Woensdagse gevarieerde links

  • 80,000 hours, een non-profit organisatie in de effective altruism community die als bescheiden doel heeft “to solve the most pressing skill bottlenecks in the world’s most pressing problems“, verzamelde suggesties voor high-impact research onderwerpen in 19 domeinen. Voor economie zijn de suggesties onder meer “What is the effect of economic growth on existential risk? How desirable is economic growth after accounting for this and any other side effects that might be important from a longtermist perspective?” en “What’s the best way to measure individual wellbeing? What’s the best way to measure aggregate wellbeing for groups?” Met goede links naar reeds bestaande research.
  • Elon Musk besliste een tijd geleden niet enkel te focussen op opwindende producten, maar evenzeer op de productiemethode van zijn auto’s. “The machine that builds the machine“, noemt hij het. Enkele dagen geleden zette hij een time-lapse video van de Gigafactory Shanghai online. Tesla bouwt nog Gigafactories in Berlijn en Austin.
  • Free lance journalist Tom Lamont vertelt een schitterend verhaal over (de teloorgang van) een 300 jaar (“give or take”) oude dorpsslagerij in Dronfield, in Derbyshire, en de 90-jarige beenhouwer Frank Fisher.
  • What If Elections Didn’t Matter? the Belgian Solution
  • What are the most misunderstood terms in development economics? For me, I remember when I learned what life expectancy meant. Before that, I thought if a country had an average life expectancy of 65 then a 60 year old could expect to die in about 5 years.

Dinsdag quote

I believe that even if government officials were free of special-interest influence and wanted to be pro-social, they would fail. They under-estimate their own ignorance, and in choosing leaders the political process selects for a lack of humility. Officials are prone to blunders, and the error-correction mechanisms are much weaker in the public sector than in the private sector. Markets tend to correct their failures. Governments tend not to.

Arnold Kling, Why I lean libertarian, Askblog

De economische waarde van een goede leraar

Een gevoelig onderwerp, natuurlijk. En dat geldt niet alleen voor het debat over het verschil tussen goede en “minder goede” leraars, maar wellicht nog meer voor de poging om dat verschil een economische waarde te geven.

In een artikel uit 2011, The economic value of higher teacher quality, stelt de Amerikaanse economist Eric Alan Hanushek, die in zijn loopbaan al meer dan wetenschappelijke 500 artikels gepubliceerd heeft over de economie van het onderwijs, voor de kwaliteit van leraars te meten aan de kwaliteit van hun “eindproduct”, geschoolde studenten (gemeten met gestandaardiseerde, vergelijkbare uitslagen op testresultaten, een methode waar bij ons onder meer ook cognitief psycholoog Wouter Duyck voor pleit).

De economische waarde van de scholing voor de individuele student meet Hanushek dan door studenten te volgen over hun beroepsloopbaan en te meten, in termen van beroepsinkomen, wat de impact is van betere testscores.

Uit eerdere studies blijkt een heel consistent verband tussen hogere testscores en een hoger inkomen. Schattingen variëren tussen 10 en 20 procent.

Bevindingen:

  • Een leraar die een standaarddeviatie beter is dan het gemiddelde genereert over de loopbaan van een student 400,000 dollar aan bijkomend inkomen.
  • Als de VS de slechtste 5-8 procent van hun leraars zouden vervangen door gemiddeld goede leraars zou het Amerikaanse onderwijs op het niveau van Canada en Finland komen (gemeten door internationale standaardtesten). De Amerikaanse economie zou daardoor, in de meest conservatieve schatting, 100 biljoen dollar groter kunnen zijn.

Hanusheks conclusie, die volgens mij ook relevant is voor het Vlaamse onderwijs:

Many politicians have in fact pursued school improvement, and spending on schools has risen sharply over the five decades. The policies introduced have, however, been ones that have direct benefits to current school personnel, such as reduced class size or higher overall salaries, although these policies have not been ones that have led to higher student achievement. The bottom line remains that much higher teacher salaries would be economically justified if salaries reflected teacher effectiveness more closely.

Enkele bedenkingen:

  • Zie ook het pittige debat tussen directrice Christine Hannes en cognitief psycholoog Wouter Duyck in De Standaard (betalend artikel)
  • Het debat is natuurlijk zeer relevant voor een discussie over prestatieverloning van leraars en mogelijkheden om “slechte” leraars te ontslaan. Hoe groot is de opening bij de onderwijsvakbonden om hierover te praten? Met een beslag van 12.2 miljard euro (waarvan 70 procent salarissen), een kwart van het Vlaamse overheidsbudget, en dat de voorbije vijf jaar met 12 procent gestegen is, met verslechterende resultaten, is er alleszins een economisch argument. Zijdelingse noot: In India blijkt prestatieverloning van leraars te werken.
  • Een grote uitdaging blijft natuurlijk de methode om op een pragmatische manier kwaliteitsniveau van leraars te meten. Gestandaardiseerde testen zullen daarbij wellicht onontbeerlijk zijn.
  • In de praktijk gebeuren evaluaties van leraars vandaag voor een deel aan de hand van studentenevaluaties. Studies, en mijn eigen ervaring, tonen aan dat die manier van evalueren niet werkt. Vraag: als we aan de studenten de keuze zouden laten tussen een studentenevaluatie en een evaluatie die gebaseerd zou zijn op hun capaciteit om later meer te verdienen, welke keuze zouden ze dan maken?

Zondagse gevarieerde links

  • Een blik achter de schermen van drie Chinese bedrijven die werken aan een vaccin tegen het Coronavirus.
  • Korte discussie over I=PAT, de (te) eenvoudige formule die vaak gebruikt wordt om ecologische voetafdruk te meten. Impact = Bevolking X Welvaart X Technologie. De auteur van de post argumenteert dat T eigenlijk zou moeten gebruikt worden om te delen, of kleiner dan 1 zou moeten zijn, omdat T het effect van P en A matigt. Dat is natuurlijk enkel in het geval dat technologie bijdraagt om de effectiviteit te verbeteren van het gebruik van bronnen door P en A. I=PAT wordt bekritiseerd, onder meer omdat P, A en T onderling afhankelijk zijn. Een betere formule is dan I=f(P,A,T).
  • Tony Blair and Chris Yiu, Executive Director van het Technology and Public Policy team van het Tony Blair Institute for Global Change (niet de meest bescheiden url) stellen The new progressive agenda voor. Hun uitganspunt is dat “the new progressive agenda must be centred on the tech revolution“. Ze stellen onder meer Predictive health for all en Personalised education for all voor. Heeft Tony Blair nog veel invloed binnen Links?
  • Interessante en rijke interactieve grafiek over de stromen van ontwikkelingshulp voor gezondheid (Development Assistance for Health, DAH). De grafiek sluit aan bij het Financing Global Health report van het Institute for Health Metrics and Evaluations (IHME) DAH was in 2019 goed voor 41 miljard dollar. Een kwart daarvan werd geleverd door NGO’s en stichtingen. De Gates Foundation alleen (apart getoond op de grafiek) was goed voor 6 procent. De VS zijn met 18 procent het land dat individueel de grootste bijdrage levert aan DAH. De totale wereldwijde gezondheidsuitgaven worden door het IHME geraamd op 7.9 biljoen dollar (voor 2017). DAH levert daar maar 0.5 procent van. Overheden dragen 61 procent bij; de rest wordt door particulieren zelf betaald.
  • Boeiend verhaal over de pogingen tot wetenschappelijke classificatie van de kwal. Plant of dier? Aristoteles was er al mee bezig. Linnaeus hield het in de 18de eeuw op zoophyla, plantachtig dier. Ernst Haeckel (1834-1919), de Duitse wetenschapper die uiteindelijk de knoop doorhakte en kwallen als dieren classificeerde, “couldn’t look at a jellyfish without seeing his fiancée’s face“. Via de onovertroffen The Browser.

Zaterdag quote

Part of the joy of studying economics lies in the discovery that actions have complicated, unexpected, and sometimes perverse consequences. At its best, economics is the science dedicated to tracing these consequences, pushing the analysis beyond where common sense and naive intuition alone can take us.

Joseph Heath (2018). The Contribution of Economics to Business Ethics, in Routledge Companion to Business Ethics, p 302

Vrijdagse gevarieerde links

  • Trivia: Als je 1 deelt door 998,001 krijg je 0. en dan, in volgorde, alle driecijferige nummers van 000 tot 999, behalve 998. Werkt niet in excel.
  • Vroeg of laat gebeurt er een moord in de ruimte. Hoe gaan we die dan berechten, gegeven dat de ruimte buiten elke jurisdictie valt? Er is een precedent met een moord in een onderzoeksstation van het Amerikaanse leger op een ijsschots nabij de Noordpool. Via The Browser.
  • De Body Mass Index (BMI) is uitgevonden door de kleurrijke Belgische statisticus Adolphe Quetelet (1796–1874).
  • Preventie is belangrijk maar verlaagt zorgkosten nauwelijks.
  • Acedia. Dat woord zou wel eens best het gevoel van lusteloosheid, verveling, angst en onzekerheid kunnen beschrijven dat heel wat mensen in de lockdown treft. De monnik en theoloog Johannes Cassianus, of Johannes de Asceet, beschreef in de vijfde eeuw de geest die getroffen wordt door acedia als volgt:
    Horrified at where he is, disgusted with his room … It does not allow him to stay still in his cell or to devote any effort to reading. He feels such bodily listlessness and yawning hunger as though he were worn by a long journey or a prolonged fast … Next he glances about and sighs that no one is coming to see him. Constantly in and out of his cell, he looks at the sun as if it were too slow in setting.
    Het woord is in onbruik geraakt.

0.5 miljoen euro per gered levensjaar?

Een van de moeilijkere discussies die de reluctant economist kan hebben, is die over de waarde van een leven. Niet-economisten deinzen meestal terug van deze discussie, of vinden ze totaal ongepast. Nochtans moet ze in bepaalde omstandigheden gevoerd worden en maken we ook impliciet de afweging in ons dagelijks leven.

We weten dat we ons sterfterisico verhogen door met de auto te reizen in plaats van met de trein, maar we wegen het hoger comfort af tegen het hoger sterfterisico en plakken daar impliciet een waarde op. Dokters en familie zullen het meestal eens worden over de noodzaak van een dure medische ingreep voor een 90-jarige grootmoeder, mede vanuit kostenoverwegingen.

In een scherpe open brief over het falen van het Coronabeleid in België klagen veertig geneeskundige specialisten, advocaten en economen vandaag aan dat “nooit eerder zoveel geld is geïnvesteerd om zo’n beperkt aantal levens te redden. Dat geld kan niet langer worden geïnvesteerd in vitale sectoren zoals de sociale zekerheid, het onderwijs, justitie en de gezondheidszorg.”

De vraag is dan: Is het dat waard? En hoe maken we de afweging?

(Gezondheids)economen hanteren in die afweging de QALY, of Quality Adjusted Life Years. QALY is het aantal jaren dat een patient langer leeft, gecorrigeerd voor de kwaliteit van zijn leven.

QALY wordt onder meer gebruikt om de kosten van een geneesmiddel te rechtvaardigen. Het probleem is dat er in België geen transparantie is over de QALY-drempelwaarde die de overheid daarvoor hanteert. Gezondheidseconoom Lieven Annemans schat dat de drempelwaarde voor een QALY in België 40,000 euro bedraagt. Stel dat een nieuw geneesmiddel 60.000 euro netto kost aan de gezondheidszorg en de patiënt er 3 QALY mee kan winnen. In die context bedraagt de kostprijs van één gezond jaar voor deze patiënt 20.000 euro en is het geneesmiddel dus gerechtvaardigd qua kosten.

Nederland hanteert sinds 2015 maximumdrempels afhankelijk van de ernst van de ziekte: € 20.000/QALY voor goedaardige pathologieën, € 50.000 voor matig ernstige ziektes en € 80.000 of zelfs € 100.000 voor de ernstigste ziektes.

Wat betekent dat nu in het kader van Corona?

Een snelle back-of-the-envelope berekening. Ik hoop dat ik geen fouten maak.

De grote onbekende in de berekening is natuurlijk het aantal QALY’s of levens dat het Coronabeleid heeft gespaard in België. We kennen dat cijfer niet en zullen het waarschijnlijk nooit kennen.

We weten ook niet precies hoeveel QALY’s we gewonnen hebben door een persoon te behoeden voor sterfte door COVID-19. In de berekening hanteer ik 5 QALY’s.

De schrijvers van de open brief stellen dat “economisch op dit ogenblik al 50 miljard verdampt is”. De auteurs zeggen niet hoe ze aan dat getal komen. Hebben ze ook rekening gehouden met de mentale kosten? Met de verloren inkomsten van kinderen die scholing moeten missen? Maar laat ons dat getal hanteren als kost van het Coronabeleid.

Met een kost van 50 miljard euro, en als we rekenen met 5 gewonnen QALY’s voor elke gered leven, bedraagt de totale kost 10 miljard euro voor elke QALY voor alle geredde Belgen samen. Aan een QALY-drempelwaarde van 40,000 euro betekent dat dus dat we 250,000 levens (aan 5 QALY) hadden moeten redden om die kosten te rechtvaardigen. Dat lijkt enorm veel.

Anders gerekend: stel dat we, wellicht iets realistischer maar nog steeds enorm veel, dankzij de Coronamaatregelen 20,000 levens (aan 5 QALY) hebben gered, dan betekent dat een kost van 2.5 miljoen euro per gered leven van 5 QALY’s, of 500,000 euro per QALY. Dat is, zacht gezegd, ruim meer dan de 40,000 euro per QALY die we doorgaans in België hanteren en nog vijf maal meer dan de maximumdrempel van 100,000 euro die Nederland hanteert voor de ernstigste ziektes.


*The Anarchist Banker*

Dit kortverhaal uit 1922 is een van de weinige prozawerken die de Portugese dichter Fernando Pessoa schreef. (volledige tekst in Engelse vertaling)

Het verhaal vindt plaats in een café in Lissabon. De verteller ontmoet er een oude vriend, een rijke bankier, en vraagt hem na het diner, als het gesprek wat aan het stilvallen is, te vertellen over zijn verleden als anarchist.

– Someone told me a few days ago that you used to be an anarchist.
– There’s no ‘used to’ about it. I was and I am. I haven’t changed in that respect; I still am an anarchist.

In de rest van het verhaal vertelt de bankier, slechts af en toe onderbroken door zijn vriend, hoe hij intellectueel evolueerde van arme arbeiderszoon tot rijke bankier en tycoon, met maar een ideaal: een echte anarchist te worden.

Het verhaal moet natuurlijk gelezen worden tegen de achtergrond van de opkomst van het Bolsjevisme in Rusland en de strijd met de socialisten. De bankier vertelt zijn intellectuele evolutie, en zijn besluit om zijn groep anarchistische vrienden achter te laten en er alleen voor te gaan en rijk te worden, als een verhaal waar geen speld tussen te krijgen is.

How could I subjugate money by fighting it? How could I shrug off its influence and tyranny over me without avoiding contact with it? There was only one way forward. I would have to acquire money, I would have to acquire enough of it not to feel its influence, and the more I acquired, the freer I would be from that influence. When I saw this clearly, with all the force of my anarchist convictions and all the logic of a clear-thinking man, only then did I enter the present phase—the commercial and banking phase—of my anarchism.

Het is aan de lezer om te ontdekken of en waar er absurde en perverse logica zit.

Via Branko Milanovic.


“Het Mattheuseffect is niet langer een wenselijk kenmerk van een effectieve verzorgingsstaat”

Dat is de conclusie die Wim Van Lancker, professor in sociaal werk en sociaal beleid aan de KULeuven, trekt in een recent artikel.

Het Mattheuseffect is genoemd naar een vers uit de parabel van de talenten uit het evangelie van Mattheus: “Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.”

Doordat uitkeringen in de sociale zekerheid universeel zijn (niet gebonden aan inkomen; gericht op iedereen) is het resultaat dat de midden- en hogere klassen er meer van profiteren dan armere mensen. Universalisme, en dus het Mattheuseffect, werd lang verdedigd omdat het bijdroeg tot een brede steun voor de sociale zekerheid.

Het alternatief voor een universele sociale zekerheid is een sociale zekerheid die probeert zich exclusiever te richten op de armen. Maar, zoals Amartya Sen zei: “Benefits meant exclusively for the poor often end up being poor benefits.”

Van Lancker pleit in het artikel niet voor het afschaffen van het universalisme, maar voor een beter evenwicht tussen universalisme en meer doelgerichte uitkeringen. Hij geeft als voorbeeld kinderbijslag – die zou meer doelgericht moeten worden ingezet, zoals in Vlaanderen sinds kort het geval is – en kinderopvang, waar het Mattheuseffct nu heel sterk speelt, en die echt universeel zou moeten worden gemaakt.


Dinsdag quote

Tacit artisanal savoir-faire, experience-driven insights, trial and error, and serendipity drove many of the eighteenth-century inventions, especially in mechanical engineering and iron and coal, far more than any solid scientific base. … Experience, dexterity, imagination, and intuition created new technology more than science.

Joel Mokyr (2009). The Enlightened Economy. Britain and the Industrial Revolution. 1700-1850, p 60

* The Price of Peace *

De ondertitel is Money, Democracy and the Life of John Maynard Keynes en het boek staat op mijn nominatielijst voor beste boek van het jaar 2020. De auteur is Zachary D. Carter, een politiek en economisch journalist van HuffPost, voor wie dit merkwaardig genoeg zijn eerste boek is.

Een eerste bedenking zou kunnen zijn: Nog een biografie van Keynes?
Robert Skidelsky publiceerde in 2003 John Maynard Keynes. Economist. Philosopher. Statesman, dat een samenvatting is van de absoluut definitieve driedelige biografie die hij schreef van 1983 tot 2000. Van dezelfde Skidelsky is er Keynes. The Return of the Master, dat hij publiceerde in 2010, en waarin hij betoogde dat Keynes weer relevant was na de financiële crisis van 2008-2009.

De kwaliteit van The Price of Peace is dat het boek een filmische, meeslepende verhaalstijl combineert met gedetailleerde en scherpe analyses en syntheses van Keynes’ denken en schrijven, van de ontzettend belangrijke rol die hij gespeeld heeft in de internationale geschiedenis van 1917 tot 1946 en daarna, en van zijn invloed op de economie, zowel theoretisch als in de praktische politieke economie.

Voor de filmische verhaalstijl kan Carter een beroep doen op zijn journalistieke talent, maar natuurlijk ook op het kleurrijke leven van Keynes zelf.

Zie de openingszin van het boek: “In the spring of 1922, John Maynard Keynes was in love. He was terrified.”

En even verder:

Keynes was a tangle of paradoxes: a bureaucrat who married a dancer; a gay man whose greatest love was a woman; a loyal servant of the British Empire who railed against imperialism; a pacifist who helped finance two world wars; an internationalist who assembled the intellectual architecture for the modern nation-state; an economist who challenged the foundations of economics. But embedded in all of these seeming contradictions is a coherent vision of human freedom and political salvation. (p XX)

Voeg aan de paradoxen overigens gerust toe hoe Keynes in zijn werk heel toegankelijke journalistiek en pamfletten heeft weten te combineren met academische traktaten die enkel een handvol economen volledig kunnen begrijpen.

Keynes maakte deel uit van de Bloomberg Groep in Londen, een kliek van excentrieke kunstenaars, schrijvers en intellectuelen met onder meer Virginia Woolf, E. M. Forster, Lytton Strachey, Duncan Grant en Clive Bell. De economist was er een buitenbeentje. Hij heeft zijn leven lang last gehad van kunstenaarsjaloezie, en werd er soms wat buitengesloten omdat hij teveel deel uitmaakte van het establishment. Maar dat belette hen niet te genieten van de genereuze financiële steun die hij hen kon geven, dank zij zijn diverse inkomens als overheidsadviseur en uit succesvolle beleggingen op de beurs.

De verwevenheid van Keynes met de (elitaire) intelligentsia in het Engeland van de eerste helft van de 20ste eeuw blijkt ook uit de anekdote hoe hij er via een tussenkomst bij de Britse regering voor gezorgd heeft dat Ludwig Wittgensteins manuscript van de Tractatus Logico-Philosophicus, een van de meesterwerken van de 20ste-eeuwse filosofie, verstuurd werd van het kamp in het Italiaanse Cassino waar Wittgenstein als oorlogsgevangene zat, naar Engeland.

De Bloomberg-verhaallijn zorgen voor persoonlijke noten en sappige anekdotes. Maar door de ontzettend grondige en gedetailleerde research van Carter kijkt de lezer vooral mee over de schouder van een deelnemer aan de Grote Gebeurtenissen van die eerste helft van de 20ste eeuw.

Keynes zat mee aan tafel bij de noodingrepen om de Britse economie door twee wereldoorlogen te financieren, bij de onderhandelingen van het Verdrag van Versailles en in Bretton Woods, waar de contouren van de wereld na de Tweede Wereldoorlog werden getekend. Carter heeft blijkbaar de volledige correspondentie van Keynes en andere hoofdfiguren doorgenomen en citeert, om maar enkele voorbeelden te noemen, uit vertrouwelijke nota’s aan de Amerikaanse president Wilson tijdens de onderhandelingen van Versailles, uit brieven aan de Britse Eerste minister David Lloyd George en uit een lange brief aan Friedrich Hayek over diens The Road to Serfdom.

In juni 1919, toen de Versailles-onderhandelingen tussen Duitsland en de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog maar bleven aanslepen, en midden de Spaanse griep epidemie, schreef hij de Britse Eerste Minister David Lloyd George om zijn ontslag uit het Versailles-team te melden:

Dear Prime Minister, I ought to let you know that on Saturday I am slipping away from this scene of nightmare. I can do no more good here. I’ve gone on hoping even through these last dreadful weeks that you’d find some way to make of the treaty a just and expedient document. But now it’s apparently too late. The battle is lost” (p 87)

We weten nu dat Keynes in die brief, en in het pamflet The Economic Consequences of the Peace dat hij niet lang daarna schreef, akelig scherp de kiemen van de opgang van het nazisme en van de Tweede Wereldoorlog voorspelde.

Wat dacht Zachary Carter toe te voegen aan wat we al weten over Keynes en over de economische geschiedenis van de 20ste eeuw?

Ik denk dat het hem vooral om een rehabilitatie van de erfenis van Keynes te doen was, in de trant van Skidelksy’s The Return of the Master.

Maar Carter doet het vanuit een speciale invalshoek, waar meteen ook een constructiefout in het boek zit.

Vanaf ongeveer pagina 350 (van de 534) en hoofdstuk 12 (van de 17), over de Bretton Woods conferentie vlak na de Tweede Wereldoorlog begint er iets te knagen in het hoofd van de lezer die denkt dat hij een biografie van Keynes aan het lezen is en die zich nog vaag herinnert tot wanneer Keynes geleefd heeft. In het verhaal wordt duidelijk dat Keynes ernstig ziek is. Op pagina 368 (in 1946) sterft hij, nadat hij in Bretton Woods ineengestort is, naar Engeland gevaren is, en nog een laatste wandeling gedaan heeft met zijn vrouw, de ballerina Lydia Lopkova. Dan hebben we dus nog ongeveer een derde van het boek te gaan?

Carter besteedt dat laatste derde van zijn boek aan een analyse van de invloed van Keynes, met een vrijwel exclusieve focus op de Amerikaanse academische economie en de Amerikaanse economische politiek (met scherpe uithalen naar Obama en vooral Clinton). Dat is natuurlijk zijn goed recht en het levert wel degelijk een toegevoegde waarde vergeleken met andere Keynes-biografieën. Maar de lezer voelt zich toch een beetje gepakt: Carter (of zijn uitgever) hadden het op een of andere manier moeten laten weten.

Nu, de Amerikaanse invalshoek komt niet nergens vandaan. “The history of Keynesianism is an intellectual history of American power, both its promise and its abuse,” schrijft Carter in de inleiding, en hij toont dat overtuigend aan. Enkele van de interessantste (en soms griezelige passages) in het boek zijn die waarin Keynes beseft dat de macht van het Britse Rijk aan het tanen is en dat hij getuige én, aan de onderhandelingstafel, bedelaar-actor is in de overname van de wereldmacht door de Verenigde Staten, vaak cynisch georkestreerd door overmachtige Amerikaanse financiers.

In zijn poging om de erfenis van Keynes te rehabiliteren, wil Carter de economie en de economische wetenschap weer een ambitieuzer project geven, dat aansluit bij waar het Keynes om te doen was

Today, Keynes is remembered as an economist because it was through the field of economics that his ideas exercised their greatest influence. College students are taught that he urged governments to accept budget deficits in a recession and spend money when the private sector cannot. But his economic agenda was always deployed in service of a broader, more ambitious social project. Keynes was a philosopher of war and peace, the last of the Enlightenment intellectuals who pursued political theory, economics and ethics as a unified design. (p XVIII)

Wat Carter betreurt en aantoont, is hoe het Keynesianisme, zelfs bij zijn aanhangers, verworden is van een ambitieuze internationale visie op wereldvrede en -welvaart tot een mechaniekje om nationale budgetten te sturen:

While all the top American economists were Keynesians by the 1960s, nobody thought about Keynesian economics as an international idea. Keynes and Keynesianism were strictly confined to a set of strategies that individual nation-states could pursue to climb out of recession or fine-tune unemployment and inflation. Keynes the philosopher of war and peace had given way to Keynes the fiscal therapist. (p 442)

Heel wat economisten zijn afkerig tegenover vakgenoten die zich geroepen voelen aan politiek advies te doen. Keynes ervaarde zelf ook zijn hele leven de spanning tussen academische vrijheid en rigueur en wat hij zag als de plicht om zich te mengen in het politieke mêlee. Maar een van zijn diepste inzichten was dat “markets and even money itself were fundamentally political creatures. There was no ideal market process floating in the ether, waiting to be realized when government disappeared. (p 497)

Keynes genoot zelf teveel van het voorrecht en de uitdaging om op het eerste plan deel uit te maken van de Grote Beslissingen in de internationale politiek om uiteindelijk teleurgesteld te zijn. Maar hij is toch blijven kampen met die frustratie: “Keynes believed that good ideas would eventually triumph over bad ideas, that people could ultimately recognize good arguments and change their minds.” (p 532)

Wat Carter wil bepleiten, is een terugkeer van de ambitie en het radicale optimisme dat Keynes dreef. Wellicht tegen beter weten in?

Keynesianism in this purest, simplest form is not so much a school of economic thought as a spirit of radical optimism, unjustified by most of human history and extremely difficult to conjure up precisely when it is most needed: during the depths of a depression or amid the fevers of war. ( p 533)

Ik maakte me nog twee bedenkingen tijdens het lezen:

  • We wisten het al. Maar economisten zijn het dus echt niet eens. En niet op details maar heel fundamenteel en onverzoenlijk. Wat voor een wetenschap is dat?
  • Het relaas in het derde deel van het boek, over de invloed van het Keynesianisme op de (Amerikaanse) politiek, toont tussen de regels volgens mij een verslechtering en vervuiling van de politieke zeden in de VS sinds de jaren 1990, zelfs vergeleken met de heel vuile periode van het McCarthyisme, waar Keynesianisten in de VS erg onder geleden hebben omdat ze beschuldigd werden van communisme.

Zeer, zeer aanbevolen. Al is het omdat Keynes wellicht de ultieme reluctant economist is.


Vrijdagse gevarieerde links

  • Onderzoekers kunnen een sleutel 3D-printen op basis van het geluid dat de sleutel maakt in het sleutelgat. (en artikel).
  • EconInbox brengt in een wekelijkse nieuwsbrief een selectie van links naar artikels, blogs, video’s en podcasts die economiedocenten kunnen gebruiken in hun lessen. Docenten kunnen de onderwerpen van de nieuwsbrief synchroniseren met hun syllabus. EconInbox is een product van Marginal Revolution University (een spin-off van de excellente marginalrevolution blog) die zelf zeer goede online economielessen biedt.
  • De Britse overheid subsidieert met 37 miljoen pond een nieuw UK Productivity Institute in Manchester. De 37 miljoen pond is naar eigen zeggen het hoogste bedrag dat de Britse overheid ooit investeerde in economiche en sociale research. Veertig onderzoekers uit acht onderzoeksinstellingen gaan er vanaf september mee aan de slag om te onderzoeken welke de belemmeringen zijn om post-Corona de productiviteit van de Britse economie te verbeteren en te zorgen voor meer jobs en hogere lonen. Van de 37 miljoen pond gaan er 5 miljoen naar een programma van de London School of Economics (LSE) dat zal onderzoeken hoe innovaties beter kunnen verspreid worden in de Britse economie.
  • Andela is een Amerikaans bedrijf dat een pool van meer dan 1,000 Afrikaanse software-developers ter beschikking stelt van (vooral) Amerikaanse bedrijven. Vandaag heeft Andela basissen in Nigeria, Kenia, Uganda, Rwanda, Egypte en Ghana. Zopas maakte het bedrijf bekend dat het zijn pool wil uitbreiden tot gans Afrika.
  • Anne-Sophie Mutter, Daniel Barenboim en Yo-Yo Ma spelen (een fragment uit) Beethovens Triple Concerto. Voor wie even aan de tijd wil ontsnappen.

Arbeidsmarkt: van donut naar ijsberg

Arbeidseconoom Stijn Baert (UGent) doet in een paper voor het IZA Institute of Labor Economics een interessant voorstel voor alternatieve indicatoren en voor een andere metafoor om de arbeidsmarkt te beschrijven en te analyseren: The Iceberg Decomposition:A Parsimonious Way to Map the Health of Labour Markets.

Klassiek gebruiken we de werkloosheidsgraad en de werkgelegenheidsgraad. De werkloosheidsgraad is het percentage werklozen ten opzichte van de actieve populatie (werkenden + werklozen). De werkgelegenheidsgraad is het percentage werkenden ten opzichte van de volledige populatie. Zowel werkloosheidsgraad als werkgelegenheidsgraad worden klassiek gemeten voor een bepaalde leeftijdsgroep; in het artikel van Baert 25-64 jaar.

De twee indicatoren hebben verschillende nadelen, die vaak hun weerslag vinden in het beleid. Om te beginnen worden ze vaak impliciet als elkaars complement gebruikt, met als metafoor de donut, waar de werkloosheidsgraad het gat in de donut voorstelt. Maar beide indicatoren hebben een andere noemer: actieve populatie voor werkloosheidsgraad en volledige populatie voor werkgelegenheidsgraad.

Een van de problemen met de werkloosheidsgraad is dat die op geen enkele manier rekening houdt met de inactieven, de groep die noch werkt, noch werkloos is, maar om een of andere reden buiten de arbeidsmarkt staat (zieken, huismannen en -vrouwen, prepensioenen, …). De werkloosheidsgraad toont dus enkel het meest visibele deel van de onderbenutting van de totale populatie op de arbeidsmarkt. Een stuk verborgen werkloosheid wordt niet weergegeven door de werkloosheidsgraad. Dit kan verkeerde signalen geven aan het beleid. Een werkloosheidsgraad van 7 procent, bijvoorbeeld, moet heel anders aangepakt worden als er een groep inactieven is van 30 procent van de totale bevolking dan als die groep inactieven maar 15 procent groot is. Vergelijkingen van werkloosheidsgraden tussen verschillende landen en over de tijd worden ook problematisch.

De werkgelegenheidsgraad biedt al een beter inzicht in de onderbenutting van de totale populatie op de arbeidsmarkt, die een indicator is van hoe groot de populatie is die de niet-werkenden (vooral gepensioneerden) kan ondersteunen.

Maar de werkgelegenheidsgraad maakt dan weer geen onderscheid tusen de werklozen en de inactieven. Dit is problematisch omdat de afstand tot de arbeidsmarkt verschillend is voor deze twee groepen, en een eventueel activeringsbeleid zou moeten worden gediversifieerd. Een hogere graad van inactiviteit vergt ingrepen aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld het verkleinen van het verschil in inkomen voor werk en inkomen voor inactiviteit). Een hogere werkloosheidsgraad (bij een gelijke werkgelegenheidsgraad) zal wellicht ingrepen vergen aan de vraagkant van de arbeidsmarkt (stimulering van de economische activiteit; activering van werklozen).

Baert stelt voor dat we een combinatie van twee alternatieve maatstaven gebruiken:

  • Het percentage werklozen ten opzichte van de totale populatie (25-64jaar)
  • Het percentage inactieven ten opzichte van de totale populatie (25-64jaar)

Het elegante aan de twee indicatoren is dat ze, samen met de werkgelegenheidsgraad, optellen tot 1 of 100 procent. Zo worden onder meer vergelijkingen tussen landen en over de tijd veel betekenisvoller. De twee indicatoren geven samen volgens Baert ook veel betere suggesties voor het beleid.

In een uitbreiding stelt Baert nog voor om onderscheid te maken tussen langdurig en kortdurende werkloosheid, omdat die heel verschillende signalen geven over de toestand van de arbeidsmarkt. Een relatief hoger percentage kortdurende werkloosheid kan wijzen op een flexibele arbeidsmarkt, en is op zich minder een probleem dan een relatief hoog percentage langdurig werklozen.

Visueel kunnen de drie (vier) indicatoren heel aanschouwelijk voorgesteld worden in de ijsberg. Hieronder een voorbeeld met België en de VS.

Stijn Baert ijsberg

In de grafiek hieronder plot Baert de twintig grootste OESO-landen op de twee indicatoren. Ik voegde er zelf de groeperingen van landen en de pijlen aan toe.

Groep 1 in de boxplot is de voorbeeldige groep.

De grafiek toont duidelijk welke arbeidsmarktmaatregelen landen moeten nemen om dichter te komen bij de voorbeeldige groep. In groep 3, bijvoorbeeld, moet België zowel maatregelen nemen om zijn inactiviteitsgraad te verlagen (zesde hoogste van de 20 OESO-landen) als om werklozen te activeren en de vraagkant van de arbeidsmarkt te stimuleren. Portugal kan volstaan met een activeringsbeleid voor werklozen, aangevuld met maatregelen om de vraag te stimuleren.

Stijn Baert arbeidsmarkt boxplot

Het artikel van Baert bevat nog andere interessante tabellen en grafieken.