, zou de doodsteek geven en, na een revolutie, een systeem installeren waarin de productiemiddelen collectieve eigendom zouden worden.

Mill en Marx zagen beiden de rauwe kanten van het kapitalisme van het midden van de 19de eeuw. Het was het einde van de eerste Industriële Revolutie; de tweede stond eraan te komen. Ze vermoedden beiden wel dat het systeem nog een tijd lang groei en hogere welvaart zou brengen. Maar ze onderschatten ook de rol van innovatie en technologie, waarvan de impact op de welvaart veel groter zou zijn en meer algemeen dan ze tijdens hun leven hadden kunnen meemaken of hadden vermoed.

Naarmate tegen het einde van de 19de eeuw die impact wel duidelijker werd, rezen ook twijfels over het voorspelde snelle einde van het kapitalisme.

Die twijfel leidde tot drie reacties.

De eerste voerde aan dat de technische vooruitgang, en de globalisering, louter veiligheidskleppen waren die de druk maar tijdelijk van de kapitalistische ketel zouden nemen. Marx’ ijzeren wetten over het verdere verloop van de geschiedenis zouden zich nog wel doen gelden.

De tweede reactie gaf schoorvoetend toe dat het kapitalisme misschien niet ondermijnd zou worden door zijn inherente economische contradicties. Maar het einde moest dan maar bewerkstelligd worden door politieke wilsdaden.

Kapitalisme is een blijver, vond de derde reactie. Maar in plaats van het systeem revolutionair omver te werpen, werken we beter aan graduele veranderingen en verbeteringen. Uit die reactie, die begon met de Fabian Society, opgericht in 1884 in Londen, ontstond de sociaaldemocratie.

Min of meer gelijktijdig ontstond ook een lijn die de analyse en de kritiek op het kapitalisme begon te ontwikkelen in een breder, sociologisch kader (niet dat Marx dat ook al niet voor een deel gedaan had).

De Duitse “vader van de sociologie” Max Weber (1864-1920) stelde een theorie voor waarin de geest van het kapitalisme oorspronkelijk ontwikkeld was vanuit de protestantse ethiek, die de burger aanzette tot zuinigheid en hard werk. Maar die band met de religieuze origine werd gaandeweg losser. Parallel met het historisch proces van rationalisering en efficiëntiedenken werd de geest van het kapitalisme er een van bureaucratische routine en machineproductie, die wel voor stijgende welvaart zorgde, maar waarin alle geledingen van de maatschappij gevangen zaten als in een ijzeren kooi.

Over de toekomst van het kapitalisme was Weber onzeker. Tegen het einde van zijn leven zag hij een tijdperk dat onvermijdelijk nog lang kapitalistisch zal blijven. Marx’ voorspelling over de ondergang van het kapitalisme en de komst van de klasseloze maatschappij vergeleek hij met de christelijke leer over het Laatste Oordeel: geen logisch of wetenschappelijk verhaal, maar wel een dat mensen houvast kon bieden.

Tussen de twee Wereldoorlogen

Aan de gebeurtenissen tussen de twee Wereldoorlogen hadden voorspellers van het einde van het kapitalisme meer dan een kluif.

Toonden de Eerste Wereldoorlog en de crash van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie niet aan dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep? Of zat er in de New Deal, het fascisme en Sovjet dirigisme een gemeenschappelijke onderstroom naar convergentie tussen een ongebreideld kapitalisme en communisme, of alleszins een meer geplande economie?

De evolutie van de organisatie van het bedrijfsleven sinds de tweede helft van de 19de eeuw leek die convergentiethesis trouwens voor een stuk te bevestigen.

In het commerciële kapitalisme van de 19de eeuw was het de regel dat eigenaars managers waren, en managers eigenaar. Einde 19de eeuw, begin 20ste eeuw zorgde technologie ervoor dat productie en distributie op veel grotere schaal konden gebeuren. Daarvoor waren grote sommen geld nodig, die vaak geleverd werden door externe financiers en later door grote groepen kleinere aandeelhouders.

De schaalvergroting zorgde bovendien voor steeds meer concentratie en in een aantal sectoren zelfs voor monopolies. De voorspelling van Marx dat kapitalisten-ondernemers elkaar kapot zouden concurreren, werd daardoor minder waarschijnlijk. Maar vooral: er kwam een scheiding tussen eigendom en controle. Het waren nu de gehuurde managers, niet de eigenaars, en niet de markt, die voor een groot deel de structuur en de gang van de economie bepaalden.

Dit managementkapitalisme voedde speculaties over de convergentie van kapitalisme en socialisme in een Weberiaans bureaucratisch collectivisme.

Niet alleen in het bedrijfsleven, ook in de politieke organisatie van de economie werd er nagedacht over hoe de zichtbare hand van regulering en planning de instabiliteit kon remediëren.

John Maynard Keynes (1883-1946) is hier de sleutelfiguur. Vooral omdat hij dacht en schreef vanuit een dubbele horizon.

De problemen van de korte en middellange termijn pakte hij aan als economist. Het Keynesianisme, dat bijzonder invloedrijk zou zijn voor de New Deal en nog meer in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, was in se een poging om het kapitalisme van zichzelf te redden, door er een gemengde economie van te maken met een belangrijke rol voor de overheid.

Op lange termijn dacht Keynes als moraalfilosoof. In het korte en zeer leesbare essay Economic Possibilities for Our Grandchildren vatte hij zijn ideeën samen.

Rond 2030 (binnen een kleine 9 jaar dus) zou volgens Keynes het economisch probleem opgelost zijn. Door de stijging van de productiviteit zouden we onze basisnoden gemakkelijk kunnen vervullen, en een levensstandaard bereiken die “vier tot acht maal hoger is” dan die van 1930. Ook aan de drang om onze relatieve noden – het streven naar status – te vervullen, zou een einde komen.

The love of money as a possession … will be recognised for what it is, a somewhat disgusting morbidity, one of those semi-criminal, semi-pathological propensities which one hands over with a shudder to the specialists in mental disease.

In plaats daarvan zouden we ons kunnen overgeven aan het goede leven, in een werkweek die nog maar 15 uur zou bedragen.

De Oostenrijks-Amerikaanse economist Joseph Schumpeter (1883-1950) geloofde niet in die stationaire toestand die Keynes en ook Mill voorspeld hadden. Een hogere levensstandaard zou onze noden en verlangens immers doen toenemen en er nieuwe creëren.

Hij voorspelde wel het einde van het kapitalisme. Niet door periodieke en lokale crisissen. Die waren het gevolg van de creatieve destructie waarmee het kapitalisme zichzelf voortdurend vernieuwde en die voor innovatie en welvaart zorgden.

Het kapitalisme zou aan zijn einde komen doordat het een mentaliteit en levensstijl creëerde die zijn eigen fundamenten ondergroef. Het managementkapitalisme maakte een einde aan de rol van de entrepreneur, die net de motor was van de creatieve destructie. Zelfs in de mate dat de creatieve destructie wel nog zou werken, kon het kapitalisme geen case maken. Niet rationeel – wie liet zich overtuigen door het vooruitzicht van een beter leven binnen 100 jaar, zoals Keynes voorspeld had? – en niet emotioneel, want het berekenende kapitalisme schakelde net elke emotionele gehechtheid uit.

Maar het was vooral de vijandige rol van steeds meer intellectuelen tegenover het kapitalisme die de doodsteek zou geven. Om een actieve vijandigheid tegenover een sociale orde te creëren, heb je immers een groep nodig die er belang bij heeft om wrok op te wekken, te organiseren, te verwoorden en aan te wakkeren. Liefst heeft die groep ook niet teveel verantwoordelijkheid voor praktische zaken. Deze groep, zegt Schumpeter, zijn de intellectuelen, die net aan het kapitalisme voor een groot deel hun bestaan als min of meer aparte groep te danken hebben.

Een paar dagen voor zijn dood concludeerde Schumpeter in een speech: “Marx was wrong in his diagnosis of the manner in which capitalist society would break down; he was not wrong in the prediction that it would break down eventually.

De convergentietheorie leek dus de overhand te halen in de periode tussen de twee Wereldoorlogen. Tijdens en naar het einde van de Tweede Wereldoorlog dook wel een ongemakkelijke waarheid op – de eerste berichten over de wreedheden van het Stalinisme – en een even ongemakkelijke interpretatie – dat fascisme misschien niet het tegendeel was van socialisme, maar er net een uitdrukking van. Maar die werden grotendeels onder de mat geveegd.

Friedrich Hayek (1899-1992) publiceerde in 1944 wel The Road to Serfdom, waarin hij waarschuwde dat planningsdrang zou leiden naar totalitarisme. Maar die waarschuwing verdween min of meer in de kast tot enkele decennia later.

De economische historicus en antropoloog Karl Polanyi (1886-1964), die in het boek van Boldizzoni merkwaardig genoeg maar zijdelings aan bod komt, haalde de bovenhand met zijn analyse dat het kapitalisme de maatschappij had overgenomen die het had moeten dienen. Polanyi betoogde dat regulering en controle wel konden leiden naar vrijheid voor allen, en dat een gemengde economie kon werken in een democratische context.

En dit was inderdaad wat zou gebeuren in de decennia na de Tweede Wereldoorlog.

Volgende post: 1960’s – 1980′s en 1989 – 2019


Dinsdag quote

British belief in progress in the century before the Industrial Revolution was more pragmatic, more down-to-earth than on the Continent, but it reached somewhat deeper into society, beyond the crème de la crème of the intelligentsia, into the ranks of educated entrepreneurs, literate mechanics, trained engineers, and high-skill artisans, who actually made the Industrial Revolution.

Joel Mokyr (2017). A Culture of Growth. The Origins of the Modern Economy, p 264

Onder de radar: zorgelijk economisch nieuws uit Afrika

One of the saddest stories of the year has gone largely unreported: the slowdown of political and economic progress in sub-Saharan Africa. There is no longer a clear path to be seen, or a simple story to be told, about how the world’s poorest continent might claw its way up to middle-income status. Africa has amazing human talent and brilliant cultural heritages, but its major political centers are, to put it bluntly, falling apart.

Dat is Tyler Cowen in een recente Bloomberg column. Het droeve verhaal blijft ook hier bijna volledig ongerapporteerd.

Cowen focust in zijn column op drie landen: Ethiopië, Nigeria en Zuid-Afrika. Samen zouden zij de economische groeimotor vormen van sub-Sahara Afrika. Dat was de hoop nog enkele jaren geleden. De grafiek hieronder toont de evolutie van hun economische groei in de voorbije tien jaar.

ethiopie-nigeria-groei

Vooral het verhaal van Ethiopië is schrijnend. Het land werd enkele jaren geprezen als economisch mirakel en voorbeeld voor Afrika, na een periode waarin het jaar na jaar met meer dan 10 procent groeide. Het was daarmee de vierde snelst groeiende economie ter wereld; tegen 2025 zou het tot de middle income landen kunnen behoren, zo voorspelde de World Bank.

De burgeroorlog die Ethiopë nu teistert, lijkt die hoop aan diggelen geslagen te hebben.

Ook in Nigeria, dat qua bevolking (212 miljoen) en economie het grootste land is in sub-Sahara Afrika, stokt de economisch groei, onder meer door binnenlandse politieke onrust.

Zuid-Afrika is het rijkste land in de regio en belichaamde bij het eind van de Apartheid de hoop van Afrika. Maar, zo citeert Cowen de New Yorker, “Mandela’s dream is in ruins”. Het land kent een werkloosheid van 33 procent en tienduizenden bedrijven en winkels worden geplunderd.

Vergeet niet dat volgens realistische voorspellingen sub-Sahara Afrika op weg is naar een bevolking van 3 miljard mensen tegen het einde van deze eeuw, een derde van de wereldbevolking. Nigeria alleen al zou tegen 2100 een bevolking van 790 miljoen mensen hebben, en daarmee het tweede grootste land ter wereld zijn, na Indië.