De leercrisis: leerresultaten volgen scholingsgraad niet

Menselijk kapitaal is een belangrijke component van economische ontwikkeling. Maar hoe meten we (veranderingen in) menselijk kapitaal? De meest voor de hand liggende maatstaf is om de scholingsgraad, of het aantal jaren onderwijs te meten.

Nu blijkt dat de link tussen scholing en economische groei redelijk zwak is. Onderzoekers van Oxford University, London School of Economics, Yale University en de Wereldbank stelden een databank samen die rechtstreeks de leerresultaten meet.

Hun bevindingen (korte samenvatting):

  • De link tussen economische groei en menselijk kapitaal is veel sterker wanneer hij gemeten wordt aan de hand van leerresultaten (dan wanneer gemeten aan de hand van scholingsjaren)
  • Terwijl de scholingsgraad wereldwijd toenam in de jongste twintig jaar, bleven de leerresultaten achter. We zitten dus met een leercrisis.

De database, de Harmonized Learning Outcomes (HLO) Database, bevat gegegevens van 164 landen. Ze dekt 98 procent van de wereldbevolking en is daarmee de grootste en meest up-to-date database van leerresultaten. Voor Europa, bijvoorbeeld, gebruikt de database de resultaten van de PISA-studies, die in België en Vlaanderen onlangs ophef veroorzaakten.

Uit een eerste analyse – de auteurs benadrukken dat er verder onderzoek nodig is – blijkt dat menselijk kapitaal, gemeten door leerresultaten, tussen een vijfde en de helft verklaart van de verschillen in inkomen tussen landen.

Maar de oncomfortabele conclusie is dus dat “although recent analysis suggests that the world is on track to achieve the goal of universal primary enrolment by 2030, if learning continues to stagnate, this achievement will mean little.”


Hoger onderwijs is (dan toch, contra OESO) *geen* geldkraan voor de overheid

De Leuvense onderzoekers in Onderwijseconomie Koen Declercq en Erwin Ooghe bekijken in een Leuvens Economisch Standpunt en een paper kritisch een OESO-studie kritisch die berekent dat investeringen in het hoger onderwijs in België zich zeer fors terugverdienen via hogere belastingen en sociale bijdragen van hoger opgeleiden.

Het OESO-rapport Education at a Glance is een gezaghebbende bron voor internationale vergelijkingen van structuur en financiering van het onderwijs in de 37 OESO-landen. Education at a Glance berekent dat een Belgische student hoger onderwijs gemiddeld 57,500 dollar kost aan de overheid, via subsidies aan de instellingen van het hoger onderwijs, waardoor de inschrijvingsgelden laag kunnen worden gehouden.

De OESO stelt tegenover deze kosten een baat van 252,000 dollar, een veelvoud van liefst 4.4 tegenover de kosten, vooral door de hogere opbrengsten aan belastingen en sociale bijdragen over de loopbaan van de hoger opgeleiden.

Is het hoger onderwijs dan een melkkoe voor de overheid? Niet echt, stellen de onderzoekers. De cijfers van de OESO moeten geïnterpreteerd worden en zijn minstens voor een deel gebaseerd op onrealistische veronderstellingen.

Zo gaat de OESO er in haar berekeningen van uit dat iedereen slaagt in het hoger onderwijs, wat manifest onjuist is, en dat zonder subsidies niemand zou deelnemen aan het hoger onderwijs, eveneens onjuist. De OESO houdt ook geen rekening met het “perverse” effect dat de lonen van hoger geschoolden zullen verlagen als er meer hoger geschoolden op de markt zouden komen.

Met meer realistische veronderstellingen en bijkomende data berekenen de auteurs dat:

  • Voor elke euro subsidie gemiddeld gezien 1,08 euro terugvloeit naar de overheid. Dit is een stuk lager dan de 4,4 euro die de OESO berekende, maar is toch nog net iets groter dan één. Met andere woorden, gemiddeld gezien betaalt de subsidiëring van het hoger onderwijs zich min of meer terug, en
  • Om te weten of we massaal meer moeten investeren in hoger onderwijs, moeten we naar de marginale opbrengstvoet kijken. Voor een extra euro subsidie vloeit 0,73 euro terug naar de overheid. Dit betekent dat, gegeven het huidige niveau van subsidiëring, een extra euro subsidie grotendeels (73%) gerecupereerd wordt, terwijl het overige deel (27%) een netto-kost is voor de overheid.

De economische waarde van een goede leraar

Een gevoelig onderwerp, natuurlijk. En dat geldt niet alleen voor het debat over het verschil tussen goede en “minder goede” leraars, maar wellicht nog meer voor de poging om dat verschil een economische waarde te geven.

In een artikel uit 2011, The economic value of higher teacher quality, stelt de Amerikaanse economist Eric Alan Hanushek, die in zijn loopbaan al meer dan wetenschappelijke 500 artikels gepubliceerd heeft over de economie van het onderwijs, voor de kwaliteit van leraars te meten aan de kwaliteit van hun “eindproduct”, geschoolde studenten (gemeten met gestandaardiseerde, vergelijkbare uitslagen op testresultaten, een methode waar bij ons onder meer ook cognitief psycholoog Wouter Duyck voor pleit).

De economische waarde van de scholing voor de individuele student meet Hanushek dan door studenten te volgen over hun beroepsloopbaan en te meten, in termen van beroepsinkomen, wat de impact is van betere testscores.

Uit eerdere studies blijkt een heel consistent verband tussen hogere testscores en een hoger inkomen. Schattingen variëren tussen 10 en 20 procent.

Bevindingen:

  • Een leraar die een standaarddeviatie beter is dan het gemiddelde genereert over de loopbaan van een student 400,000 dollar aan bijkomend inkomen.
  • Als de VS de slechtste 5-8 procent van hun leraars zouden vervangen door gemiddeld goede leraars zou het Amerikaanse onderwijs op het niveau van Canada en Finland komen (gemeten door internationale standaardtesten). De Amerikaanse economie zou daardoor, in de meest conservatieve schatting, 100 biljoen dollar groter kunnen zijn.

Hanusheks conclusie, die volgens mij ook relevant is voor het Vlaamse onderwijs:

Many politicians have in fact pursued school improvement, and spending on schools has risen sharply over the five decades. The policies introduced have, however, been ones that have direct benefits to current school personnel, such as reduced class size or higher overall salaries, although these policies have not been ones that have led to higher student achievement. The bottom line remains that much higher teacher salaries would be economically justified if salaries reflected teacher effectiveness more closely.

Enkele bedenkingen:

  • Zie ook het pittige debat tussen directrice Christine Hannes en cognitief psycholoog Wouter Duyck in De Standaard (betalend artikel)
  • Het debat is natuurlijk zeer relevant voor een discussie over prestatieverloning van leraars en mogelijkheden om “slechte” leraars te ontslaan. Hoe groot is de opening bij de onderwijsvakbonden om hierover te praten? Met een beslag van 12.2 miljard euro (waarvan 70 procent salarissen), een kwart van het Vlaamse overheidsbudget, en dat de voorbije vijf jaar met 12 procent gestegen is, met verslechterende resultaten, is er alleszins een economisch argument. Zijdelingse noot: In India blijkt prestatieverloning van leraars te werken.
  • Een grote uitdaging blijft natuurlijk de methode om op een pragmatische manier kwaliteitsniveau van leraars te meten. Gestandaardiseerde testen zullen daarbij wellicht onontbeerlijk zijn.
  • In de praktijk gebeuren evaluaties van leraars vandaag voor een deel aan de hand van studentenevaluaties. Studies, en mijn eigen ervaring, tonen aan dat die manier van evalueren niet werkt. Vraag: als we aan de studenten de keuze zouden laten tussen een studentenevaluatie en een evaluatie die gebaseerd zou zijn op hun capaciteit om later meer te verdienen, welke keuze zouden ze dan maken?

Schooltelevisie

Nu het denbkbaar wordt dat scholen in september niet volledig zullen kunnen openen, is het tijd dat we denken aan creatieve oplossingen om aanvullend afstandsonderwijs te organiseren.
Voorstel (via zus Ann, die al jarenlang in televisie werkt): laat ons de goede oude schooltelevisie van stal halen, en op een hedendaagse leest schoeien.

  • Moet lukken voor de meeste vakken in lagere school en secundaire school
  • Niet enkel uitgestelde web-tv, maar echte real-time televisie op vaste uren voor vaste vakken, zodat kinderen en ouders kunnen rekenen op regelmaat
  • Een lesprogramma zou een combinatie zijn van gemonteerde “ex-cathedra” + een getuigenis van iemand uit de praktijk over het lesprobleem + documentaire beelden + interactie (live quizes tijdens de uitzending, waarin leerlingen zich kunnen meten met elkaar) en opdrachten met deadline na de uitzending, op te volgen door de eigen leraar

Next steps:

  • Princiepsbeslissing en budget. Dat zou geen probleem mogen zijn. Onderzoekers van de World Bank berekenden dat elk kind in het huidige cohort van kinderen op de lagere en secundaire school bij een verlies van 0.6 jaar scholing door Corona een inkomensverlies van 16,000 dollar over zijn levensloop zou kunnen lijden. Voor de 915,000 kinderen uit Vlaamse lagere en secundaire scholen betekent dat dus een maatschappelijke kost van 14.6 miljard dollar (12.4 miljard euro). Met een heel kleine fractie daarvan kan een heel degelijk schooltelevisieprogramma worden gemaakt, dat ook in de jaren na Corona nog dienstig zal zijn.
  • Een overkoepelend project management, research teams, redacties en opnameploegen samenstellen
  • Formats uitwerken
  • Opname- en montagestudios regelen
  • Een strenge selectieproef organiseren voor tv-leraren en -docenten, waarin we de best of the brightest combinatie zoeken van pedagogische vaardigheid, vakkenis, en tv-persoonlijkheid. Naarmate uit de selectieproef kandidaten gekozen worden, beginnen zij deel uit te maken van de redacties
  • Draaien

Ook low-tech afstandsonderwijs is effectief

Onderzoekers van de World Bank berekenden dat het huidige cohort van kinderen op de lagere en secundaire school bij een verlies van 0.6 jaar scholing door Corona een inkomensverlies van 16,000 dollar over hun levensloop zouden kunnen lijden. Voor alle kinderen ter wereld betekent dat een inkomensverlies van 10 biljoen dollar.

Onderzoekers van het Centre for the Study of African Economies van Oxford University deden in Botswana (!) een randomized controlled trial waarbij ze lagereschoolkinderen uit 4,500 families met low-tech middelen hielpen tijdens de lockdown, van maart tot mei.

Een groep kreeg over het “cijferprobleem van de week” sms-berichtjes, een andere groep telefonische bijstand van 15-20 minuten, een derde groep zowel sms als telefoon, en een controlegroep niets.

De groep die zowel sms-berichten kreeg als telefonische bijstand verminderde haar “ongecijferdheid” (innumeracy) met 52 procent, die met enkel sms-berichten met 34 procent. De onderzoekers schatten dat leerlingen een standaardafwijking kunnen winnen op het vlak van leren voor een kost van 13 tot 50 dollar per leerling.

Er ligt een historisch kans om meer in te zetten op online onderwijs + een-op-een coaching en veel minder op alles wat daartussen ligt.


Onderwijs: Naar online + een-op-een coaching

Wat hebben de gedwongen ervaringen van de voorbije weken mij en vermoedelijk ook veel andere docenten en studenten geleerd?
Er is een opening om onderwijs te hervormen op een combinatie van twee assen: online + een-op-een coaching en tutoring. Het lukt, echt waar.

Wat hebben we daarvoor nodig?

  • De wil om te hervormen. Na de geforceerde ervaringen van de voorbije weken is die er wel bij veel docenten, denk ik. Politiek, inrichtende machten en vakbonden zullen waarschijnlijk de grootste hinderpalen en vertragers vormen. Vanuit een heel beperkte ervaring, vooral uit de media van de voorbije weken, vestig ik ook niet veel hoop op de pedagogen, wetenschappelijk of in het veld.
  • De adequate digitale platformen en tools. Ik heb de voorbije weken heel intensief gewerkt met Teams (in combinatie met Google Drive, een eigen hogeschoolplatform, een goede videotool, en Slack; mail zeer minimaal) en dat lukte meer dan aardig. We hebben voor het secundair en lager onderwijs natuurlijk de negatieve ervaring met Smartschool gehad. Dat is een schandaal, dat misschien te maken heeft met Vlaamse vriendjespolitiek, maar passons.
  • Budget. Mag geen probleem zijn. Het Vlaamse budget voor onderwijs bedraagt 12.2 miljard€. Van lager tot hoger onderwijs hebben we 1.15 miljoen leerlingen en studenten (kleuteronderwijs niet meegerekend). Dat betekent dat ik een budget zou hebben van 160,000€ om 15 leerlingen of studenten een heel jaar lang een-op-een te coachen, plus om inschrijvingsgeld te betalen voor de beste online lessen en tutorials die ik zelf niet kan geven. Daar wil ik het voor doen. We zouden nog een behoorlijk budget opzij moeten zetten voor materiaal en gebouwen. Maar als 160,000€ per jaar per individuele docent/coach de bovengrens is, dan kan daar nog wat van af.

Natuurlijk moeten we kijken naar specifieke vereisten voor lager vs secundair vs hoger en universitair onderwijs. Natuurlijk zijn er voor specifieke opleidingen verhoudingsgewijs meer praktijk- en contacturen nodig. Natuurlijk moeten we voldoende tijd inplannen voor sociale contacten. Natuurlijk, natuurlijk …

Maar die praktische bezwaren wegen niet op tegen de buitengewoon grote winst die we zouden boeken, vooral met de voordelen van (online) een-op-een coaching.

Er ligt een historisch kans om meer in te zetten op online onderwijs + een-op-een coaching en veel minder op alles wat daartussen ligt.