Onder de radar: zorgelijk economisch nieuws uit Afrika

One of the saddest stories of the year has gone largely unreported: the slowdown of political and economic progress in sub-Saharan Africa. There is no longer a clear path to be seen, or a simple story to be told, about how the world’s poorest continent might claw its way up to middle-income status. Africa has amazing human talent and brilliant cultural heritages, but its major political centers are, to put it bluntly, falling apart.

Dat is Tyler Cowen in een recente Bloomberg column. Het droeve verhaal blijft ook hier bijna volledig ongerapporteerd.

Cowen focust in zijn column op drie landen: Ethiopië, Nigeria en Zuid-Afrika. Samen zouden zij de economische groeimotor vormen van sub-Sahara Afrika. Dat was de hoop nog enkele jaren geleden. De grafiek hieronder toont de evolutie van hun economische groei in de voorbije tien jaar.

ethiopie-nigeria-groei

Vooral het verhaal van Ethiopië is schrijnend. Het land werd enkele jaren geprezen als economisch mirakel en voorbeeld voor Afrika, na een periode waarin het jaar na jaar met meer dan 10 procent groeide. Het was daarmee de vierde snelst groeiende economie ter wereld; tegen 2025 zou het tot de middle income landen kunnen behoren, zo voorspelde de World Bank.

De burgeroorlog die Ethiopë nu teistert, lijkt die hoop aan diggelen geslagen te hebben.

Ook in Nigeria, dat qua bevolking (212 miljoen) en economie het grootste land is in sub-Sahara Afrika, stokt de economisch groei, onder meer door binnenlandse politieke onrust.

Zuid-Afrika is het rijkste land in de regio en belichaamde bij het eind van de Apartheid de hoop van Afrika. Maar, zo citeert Cowen de New Yorker, “Mandela’s dream is in ruins”. Het land kent een werkloosheid van 33 procent en tienduizenden bedrijven en winkels worden geplunderd.

Vergeet niet dat volgens realistische voorspellingen sub-Sahara Afrika op weg is naar een bevolking van 3 miljard mensen tegen het einde van deze eeuw, een derde van de wereldbevolking. Nigeria alleen al zou tegen 2100 een bevolking van 790 miljoen mensen hebben, en daarmee het tweede grootste land ter wereld zijn, na Indië.


Lant Pritchett: Focus op welvaart, niet op armoede

Interessant interview met de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Lant Pritchett.

Zijn recept voor ontwikkeling:

Development is a process that happens at the level of countries. The four transformations a country should make are: (1) to a productive economy, (2) to a capable state, so that it is able to do what it sets out to do, (3) to a government responsive to the needs and wishes of citizens, and (4) to a society where equal treatment of all before the law and of each other is a bedrock principle. I think those four characterise the transformation that takes a country from chaos and poverty to the levels of prosperity and well-being that we see in developed countries.

Het komt neer op: “I strongly favour a focus on prosperity over a focus on poverty.”

Dat lijkt misschien evident, maar is het minder als je kijkt naar de klassieke aanpak in ontwikkeling, die Pritchett kinky development, en prutsen in de marge noemt.

Yet the current focus in development is on what I call ‘kinky development’, which involves tinkering on the margins to help the poorest of the poor. That is the wrong focus. If you achieve national development, you will solve poverty and provide prosperity for the general population, whereas focusing on poverty alone often is at odds with getting you to desirable levels of prosperity.

Verder nog boeiende inzichten over onderwijs, ook relevant buiten ontwikkelingseconomie:

“‘Schooling ain’t learning’ [naar de titel van een boek van Pritchett: The Rebirth of Education: Schooling Ain’t Learning] … ‘spending ain’t investment’. It is only ‘investment’ if it works.
I think people have confused ticking the box of spending money on a budget item called ‘Education’, with true investment in human beings.

En over best practices (in ontwikkeling en onderwijs): Het is geen toeval dat de (minderwaardige) AK47 het meest populaire automatische geweer is.

The first thing is you [South-Africans] should not adopt best practices. Evolve your own organic South African practice that is tailored to South African conditions. A lot of countries sent their education experts to Finland because they had wonderful education results. That is why I say: “If you learn from the Finnish, you’re finished.”

Het interview is het jongste in een reeks die in 2000 startte ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Zuid-Afrikaanse Centre for Development and Enterprise. In de reeks nog veelbelovende interview met onder meer Paul Romer, Francis Fukuyama, Martin Wolf en Paul Collier (links onderaan het interview met Pritchett).


Ontwikkelingshulp is geen substituut voor emigratie

Ontwikkelingshulp wordt in Westerse landen vaak voorgesteld als de meest humane, maar op termijn ook de meest effectieve maatregel om immigratiedruk te verminderen. Creëer economische opportuniteiten in landen waar de immigranten vandaan komen, zodat ze meer redenen hebben om in hun thuisland te blijven, luidt de ogenschijnlijk logische redenering.

Na de immigratiepiek in 2015 creëerde de Europese Unie een Trust Fund van 4.7 miljard euro met het expliciete doel om “de hoofdoorzaken van de migratie aan te pakken”, deels door “economische opportuniteiten in Afrika te creëren”.

In twee recente papers van het Center for Global Development halen Michael Clemens en Mariapia Mendola deze redenering onderuit. (samenvattend artikel)

In Migration from Developing Countries: Selection, Income Elasticity, and Simpson’s Paradox, waarin ze 99 landen met laag tot midden inkomen onderzoeken, vonden Clemens en Mendola dat mensen meer geneigd zijn om te emigreren naarmate ze rijker (of minder arm) worden.

Om de logica van deze ogenschijnlijke paradox te verklaren, vergelijken de auteurs emigratie met een investering in de toekomst zoals hoger onderwijs. In principe zouden rijkere mensen minder nood hebben aan hoger onderwijs, omdat ze toch al een behoorlijk inkomen hebben. We weten dat het omgekeerde gebeurt.

Het effect dat vooral rijkere mensen emigreren, leidt ook tot een positieve selectie. Immigranten zullen doorgaans relatief productiever zijn.

In een tweede paper, The Emigration Life Cycle: How Development Shapes Emigration from Poor Countries, toont Clemens aan dat dat effect niet alleen speelt in een vergelijking tussen landen, maar ook binnen een land en over de tijd.

Als armere landen economisch groeien, zullen hun inwoners, tot een bepaald inkomen, meer geneigd zijn te emigreren.
De emigratieratio, het percentage van mensen die in een land geboren zijn maar niet meer in het land leven, stijgt van 4 procent in de armste landen tot 11 procent in landen met een bruto binnenlands product van 10,000 dollar per hoofd. Boven dat inkomen daalt de ratio.

Clemens bestudeerde het effect over een langere tijdsperiode en in verschillende landen en vond telkens hetzelfde patroon.
Het is een patroon dat andere onderzoekers ook al hadden gevonden en dat Tim Hatton en Jeff Williamson de emigration life cycle noemen. Clemens en eerder onderzoek tonen aan dat die emigration life cycle al twee eeuwen lang bestaat. Ook de Europese emigratie naar de VS volgde dat patroon.

De emigration life cycle ziet er dus hetzelfde uit binnen een land over de tijd als tussen landen met verschillende inkomens.
De conclusie is dat emigratie onlosmakelijk verbonden is met ontwikkeling en dus dat ontwikkeling(shulp) geen substituut kan zijn voor emigratie.


Wereldbevolking 2100: 10.9 of 8.8 miljard

Onderzoekers van het Institute for Health Metrics and Evaluation publiceerden zopas in The Lancet (samenvattend artikel, en hier) een studie waarin ze met een aangepaste methode voorspellen dat de wereld in 2100 een bevolking van 8.8 mensen zal tellen, meer dan twee miljard minder dan de voorspellingen van UNPD, die gebruikt worden in de meeste toekomstscenario’s.

De nieuwe studie houdt onder meer rekening met dalende vruchtbaarheidsratios’s door vooruitgang in opvoeding van vrouwen, met migratiestromen en met de effecten van vergrijzing.

In een alternatief scenario waarin alle landen tegen 2030 de Sustainable Development Goals op het vlak van onderwijs en contraceptie halen, zou de wereldbevolking in 2100 zelfs maar 6.3 miljard mensen tellen, meer dan een miljard minder dan de 7.6 miljard vandaag.

De voorspellingen kunnen een grote impact hebben op toekomstscenario’s.

Our forecasts for a shrinking global population have positive implications for the environment, climate change, and food production, but possible negative implications for labour forces, economic growth, and social support systems in parts of the world with the greatest fertility declines.

Voor een heel aantal landen zijn de voorspellingen bijzonder spectaculair.

De bevolking van China, vandaag 1.4 miljard mensen, zou nog heel licht stijgen tot 2024, om dan te dalen tot 730 miljoen mensen in 2100.

Japan zou zijn bevolking zien halveren van de huidige 128 miljoen naar 60 miljoen, Italië van 61 miljoen naar 30 miljoen, Spanje van 46 miljoen naar 23 miljoen.

De Democratische Republiek Congo zou zijn bevolking zien verdrievoudigen, van 81 miljoen naar 246 miljoen mensen.

Nigeria zou zijn bevolking bijna zien verviervoudigen, van 206 miljoen naar 790 miljoen, en zou daarmee het tweede grootste land ter wereld worden, na Indië (1.1 miljard).

Nice to know: in het Sustanaible Development Goals scenario zou Nederland (11.15 miljoen) in 2100 kleiner zijn dan België (11.57 miljoen).


Zijn we extreme armoede aan het uitroeien? Noah Smith antwoordt Philip Alston

De Amerikaanse economist en Bloomberg columnist Noah Smith reageert op een Guardian op-ed die Philip Alston schreef naar aanleiding van zijn eindrapport als speciale rapporteur over extreme armoede en mensenrechten voor de VN.

Noah Smith maakt volgende punten contra Alston:

  1. The lower the poverty threshold, the more important it is. Reducing $1.90/day poverty is more important than reducing $3.10/day poverty, which is more important than reducing $5.50/day poverty, etc. etc.
    Dismissing the $1.90 threshold is therefore ridiculous…
  2. The article’s author dismisses the idea that growth reduces poverty. Growth reduces poverty far more than anything else.
  3. The author equates “growth” with laissez-faire economic policies, which is wrong. He then dismisses China, discounting its impact on poverty reduction because he believes its growth didn’t come from laissez-faire policies.
  4. The author makes a number of assertions that are just flat-out wrong, such as that growth is correlated with increasing hunger and a reduction in the number of living-wage jobs. In fact, the exact opposite is true.

Conclusie:

By insisting we A) ignore important poverty reduction metrics, B) equate economic growth with laissez-faire policies, and C) discount the experience of China, the author does a vast and grievous disservice to the poor people of Earth, and to efforts to make them less poor.


Zijn we extreme armoede aan het uitroeien? Een domper op de feestvreugde

De Australische jurist en economist Philip Alston rondde zijn 2014-2020 mandaat als speciale rapporteur over extreme armoede en mensenrechten voor de VN zopas af met een behoorlijk ontnuchterend eindrapport (“advance unedited version” en een interview in The Guardian).

Huge progress has been made in improving the quality of life for billions of people over the past two centuries, but it does not follow that “extreme poverty is being eradicated.” … The first part of this report criticizes the mainstream pre-pandemic triumphalist narrative that extreme poverty is nearing eradication. That claim is unjustified by the facts, generates inappropriate policy conclusions, and fosters complacency.

De triumphalist narrative waar Alston tegenin gaat, is het hoofdzakelijk op economische groei gebaseerde verhaal van onder meer Steven Pinker (Enlightenment Now, 2018), Hans Rosling (Factfulness, 2018), de recente Nobelprijswinnaars Abhijit Banerjee and Esther Duflo (How Poverty Ends, 2020), en in eigen land vooruitgangsdenker Maarten Boudry, en ja, ook deze blog.

De cijfers zijn gekend. Tussen 1990 en 2015 daalde het aantal mensen in extreme armoede wereldwijd van 1.9 miljard naar 736 miljoen, waardoor het percentage extreem armen daalde van 36 naar 10 procent van de wereldbevolking.

Alston haalt in zijn rapport de basis van die berekening onderuit. “Extreme armoede” is gebaseerd op de international poverty line (IPL) van de World Bank. Die lijn staat vandaag op 1.90 dollar per dag tegen purchasing power parity, waarmee werkelijke koopkracht over verschillende landen kan vergeleken worden. Voor Portugal, bijvoorbeeld, zou dat neerkomen op 1.41 euro.

De IPL is belangrijk omdat zij als referentiepunt dient voor zowel de Millenium Development Goals als voor de Sustainable Development Goals (SDG’s) waarmee alle lidstaten van de VN zich in 2015 voornamen om tegen 2030 de extreme armoede uit de wereld te helpen.

Een van de problemen van de IPL die Alston aanhaalt, is dat ze destijds berekend werd op basis van een gemiddelde van nationale armoedelijnen van vijftien van de armste landen ter wereld, de meeste Sub-Sahara. Daardoor konden die armste landen sneller een verbetering rapporteren. Maar de maatstaf hield minder rekening met armoedefactoren in net iets minder arme landen en in noordelijker landen, waar kleding en huisvesting belangrijker factoren zijn om aan armoede te ontsnappen.

Maar de belangrijkste kritiek op de IPL van 1.9 PPP dollar per dag is natuurlijk dat ze “a scandalous lack of ambition” toont.

De Amerikaanse economische historicus Robert Allen berekende (en hier in een toegankelijker artikel), op basis van de laagst mogelijke kosten van een dieet van 2,100 calorieën per dag en drie vierkante meter levensruimte, een maatstaf van 2.63 dollar per dag in de armste landen en 3.96 dollar in de rijkere landen.

Op basis van nog een andere maatstaf, 5.5 dollar per dag, is het aantal armen wereldwijd nauwelijks gedaald tussen 1990 en 2015, van 3.5 miljard naar 3.4 miljard mensen, of van 67 procent tot 46 procent van de wereldbevolking.

Maar vergeet die hogere maatstaven. Waar het in 2015 haalbaar leek om tegen 2030 zero-armoede te bereiken tegen 2030, gemeten met de povere IPL, beginnen de Wereldbank en andere internationale organisaties nu toe te geven dat zelfs dat niet meer haalbaar is.

En dat was pre-Corona.

De pandemie, die de armsten wereldwijd het ergst zal treffen, zowel in ziekte als in economische gevolgen, zal volgens Alston alle vooruitgang teniet doen die we de voorbije drie jaar geboekt hebben, en zal 176 miljoen mensen onder de 3.2 dollar armoedelijn duwen.

De eerste twee delen van het rapport, waarin Alston stelt dat extreme armoede niet uitgeroeid geraakt, en waarin hij oproept de Sustainable Development Goals te herzien, zijn zeer factueel en overtuigend.

Het derde deel, Steps towards ending poverty, waarin hij zeven maatregelen bespreekt om extreme armoede wel de wereld uit te helpen, is korter door de bocht en minder factueel. Het is politiek controversieel en nogal eenzijdig, maar wel interessant.

De uitspraak dat “The failure to take the necessary steps to eliminate [poverty] is a political choice” kan ik volgen. Het kortere en populistischere “Poverty is a political choice“, dat Alston tweemaal gebruikt, behoeft op zijn minst historische duiding.

De stelling dat “If every country reduced its Gini index [een maatstaf van ongelijkheid] by 1 percent per year, it would have a larger impact on global poverty than increasing each country’s annual growth one percentage point above current forecasts“, die Alston ontleent aan een World Bank Working Paper van Christoph Lakner e.a., duidt op een mechanistische visie op de relatie tussen armoede en ongelijkheid die bediscussieerbaar is (en hier).

De aanbevelingen waarin Alston Emmanuel Saez en Gabriel Zucman (How to Tax Our Way Back to Justice) volgt, zijn ook controversieel. De Amerikaanse economist John Cochrane bood er op zijn blog in een vijfdelige serie grondig weerwerk tegen. Ten zeerste aanbevolen lectuur voor als we binnenkort ook hier te lande de discussies over rijkentax nog eens gaan voeren.

Alston eindigt met een oproep om de rol van de overheden in armoedebestrijding te herdenken en met een stevige uithaal naar het beroep op filantropie en CSR-achtige initiatieven om armoede de wereld uit te helpen.

Businesses are not motivated, managed, empowered, or incentivized to perform many of the essential public functions being systematically outsourced to them. This trend represents an abdication of responsibility by governments and international organizations. Some philanthropists have profited from many of the very patterns driving poverty … Despite claims of greater private sector efficiency, there is little efficient about tens of thousands of foundations, each with duplicate staff and overhead, competing to identify and implement worthwhile projects.

Wenkbrouwengefrons ten huize van Bill en Melissa Gates.

Addendum: de opvolger van Philip Alston als speciale rapporteur over extreme armoede en mensenrechten voor de VN is de Belgische jurist en professor aan de UCL Olivier De Schutter, die van 2008 tot 2014 al speciale rapporteur was voor de VN over het recht op voeding. De Schutter stelde gisteren 7 juli het rapport van Alston voor aan de VN.


Ruzie in ontwikkelingseconomie-land

Jeffrey Sachs valt in een artikel in Foreign Affairs (registratie vereist) nogal frontaal Abhijit Banerjee en Esther Duflo aan.

Abhijit Banerjee en Esther Duflo zijn twee van de drie winnaars van de 2019 Nobelprijs voor Economie. Hun aanpak van ontwikkelingseconomie is, naar eigen zeggen, een loodgietersaanpak. Ze proberen armoedeproblemen op te lossen door een combinatie van wetenschappelijke intuïtie, giswerk gebaseerd op ervaring en heel veel trial and error.

Randomized Control Trials (RCT’s) zijn hun geprefereerde methode. Banerjee en Deflo namen RCT’s over uit de wereld van klinische testen. In RCT’s maken onderzoekers twee groepen, een die een bepaalde behandeling krijgt (bijvoorbeeld gratis muskietennetten), en een andere die de behandeling niet krijgt. Ze bestuderen dan, vaak over lange tijd, de effectiviteit van de behandeling door de twee groepen te vergelijken.

Jeffrey Sachs is auteur van onder meer The End of Poverty (2005), en gangmaker van de Sustainable Development Goals en de Millennium Development Goals. Voor zover ik kan nagaan is hij ook degene die destijds het idee lanceerde dat elk ontwikkeld land 0.7 procent van zijn BBP aan ontwikkelingshulp zou besteden om zo extreme armoede uit de wereld te bannen tegen 2025.

Tegenover de loodgietersaanpak van Bannerjee en Duflo stelt hij een aanpak met grote ideeën (goed bestuur, grote investeringen in gezondheid en onderwijs, en snelle wereldwijde verspreiding van technologie), aangevuld met ontwikkelingshulp vanuit de rijke landen.

Schrijft Sachs in Foreign Affairs:

In “How Poverty Ends” Abhijit Banerjee and Esther Duflo … contend that “the true ingredients of persistent economic growth”— development of the sort that pulls people out of poverty and raises living standards across the board — “remain mysterious.” They understand poverty as a big puzzle to be solved mainly through experiments, notably randomized controlled trials.
But I believe theirs is not the right way to understand the challenge of ending poverty. There are not huge mysteries about what is needed to end extreme poverty. Practical solutions are largely known and within reach; what poor countries need is not more economists performing randomized trials to confirm what experts already know but good governance and development assistance to cover financing gaps.
Most of the progress in ending extreme poverty, I argued, would come mainly through long-term economic growth that would result from good governance, investments in health and education, and the global spread of technological advances. Development aid would, however, be necessary to break poverty traps or accelerate progress.

In haar speech bij de aanvaarding van de Nobel prijs kantte Deflo zich tegen deze “grote oplossingen”:

Others hope to find some magic bullet. We believed that like the war on cancer, the war on poverty was not going to be won in one major battle, but in a series of small triumphs, and with no doubt many setbacks along the way.

De radicaal-linkse Yanis Varoufakis, van januari tot juli 2015 minister van Financiën in Griekenland, vindt over Bannerjee en Deflo dat “their down-to-earth diagnosis of global ills is enlightening but fails to address capitalism’s fatal flaws.”

William Easterly, die in The White Man’s Burden (2006) al fel uithaalde naar het pleidooi van Sachs voor ontwikkelingshulp (volgt u nog?) velt in de ruzie tussen Sachs en Bannerjee en Duflo een Salomonsoordeel waar ik me helemaal in vind:
Each side is right only about why the other side is wrong.