Vervolg: Structureel racisme of arbeidsattitude?

We waren met deze blogpost blijkbaar niet de enige die geschrokken waren van het ontzettend hoge percentage inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit in België in de recente paper van Stijn Baert en @UGentAtWork. Met 44.2 procent bekleedt België daar een weinig benijdenswaardige toppositie in Europa.

Stijn Baert en @UGentAtWork kregen er veel vragen over. In een knap staaltje van kort op de bal maatschappelijke dienstverlening publiceerden ze deze week een vervolgpaper die sommige vragen verder uitdiept: Inactiviteit onder migranten in België: uitgediept via cijfers en studiewerk.

Ter herinnering: inactieven zijn niet-werkenden die ook niet op zoek zijn naar een baan; zij worden dus niet bij de werklozen geteld. Maar willen we ooit een werkzaamheidsgraad van 80 procent bereiken, dan zullen we een deel van die inactieven ook aan werk moeten helpen.

In de vervolgpaper zetten Baert en co in een eerste deel het cijfer van 44.2 procent in perspectief met andere cijfers. In een tweede deel van de paper bekijken ze kort tien wetenschappelijk artikels die aspecten van de kwestie de voorbije jaren onderzochten, en vatten ze de beleidsaanbevelingen samen.

Enkele bevindingen:

  • In absolute cijfers vormen de 44.2 procent inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit een groep van 123,000 inactieven. Dat is 9.5 procent van de 1.3 miljoen inactieven in België, terwijl het algemeen aandeel van 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit maar 4.6 procent is.
  • In absolute aantallen zijn er in Wallonië onder de 25- tot 64-jarigen met een nationaliteit van buiten de EU meer inactieven dan werkenden en werkzoekenden samen.
  • Maar de onevenredigheid tussen het aandeel in de bevolking en het aandeel bij de inactieven is het grootst in Vlaanderen. Aandeel in de bevolking: 3.4 procent. Aandeel bij de inactieven: 7.4 procent.
  • Aan de scholingsgraad ligt het niet. België scoort daar beter dan het Europese gemiddelde. “Dit suggereert dat de hogere inactiviteit onder niet-Europese migranten in België zich vooral op de arbeidsmarkt zelf ontwikkelt,” concluderen de auteurs.

In het tweede deel van de paper overlopen ze tien recente wetenschappelijke artikels en vatten ze de beleidsaanbevelingen samen. De vraag in de titel van deze en vorige post – “Structureel racismes of arbeidsattitude?” – wordt bij Baert en co “We delen op naar verklaringen aan de werkgeverszijde, werknemerszijde en beleidszijde.”

  • Aan werkgeverszijde blijkt etnische discriminatie wel degelijk een drempel bij aanwerving, in België en internationaal, al lijkt die discriminatie af te nemen. De discriminatie is er omdat werkgevers vrezen dat klanten en werknemers liever niet met personen met migratieachtergrond samenwerken, eerder dan dat ze geloven dat migranten minder productief zouden zijn.
  • Mogelijke beleidsmaatregelen zijn praktijktesten op sectorniveau, kosten van discriminatie verhogen, minder eerste selectie op basis van CV-screening, en training van selectieverantwoordelijken. Hogere concurrentie op een krappe arbeidsmarkt zal ook helpen.
  • Aan werknemerszijde vinden onderzoekers dat culturele factoren zoals vroeger huwen de moeilijke overgang van school naar werk onder vrouwen met een migratieachtergrond mee verklaren. Intensievere contacten met arbeidsbemiddelingsbureaus en sollicitatiecursussen verhogen de kans op werk. Migranten die op hun CV vrijwilligerswerk kunnen toevoegen, zien de gunstige reacties op sollicitaties verdubbelen.
  • Op vlak van het beleid blijkt er eerder positieve discriminatie te zijn bij overheidsjobs, al hangt dat nog teveel af van de politieke kleur van de (lokale) beleidsmensen.
  • De nadruk op het snel leren van de taal, snelle professionaliseringstrajecten en andere inburgeringscursussen, waar bij politici nogal wat heil van wordt verwacht, blijkt vaak averechts te werken. Die trajecten lijken migranten in laaggeschoolde, onzekere banen te duwen.

Nog deze week voegde een andere wetenschapper, Dries Lens, in zijn zopas verdedigd doctoraat aan UAntwerpen, Is labour migration hurting migrant labour? (DS), enkele elementen toe aan het debat.

Lens wijst in het algemeen op de rigide arbeidsmarkt in België en op de nefaste rol van minimumlonen voor arbeidsinstromers.

Hij onderzocht ook de rol van gedetacheerden, werknemers uit andere EU-landen en zelfs niet-EU-landen zoals Oekraïne. Gedetacheerden blijken zeer populair bij werkgevers omdat de socialezekerheidsbijdragen in het zendland betaald worden. Bij hen is ook geen sprake van al dan niet verplichte inburgeringscursussen.

In 2019 ging het om 275,000 gedetacheerden, van wie 35.000 uit een niet-EU-land. Ook hier staat België aan de Europese top.

In zijn doctoraat toont Lens aan dat werkgevers liever via detachering werken dan migranten aan te nemen. Zijn besluit: “Via detachering omzeilen werkgevers de rigide en overgereguleerde arbeidsmarkt. Net daardoor stellen ze interventies uit om de arbeidsreserve op de Belgische arbeidsmarkt in te ­zetten.”


Zaterdag quote

When you cast policy issues in moral terms, you degrade the character of public discourse. You lead people to see conflicting priorities as an occasion for battle, rather than an occasion for compromise. You send the message that policy is best decided by appeals to one’s inner conscience (or, more likely, to the polemics of demagogues), rather than by appeals to impersonal cost-benefit analysis.
… If we’re determined to instill blind moral instincts that make people behave better most of the time, I’d like to nominate a blind moral instinct to respect price signals and the individual choices that underlie them—an instinct, for example, to recoil from judging and undercutting other people’s voluntary arrangements.

Steven E. Landsburg (2013). Don’t cast recycling as a moral issue

Structureel racisme of arbeidsattitude?

In een recente paper die Stijn Baert en @UGentAtWork schreven op basis van de zopas door Eurostat gepubliceerde cijfers over de arbeidsmarkt in de Europese landen voor 2021 is er één cijfer dat om meer aandacht schreeuwt.

Baert vergeleek de inactiviteitsgraad tussen verschillende Europese landen en gewesten. Hij doet dat in navolging van het “ijsbergmodel” dat hij onlangs lanceerde, waarin hij voorstelt om in plaats van de werkloosheidsgraad en de werkgelegenheidsgraad als richtindicatoren het percentage werklozen ten opzichte van de totale 25-64 populatie en het percentage inactieven ten opzichte van de totale populatie te gebruiken. Die twee samen geven een beter beeld van de toestand van de arbeidsmarkt, ook voor het beleid.

De inactiviteitsgraad in België bedraagt 21.8 procent, tegenover bijvoorbeeld 15.2 procent in Nederland en 10.9 procent bij Europese koploper Zweden. In de EU zijn er maar 4 van de 27 landen die het slechter doen dan België.

In absolute cijfers betekent dit dat 1.3 miljoen Belgen tussen 25 en 64 noch werken, noch werk zoeken. Het betekent ook dat, zelfs wanneer in België alle werkzoekenden morgen aan de slag zouden gaan, we nog niet de vooropgestelde 80 procent werkzaamheidsgraad zouden halen.

Het ene cijfer dat om aandacht schreeuwt, en dat meteen de hoge inactiviteit in België nagenoeg volledig verklaart, is het percentage inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit. In België bedraagt dat een kolossale 44.2 procent. België spant daarmee veruit de kroon in Europa. Het EU-gemiddelde is 29 procent. De enige drie landen met percentages boven de 30 zijn Nederland (36), Duitsland (34) en Frankrijk (33).

Onder vrouwen met een niet-EU-nationaliteit bedraagt het percentage in België zelfs 59.3 procent. Geen enkel ander Europees land scoort daar boven de 50 procent.

inactiviteit niet-EU-nationaliteit

Zowat alle problemen op de Belgische arbeidsmarkt, maar ook de mogelijke oplossingen, zijn eigenlijk terug te voeren tot dat ene ontstellende cijfer: 44.2 procent. Dat zijn twee generaties migranten die we verloren laten gaan.

Is het te kort door de bocht om te stellen dat die hoge inactiviteit onder mensen met een niet-EU nationaliteit twee en slechts twee oorzaken kan hebben: structureel racisme of arbeidsattitude? Ik denk het niet. Ongetwijfeld is het een combinatie van beide. Maar hoeveel van het ene en hoeveel van het andere? Wat is oorzaak en wat gevolg? Is er een opmerkelijk verschil tussen de gewesten? Hoe is de spreiding over kleinere leeftijdscohorten? Wordt de situatie beter, of net slechter?

Overheid, werkgevers en vakbonden mogen deze lastige vragen niet meer uit de weg gaan. Zolang we er door verder onderzoek, zonder taboes, geen antwoorden op vinden, en concrete oplossingen, blijven het vooropstellen van een doel van 80 procent werkzaamheidsgraad, discussies over arbeidsdeals, en uitspraken als “het ligt aan de Walen”, eigenlijk geleuter in de marge.


Maandagse gevarieerde links

  • Amusante en bijzonder leerzame quiz. Op basis van een grafiek met de belangrijkste exportproducten van een land raad je over welk land het gaat. Zo bijvoorbeeld: 20 procent van de totale export van 10.8 miljard dollar Ethyleen polymeren, 11 procent ruwe olie en 8.5 procent “andere noten”. Welk land? Via Chris Blattman.
  • “Hoe werken dingen?” is een beproefd genre. Maar op deze blog drijft de Californische programmeur Bartosz Ciechanowski het tot het uiterste. De definitieve uitleg, schermen lang, met zeer zorgvuldige grafieken, over de werking van een mechanisch uurwerk, GPS, scheepsbouw en wat nog. Via de onovertroffen The Browser.
  • De jaarlijkse lijst met “wijsheden die ik had willen weten toen ik jong was” van Kevin Kelly, oprichter van Wired en uitgever van The Whole Earth Review, op zijn zeventigste verjaardag. Het zijn er 103 dit jaar.
    Kleine bloemlezing:
    “Anything you say before the word “but” does not count.”
    “Productivity is often a distraction. Don’t aim for better ways to get through your tasks as quickly as possible, rather aim for better tasks that you never want to stop doing.”
    “The biggest lie we tell ourselves is “I don’t need to write this down because I will remember it.”
    “To keep young kids behaving on a car road trip, have a bag of their favorite candy and throw a piece out the window each time they misbehave.”
    “We tend to overestimate what we can do in a day, and underestimate what we can achieve in a decade. Miraculous things can be accomplished if you give it ten years. A long game will compound small gains to overcome even big mistakes.”
    “Take note if you find yourself wondering “Where is my good knife? Or, where is my good pen?” That means you have bad ones. Get rid of those.”
  • Kunnen mobiele telefoons levens redden? Research toont aan dat een toename van 10 procentpunt in mobiele dekking in Afrika samengaat met een daling van 0.45 procentpunt in kindersterfte.
  • Economists for Ukraine. Een wereldwijd collectief van economen en academici die werken aan een einde aan de Russische invasie en de wederopbouw van Oekraïne.

Zaterdag quote

(T)he use of incentives can signal our fellow citizens’ lack of enthusiasm for the public good, and so damage the norms of civil behavior and be counterproductive. To the extent that we all want to retain the illusion that the society in which we live is virtuous, this also sheds light on the widespread resistance to what economists have to say, because economists are often the bearers of bad empirical news concerning how virtuous people are.

Jean Tirole (2017). Economics for the Common Good, p 149

Weg met alle experten, behalve één?

Proficiat Ewald Engelen! De Nederlands financieel geograaf, politicus en publicist blikt in zijn jongste column voor de Groene Amsterdammer terug op dertien jaar en 361(!) columns voor het tijdschrift.

Uit de terugblik blijkt dat hij in de voorbije dertien jaar vrijwel niemand heeft gespaard, en dus veel mensen tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Dat is een deel van de rol van een goede columnist en Engelen heeft dat voortreffelijk gedaan. De terugblik gaat, geheel in eigen stijl, “met soms veel retorisch geweld”, zoals hij het zelf uitdrukt, onder de titel “Het falen van de experts”.

Ik heb twee problemen met die column, en dus ook met heel wat andere van Engelen.

“Het falen van de experts”, zo schrijft Engelen, “is een van de thema’s die als een rode draad loopt door columns, essays en interviews die ik voor De Groene Amsterdammer schreef.”

Het begon, in 2008, met een aanklacht tegen de economen die de financiële crisis niet hadden zien komen en haar ook niet konden of wilden repareren.

Onder corona kreeg het thema natuurlijk een nieuwe schwung.

“Een betere wereld begint bij wat minder slaafs gehoorzamen aan de inzichten en aanbevelingen van economen en andere zelfbenoemde experts.”

Akkoord, in principe. Maar maakt Engelen voldoende onderscheid tussen een rechtmatige rol voor experts, en de rol die hen toegedicht en opgedrongen wordt door media, politiek en het grote publiek?

“Niet respect en bewondering zijn hier op hun plaats, maar scepsis.” Akkoord, maar ik denk dat de experten de eersten zullen zijn om dat toe te geven en aan te moedigen. Zo werkt wetenschap.

De vreemdste zwenking komt echter nadat Engelen alle experten van tafel heeft geveegd. Hij eigent zich dan de positie toe van “expert van experten” en schrijft: “Ik meende namelijk dat het de taak van de staat was om zijn balans als financiële paraplu te gebruiken en kwetsbare burgers te beschermen. Precies zoals Keynes in 1936 in zijn General Theory had beschreven.”

Wacht even. Alle experten falen, behalve een?

Ver van mij om hier Keynes te bekritiseren. Maar hij was wel, heel zijn loopbaan lang, de expert par excéllence van politieke machthebbers.

Schuilt hierin niet het ultieme gevaar: dat het beleid zich laat adviseren door een en slechts een expert?

Als econoom moet Engelen toch weten dat er sinds Keynes nieuwe inzichten zijn gegroeid en geformuleerd in de economie. Sommige daarvan zijn een aanvulling op Keynes, anderen gaan frontaal tegen hem in. Het is nu eenmaal de staat van de economische wetenschap.

“Ik wil een lans breken voor meer sociologen, antropologen, politieke economen, historici en geografen in de economiepanels van morgen,” schrijft Engelen. Maar het opentrekken van de economische wetenschap naar die disciplines is nu net een van de interessantste en vruchtbaarste ontwikkelingen in de economische wetenschap van de voorbije decennia.

Maar misschien zeggen zij te vaak net niet wat Engelen wil horen, en gaan ze onvoldoende samen met hem in tegen de gemeenschappelijke vijand?

Dat is mijn tweede probleem.

Engelen trekt ten strijde tegen het neoliberalisme. Zijn goed recht, en vaak doet hij het met scherpe argumenten.

Maar het is zoals met veel aanvallen op die zogezegde hoofdstroming in onze politieke economie. Neoliberalisme wordt een stroman: Een opzettelijk verkeerd weergegeven positie die is opgezet omdat ze gemakkelijker te verslaan is dan het echte argument van een tegenstander.

Engelen hanteert het etiket als een vlag die enkel door medestanders op afkeurend gebrom wordt onthaald.

Zoals het overgrote deel van de auteurs die de term gebruiken, definieert hij hem nergens. Ik overdrijf misschien, want ik heb niet alle 361 columns nagekeken. Hier is er wel een minieme aanzet.

Maar doorgaans gaat het van “het gladde, elitaire neoliberalisme dat Macron vertegenwoordigt”, over “Ondertussen zucht de gemiddelde Nederlandse burger al dertig jaar onder de knoet van het neoliberalisme”, “Want neoliberalism rules.” en “neoliberale economen (zijn) geen wetenschapper meer maar gelovige in een ontwrichtend economisch systeem” tot “vakmensen zonder ziel en hedonisten zonder hart. Het is de metafysische leegte van het neoliberalisme.”

Daar ben je niet veel mee opgeschoten, behalve dat je blijkbaar knoflook en kruis moet bovenhalen. Er zijn ook nauwelijks door Engelen en co verklaarde neoliberalen die zich als dusdanig uiten.

Full disclosure: Ja, als neoliberaal betekent dat je als econoom je inspiratie haalt bij onder meer Smith, Hume, Bastiat en Mill; als je, net als hen, erkent dat er in de economie een belangrijke rol is weggelegd voor een efficiënte overheid, dan ben ik misschien ook een neoliberaal, al vind ik dat etiket te vernauwend omdat het enkel nog als scheldwoord wordt gebruikt.

Fuller disclosure: Ja, als ik in Nederland zou wonen, zou ik wellicht voor het door Engelen verfoeide D66 stemmen (en zeker niet voor de Partij van de Dieren, waar Engelen in militeert).

Het is ook vreemd dat Engelen geen aandacht heeft (nogmaals, voor zover ik kon nagaan) voor een toch wel stevig argument tegen de stelling dat Nederland en de EU “al dertig jaar onder de knoet van het neoliberalisme” leven.

Als er een basisprincipe is dat zogeheten neoliberalen bij vriend en tegenstander verenigt, dan is het hun pleidooi voor een kleinere rol van de staat.

Welnu, over de periode die Engelen aanschouwt, zijn de Nederlandse overheidsuitgaven als percentage van het BBP geëvolueerd van 43 procent (in 2007) tot 46 procent (in 2021), met weliswaar een dieptepunt in 2019, vlak voor de coronacrisis (42 procent).

Heeft Nederland daarmee het overheidsbeslag op de economie afgebouwd? Er zijn pogingen geweest. En het land presteert beter, of slechter, nargelang je visie, dan het EU gemiddelde (52 procent) en België (bijna 60 procent).

Maar in mijn hoofd alleszins gaan een (niet fors dalend) overheidsbeslag van boven de 40 procent en “onder de knoet van het neoliberalisme” leven niet echt samen.

Maar ik ben dan ook geen expert …


Retail: het eindspel?

De Belgische retailketen Inno zette twee weken geleden de helft van zijn zowat duizend personeelsleden op tijdelijke werkloosheid. Deze week mogen ze even terugkomen om de 125ste verjaardag van de keten te vieren.

Voor de maatregel maakt Inno gebruik van het overheidskader voor tijdelijke werkloosheid door corona. Jawel! Volgens Inno is het shopgedrag van consumenten door de opeenvolging van crisissen (Corona en Oekraïne) gewijzigd.

Hallo Inno, kijken jullie even mee naar de grafiek hieronder?

Detailhandel-maart-2022

Het shopgedrag is al structureel aan het wijzigen sinds 2015 of vroeger. Elke Belgische shopper had jullie dat ook kunnen vertellen. De “twee crisissen” hebben alleen versterkt wat al aan de gang was.

Wat er nu dus gebeurt, is dat Inno de belastingbetaler laat opdraaien voor strategische fouten die het management van Inno gemaakt heeft.

Inno is maar een top van de ijsberg overigens.

Het percentage leegstaande handelspanden in Vlaanderen is de voorbije tien jaar bijna verdubbeld, van 6.6 procent in 2011 tot 11.1 procent in 2021. Van de leegstaande panden is bijna een derde “langdurige leegstand”. Het eindspel van de retail creëert een gigantisch probleem voor onze binnensteden.

Wat er aan het gebeuren is in de retail, is onomkeerbaar. Schumpeter (1942, voortbouwend op Marx) noemde het creatieve destructie; Clayton Christensen (1995) disruptieve innovatie.
Creatieve destructie gaat zo goed als altijd over het verdringen van oude bedrijven door nieuwe. Volgens Schumpeter was het de belangrijkste drijfveer van economische groei.
Disruptieve innovatie start altijd als een aanbod dat kwalitatief minderwaardig lijkt tegenover het bestaande aanbod, maar dat na verloop van tijd dat bestaande aanbod verdringt (denk aan pc’s en minicomputers).

Sinds Christensen de term lanceerde in de managementliteratuur pijnigen gevestigde bedrijven zich het hoofd over hoe ze zichzelf kunnen disrupteren. Het lukt bijna nooit.

Er is bijvoorbeeld geen enkele logische reden, buiten klassieke kortzichtigheid, waarom gevestigde mediabedrijven ergens einde jaren 1990 niet Google of Facebook hadden kunnen uitvinden en groot maken, en zo hun grootste inkomstenbron hadden kunnen veiligstellen. Drie niet-afgestuurde studenten deden het in hun plaats.

Hoe komt dat en hoe moet het dan wel? Op de eerste vraag heeft bij mijn weten nog niemand een steekhoudend antwoord kunnen geven.

Ahold en Bol.com geven wellicht een stuk van het antwoord op de tweede vraag.

De Nederlandse retailer Ahold zag rond 2010, net als Inno had kunnen zien, dat e-commerce in opkomst was. In plaats van zelf een webshop in elkaar te knutselen, nam Ahold in 2012 Bol.com over. Ze lieten het bedrijf bestaan als een zelfstandige eenheid, die op internet-tempo kon werken en groeien.

Bol groeide sinds de oprichting in 1999 tot meer dan 11 miljoen klanten en 3,000 werknemers. Take that Inno.

Gisteren maakte Bol.com bekend dat het de Nederlandse pakjesdienst Cycloon volledig overneemt. De overname is niet enkel een wellicht slimme innovatie in de waardeketting van Bol.com, maar ook een sociale innovatie. Cycloon werkt met 600 mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, die hun pakjes met de fiets afleveren.

Ach, die Nederlanders …


Reminder: bedrijven betalen geen belastingen

Nu het seizoen van de discussies over rijken- en woekertaksen is aangebroken, moeten we blijven herhalen: bedrijven betalen geen belastingen, mensen betalen belastingen.

Een bedrijf dat hogere belastingen moet betalen op zijn winst, kan dat geld uit drie en slechts drie bronnen halen. Hogere prijzen voor klanten; lagere lonen voor werknemers; of lagere dividenden voor aandeelhouders. Daar is geen weg rond.

Hoe het juist zal uitdraaien, hangt af van bedrijf tot bedrijf. De juiste verdeling tussen klanten, werknemers en aandeelhouders is op voorhand onmogelijk te berekenen. Zelfs achteraf zouden we voor de volledige economie slechts heel ruwe schattingen kunnen doen.

Laat ons dan via bedrijfsbelastingen vooral de aandeelhouders pakken? Maar via hogere bedrijfsbelasting is dat een omweg. En het zou een louter eenmalige maatregel zijn. De prijs van de aandelen zou dalen met het percentage van de hogere belasting. Aandeelhouders die de aandelen kopen na de maatregel, stappen dus lager in, en zien hun rendement niet aangetast worden door de maatregel.

Persistente woekerwinsten zijn wel degelijk een teken van een mankement in de economie. In veel gevallen verdwijnen ze vanzelf doordat ze nieuwe concurrenten aantrekken. De consumenten zullen profiteren door lagere prijzen.

Als de overheid een taak heeft, dan is het te zorgen dat die vrije concurrentie kan spelen. Maar het afschaffen van regels en ingaan tegen lobbygroepen is minder populair en klinkt minder daadkrachtig dan wilde voorstellen voor nieuwe belastingen lanceren.

De vraag is dan: besteedt de overheid het geld dat ze afroomt door hogere bedrijfswinsten efficiënter, met meer effect op de welvaart dan onder elkaar concurrerende bedrijven dat zouden doen? Het antwoord op die vraag is deels ideologisch, maar deels ook een feitenkwestie. Het minste dat we kunnen zeggen, is dat de feiten en bewijzen voor een positief antwoord op die vraag gemengd zijn.

Dan pakken we de rijken rechtstreeks? Klinkt goed, en is zelfs onder bepaalde voorwaarden verdedigbaar vanuit rechtvaardigheidsbeginselen.

Maar decennia van pogingen hebben aangetoond dat we daar vandaag op Belgisch niveau niet de informatie of de instrumenten voor hebben.

Als zo’n maatregel snel en slordig wordt ingevoerd, waar het op lijkt in de huidige Belgische discussie, kan ze tot perverse effecten leiden. Met een zo’n pervers effect wordt de Nederlandse overheid geconfronteerd. Ze zoekt op dit ogenblik enkele miljarden om onterecht geheven belasting op vermogens uit het verleden terug te betalen.

Overigens, volgens Statbel (tweet Wouter Duyck) betalen de rijkste 10 procent van de Belgen nu 48 procent van de belastingen. Qua sterkste schouders is dat toch al behoorlijk.

Er is wel degelijk ruimte voor een substantief analytisch debat over een hervorming van belasting die tegelijk efficiënt en rechtvaardig is. Maar wat we vandaag meemaken, is de zoveelste oefening in elkaar overtroevend drama.

Fijne 1 mei!


Dinsdag quote

While those who are superstitious may avoid walking under ladders, the scientific mind who wants to defy the superstition may choose to look for ladders and delight in passing under them. But if you keep looking for and walking under the ladders long enough, something is going to happen to you.

James Thurber (1937). Quoted in Amartya Sen, The Idea of Justice (2009), p xviii

Eindelijk bewezen: Management werkt

Over management wordt veel floue onzin verteld en geschreven. Zelf ben ik een jaar of zeven geleden gestopt met managementboeken te lezen, op een enkele uitzondering na. Af en toe passeer ik nog langs de blog van de Strategic Management Society of langs nieuwe edities van het Strategic Management Journal om inspiratie te zoeken voor deze blog, tot nu toe telkens onverrichter zake.

In vergelijking met literatuur uit de school van industriële organisatie, theory of the firm en transactiekosten (Ronald Coase, Oliver Williamson) ontbreken in de management “wetenschap” toch vaak stevige theoretische kaders en mogelijkheden tot empirisch werk.

Het punt is: de studie van die eerste literatuur (industriële organisatie, theory of the firm, transactiekosten) vind je in departementen Economie; het flouere werk vind je in managementscholen, in MBA-opleidingen en, bij uitstek, in een lawine van managementtrainingen.

Neem bijvoorbeeld wat een redelijk fundamentele vraag lijkt: Werkt management wel? Of precieser geformuleerd: In welke mate leiden verschillen in management tot verschillen in bedrijfsprestaties?

Het “eindelijk bewezen” uit de titel van deze post is een beetje overdreven. De conclusie – management werkt! – is gebaseerd op studies uit 2011, 2016, en een follow up uit 2020. De studies zijn interessant door hun degelijke empirische aanpak over een langere periode – elk met een verschillende methodologie.

De in Italië geboren Michela Giorcelli werkt nu aan het Department of Economics van de University of California. Ze verwerkte haar PhD thesis uit 2016 aan Stanford University tot een artikel The Long-Term Effects of Management and Technology Transfers.

Haar aanpak is gebaseerd op een natuurlijk experiment: in het kader van het Marshallplan konden Italiaanse KMO’s in de 1950’s een Productivity Program volgen, waarbij hun managers in de VS een training gingen volgen (managementtransfer), en de bedrijven geavanceerde machines kregen (technologietransfer). Sommige bedrijven kozen enkel voor de training, anderen voor de training én de machines, nog anderen enkel voor de machines.

Door een budgetbeperking in de VS konden net voor de start van het programma een aantal bedrijven hun gekozen programma niet volgen; andere wel. Giorcelli had dus twee groepen die ze kon vergelijken: de bedrijven die de gekozen programma’s konden volgen, en een controlegroep die zich wel had aangediend, maar die door de budgetbeperking uitgesloten werd.

Om de impact van de management- en technologietransfers te analyseren, verzamelde ze voor beide groepen data uit hun boekhouding en andere historische data van 1946 tot 1973. Ze vergeleek dan hun overlevingskansen, werkgelegenheid en productiviteit.

Dit zijn de belangrijkste conclusies:

  • Bedrijven die deelnamen aan het programma hadden 20 procent meer kans om te overleven dan bedrijven die zich wel kandidaat hadden gesteld, maar uitgesloten werden.
  • Het managementtransfer programma leidde tot een betekenisvolle stijging in werkgelegenheid en omzet, die bleef duren tot minstens 15 jaar na het programma. Over de 15 jaar bedroeg de cumulatieve productiviteitsgroei 52 procent, onder meer door grotere investeringen en vervanging van arbeid door kapitaal, en door meer training voor de werknemers.
  • Bedrijven die enkel de technologietransfer ontvingen, en dus geen managementtraining, zagen ook hun omzet en werkgelegenheid groeien, maar die effecten waren van veel kortere duur.

De studie is onder meer interessant om historische redenen. Ze geeft inzicht in de bijdrage van het Marshallplan aan het spectaculaire herstel van de Europese economie na de Tweede Wereldoorlog.

De hedendaagse relevantie ligt onder meer in ontwikkelingseconomie. Sommige ontwikkelingslanden bevinden zich vandaag op het niveau van Italië in 1950. Op welke manier kan de overdracht van wat economisch historicus Joel Mokyr “nuttige kennis” noemt, best bijdragen tot ontwikkeling?

Die tweede vraag wordt deels beantwoord door een studie van Nicholas Bloom en anderen uit 2011: Does Management Matter? Evidence from India.

Bloom en collega’s onderzochten met de hulp van een management consulting bedrijf managementtransfers in een aantal grote Indische textielbedrijven.

Het uitgangspunt was dat er grote productiviteitsverschillen waren tussen Indische bedrijven in een nochtans redelijk homogene textielsector, maar vooral tussen Indische bedrijven en Amerikaanse bedrijven.

Voor hun studie deelden de auteurs de bedrijven ook in in twee groepen. Een groep kreeg een introductie van een maand tot best practices in management. Een tweede groep werd daarna ook nog intensief begeleid gedurende vier maanden bij de implementatie van die best practices. Daarna werden de bedrijven nog opgevolgd gedurende twee jaar.

De consultants gingen niet aan de slag met vage managementconcepten, maar focusten op 38 heel concrete en meestal eenvoudige ingrepen. In de groep “Factory Operations” bijvoorbeeld ging het over regelmatig onderhoud van de machines en het nauwgezet registreren van pannes, maar ook over het netjes houden van de werkvloer om ongelukken te vermijden en de flow van grondstoffen te optimaliseren. De foto’s bij het artikel tonen dat daar wel degelijk werk aan de winkel was.

Veel nadruk werd gelegd op systematische meting en registratie, bijvoorbeeld in de dagelijkse registratie van garenvoorraden.

De resultaten:

  • Bedrijven die zowel de introductie als de hulp bij implementatie kregen, zagen hun productiviteit met 11 procent toenemen en hun jaarlijkse winst met 230,000 dollar.
  • Door de verplichting tot systematische meting en registratie nam over het algemeen het gebruik van informatietechnologie toe, en konden managers in principe meer taken delegeren naar hun middle management.

Als het zo eenvoudig is, zo vroegen de auteurs zich af, hoe komt het dan dat er nog slecht geleide bedrijven bestaan? In hun onderzoek vonden ze twee hoofdoorzaken. Managers bleken niet te beschikken over de juiste informatie. Of ze vonden dat ze te weinig tijd hadden en stelden evidente ingrepen uit.

In een recente follow-up studie, Do Management Interventions Last? Evidence from India (2020) onderzochten de auteurs negen jaar na de originele ingreep of de effecten blijvend waren.

De bedrijven in de experimentele groep hadden ongeveer de helft van de maatregelen die ze destijds hadden aangeleerd, laten vallen. Toch was er nog een grote kloof tussen de bedrijven uit de experimentele groep en die uit de controlegroep. Bij een aantal bedrijven waren de best practices verpreid geraakt over het hele bedrijf.

De twee meest aangehaalde redenen voor het laten vallen van de best practices waren tijdsgebrek bij het topmanagement en verloop bij het middle management.


Conversations with Tyler: Thomas Piketty

Boeiend interview van Thomas Piketty door Tyler Cowen in zijn onvolprezen Conversations with Tyler, waarin Cowen zich, over de hele reeks gezien, een bijna onwaarschijnlijke polymath toont.

Je voelt doorheen dit interview dat de affiniteit tussen interviewer en geïnterviewde niet fantastisch groot is. Tyler maakt er wel een correct interview van.

Piketty komt af en toe gepikeerd en contrair over. En hij onderschat Cowen: “I would put myself more in the tradition of the Annales school. I don’t know if this rings a bell for you or not.” En “I don’t know if you know Céline …“. Voor dit soort interview hoort ook de interviewee zich een beetje voor te bereiden.

Interessant inzicht over de grote rol van het verschil in onderwijsparticipatie tussen de VS en Europa als verklaring voor de economische voorsprong van de VS. In de 1950’s was de participatiegraad aan middelbaar onderwijs in de VS 90 procent, tegenover 20 tot 30 procent in Frankrijk en Duitsland. De VS bereikten op het einde van de 19de eeuw al een participatiegraad van 90 procent aan het lager onderwijs, bijna een eeuw vóór Europa.

Piketty klaagt ook de ongelijke toegang tot de topscholen in Frankrijk aan, en de hypocrisie in zijn land over ongelijkheid.

In vergelijking met zijn boek Capital in the Twenty-First Century (2013) lijkt Piketty me pragmatischer geworden.


Maandagse gevarieerde links

  • Slimste Russische economist pleit voor olie- en gasembargo. Oleg Itshkoki, een in Moskou geboren maar in de VS werkende economist, is de jongste winnaar van de John Bates Clark Medal. De American Economic Association kent die prijs jaarlijks toe aan de Amerikaanse economist jonger dan veertig die een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de economische wetenschap. Bates Clark wordt wel eens de mini-Nobelprijs genoemd en heel wat eerdere winnaars kregen nadien ook de echte Nobel. Op Twitter houdt Itshkoki vurige pleidooien voor een embargo op Russisch olie- en gas.
  • Classicus en auteur Patrick De Rynck schreef in De Standaard een boze brief aan Van Dale over het verdwijnen van een aantal Latijnse uitdrukkingen uit het Aanhangsel “Gevleugelde woorden, titels en citaten”. Onder meer Si vis pacem, bellum para, redelijk toepasselijk vandaag, is verdwenen. De Rynck is oprichter en hoofdredacteur van Hic en Nunc, een knappe website met artikels, beeldmateriaal en geluidsfragmenten over de verwevenheid van onze tijd met de oudheid. Bij de liefhebbers wellicht al gekend; voor mij een schaamtelijk late ontdekking.
  • Nog over de oudheid. Orbis, Het Stanford Geospatial Network Model of the Roman World, heeft een Google maps-achtige toepassing voor het Romeinse Rijk, met onder meer reisroutes en reistijd tussen steden in het Romeinse Rijk naargelang het seizoen.
  • Amusant en aandoenlijk verhaal uit The Intellectual Life of the British Working Classes (2001) van Jonathan Rose, via nostalgebraist. Arbeiderszoon Thomas Carter, geboren in 1792, las het Nieuwe Testament als vier verhalen die na elkaar gebeurden, met dus vier kruisigingen, vier verrijzenissen en een hoop andere gebeurtenissen die erg op elkaar leken. Hij vond het wat verwarrend, maar had niemand die hij om uitleg kon vragen. Veel van zijn tijdgenoten, die vaak maar toegang hadden tot een of enkele boeken, konden ook moeilijk vatten dat er zoiets als fictie bestond. Als het in een boek stond, was het waar. Waarom zou iemand zich bezighouden met dingen op te schrijven die verzonnen waren? Robinson Crusoe en Paradise Lost werden dus gelezen als waargebeurde verhalen.
  • Goed interview met de beste Belgische oorlogsjournalist. Tevens echte Ruslandkenner.

Zaterdag quote

Dans la sphère économique, un acte, une habitude, une institution, une loi n’engendrent pas seulement un effet, mais une série d’effets. De ces effets, le premier seul est immédiat ; il se manifeste simultanément avec sa cause, on le voit. Les autres ne se déroulent que successivement, on ne les voit pas; heureux si on les prévoit.
Entre un mauvais et un bon Économiste, voici toute la différence : l’un s’en tient à l’effet visible ; l’autre tient compte et de l’effet qu’on voit et de ceux qu’il faut prévoir.
Mais cette différence est énorme, car il arrive presque toujours que, lorsque la conséquence immédiate est favorable, les conséquences ultérieures sont funestes, et vice versa. — D’où il suit que le mauvais Économiste poursuit un petit bien actuel qui sera suivi d’un grand mal à venir, tandis que le vrai économiste poursuit un grand bien à venir, au risque d’une petit mal actuel.

Frédéric Bastiat (1850). Ce qu’on voit et Ce qu’on ne voit pas, Introduction

Het Frankrijk van Le Pen: basse-classe veramerikanisering

De Poolse journalist Krzysztof Tyszka-Drozdowski maakt in Unherd een goede analyse van de sociologische achtergronden van de Franse presidentsverkiezingen. Hij baseert zich daarbij op de Franse socioloog en peilingenspecialist Jerôme Fourquet, en de analyse in zijn boek L’Archipel français, une nation multiple et divisée (2019).

Fourquets bevindingen lijken in grote lijnen dezelfde als de analyses die we lazen over Brexit. De scheidingslijnen liggen veel minder tussen traditioneel links en rechts, maar tussen de winnaars en de vergeten verliezers van de globalisering, met daar tussenin een verdwijnende middenklasse.

Nieuw voor mij waren de waarnemingen van Fourquet over hoe verstrekkend de veramerikanisering van Frankrijk is. Waar globalisering een splijtzwam is, lijkt die veramerikanisering een gemeenschappelijk kenmerk voor zowel winnaars als verliezers van de globalisering.

Het zijn wellicht vooral de Macron-kiezers die ook Engels spreken en lezen. Maar de culturele impact is toch breder.

Meer dan drie kwart van de Fransen onder 35 jaar bezocht al Disneyland. Als indicator van wat Fourquet (of Tyszka-Drozdowski?) kitschy low-status Americanisation noemt, wijst hij onder meer nog op de blijkbaar immense populariteit van country music clubs en van vintage Amerikaanse wagens.

Fourquet deed ook analyses op de geografie van voornamen in Frankrijk. De kaart van Amerikaanse voornamen heeft een merkwaardige grote overlap met gemeenten waar Le Pen de meeste steun heeft.

Zelfs het oerfranse instituut van de gastronomie ontsnapt er niet aan. De Buffalo Grill keten (“American bbq mais french charolais!”) is vandaag volgens Wikipedia de grootste themaketen in Frankrijk. De keten werd in 1980 opgericht door de Fransman Christian Picart, telt vandaag 360 restaurants, serveert 31 miljoen maaltijden per jaar en is door de Fransen al drie keer uitgeroepen tot favoriete restaurantmerk, de laatste keer in 2018.

Zijn een aantal inzichten ook relevant voor Vlaanderen en België?

Via marginalrevolution.