*The Dawn of Eurasia. On the Trail of the New World Order*

De voorbije weken gretig en soms met rillingen herlezen. In het jaar van publicatie, 2018, vond ik dat het het boek was dat mijn denken over geopolitiek het meest beïnvloed had. Niet dat er zoveel denken was geweest. Geopolitiek stond niet echt op de radar. En ik was daar niet alleen in, zo zou blijken.

De aanleiding om te herlezen was dubbel: een trip naar Tbilisi, de hoofdstad van Georgië, zou me naar het grensgebied tussen Europa en Azië brengen; en de recente gebeurtenissen in Oekraïne.

De gebeurtenissen sinds de publicatie van het boek lijken het verhaal van Maçães te hebben ingehaald. Lijken, want, en vandaar de rillingen, het boek leest vandaag vaak met een bijna akelige precisie en detail alsof het een analyse is van de huidige actualiteit.

The Dawn of Eurasia biedt in 2022 duidelijker en scherper nog dan in 2018 broodnodige context voor de grote Veranderingen en Gebeurtenissen die we meemaken. We moeten opletten met hoofdletters, ik weet het. Maar de mate van onzekerheid en vooral de kans op escalatie zijn al lang niet zo groot, zo dicht bij huis en zo complex geweest. De Britse historicus en essayist Adam Tooze, die zijn loopbaan is begonnen met de studie van de Nazi-economie en de Tweede Wereldoorlog, noemde de huidige crisis vorige week in de Financial Times een polycrisis, waarin heel verschillende schokken op elkaar inwerken zodat het geheel erger is dan de som van de delen.

Het boek is een geopolitiek essay in de vorm van een reisverslag, of een reisverslag dat regelmatig halthoudt voor geopolitieke bedenkingen: “I use travel to provide an injection of reality to political, economic and historical analyses.” (p xix) De auteur, de Portugese ex-politicus en essayist Bruno Maçães, verweeft anekdotes met analyses, historische achtergrond met verwijzingen naar literatuur en filosofie, persoonlijke verhalen over politieke besprekingen op hoog niveau met citaten uit interviews met of artikels en toespraken van opiniemakers en politici (de vier pagina’s lange analyse (p 175-179) van een artikel van de Russische minister van Buitenlandse Zaken Lavrov uit 2016 is bijzonder verhelderend voor een begrip van de Russische motieven voor de oorlog in Oekraïne).

Het resultaat van dat weefwerk is een meeslepend en meesterlijk geschreven verhaal met literaire allures.

Voor de reis die Maçães deed om de historische en culturele grenzen tussen Europa en Azië te verkennen, stelde hij zich twee regels: geen vliegtuigen, en geen planning verder dan de huidige week. De reis duurde uiteindelijk zes maanden en bracht hem van Astrakhan in Rusland tot Khorgas, op de grens tussen China en Kazakhstan, via de langst mogelijke route, met onder meer de Caucasus, Armenië, Iran, Turkije, Azerbaijan, Vladivostok en China.

Het Eurazië dat Maçães ziet opdoemen, is in eerste instantie een historisch begrip. Het doel van zijn reis was te onderzoeken waar geschiedenis, cultuur, geografie, demografie, economie en politiek uit elkaar gegaan zijn en waar en onder welke omstandigheden ze weer kunnen samenkomen.

Seeing [als Staatssecretaris voor Europese Zaken in de Portugese regering in de periode van de eurocrisis, de eerste oorlog met Oekraïne en de aanloop naar Brexit] that so many of the most urgent questions affecting the European Union had to do with the interaction between the two continents and how the management of these interactions called for an enlarged perspective, I started to suspect history was increasingly leading us to a world where the border between Europe and Asia would disappear. The bookshops were full of books about Russia (usually its dangers), China (usually its miracles) and the European Union (usually its crises), but they considered them in isolation. I decided to investigate what you could learn about Russia, China and Europe if you considered them as part of the same system. (p xvii)

Dat system is Eurazië, de grootste landmassa op aarde. Neem er een kaart bij; je zal ze nodig hebben bij het lezen van het boek.

Het vervagen van de grenzen tussen Europa en Azië (waar liggen die trouwens?) en de stroom van goederen, mensen, energie en kennis die daarvan het gevolg is, bieden de context waarin we volgens Maçães de belangrijke en nog onopgeloste crisissen van de jongste tien jaar moeten begrijpen: energieveiligheid, Islamitisch radicalisme, Turkije dat zijn plaats zoekt, de vluchtelingencrisis, problemen met de globale waardeketens, Oekraïne.

The Dawn of Eurasia (2018) is in zekere zin het anti-The-End-of-History (1992) boek. Francis Fukuyama maakte de wereld eenvoudig: de val van de Sovjetunie betekende de universalisering van de westerse liberale democratie als uiteindelijke vorm van bestuur. Geopolitiek werd, in Europa alleszins, nagenoeg overbodig – one could say that geopolitical thinking in Europe is dead, particularly so in Germany (p 234) – of alleszins minder antagonistisch. Het was wachten tot de voormalige Sovjetunie en, waarom niet, China, zouden bezwijken voor de lokroep van de liberale democratie en haar weldaden.

Maçães waarschuwde al in 2018 (en vroeger, als politicus) dat dat een vergissing was.

Zoals voor Rusland: The model for relations between Brussels and Moscow adopted soon after the collapse of the Soviet Union seemed to assume that Russia would gradually converge towards European norms and values. It did not happen. (p 193)

Of voor Iran. Maçães beschrijft een ontmoeting met een Iraanse kunstenares in Teheran die met haar textielkunst een eigen vorm van protest maakt. Wij zien enkele jaren later beelden van protesterende Iraanse vrouwen en besluiten misschien dat zij willen verwestersen. Maar (t)o become modern is no longer equivalent to becoming Western. Talking to young Iranian artists, I learned one important lesson. While they were rebelling against the confined spaces of life in Tehran, they also insisted that they did not want to follow the same path as Europeans or Americans … Western modernity is for them just another form of tradition to be uprooted and overcome. (p 34-35)

Voor Rusland en voor China, elk weliswaar met verwante maar soms tegenstrijdige geopolitieke en economische doelen, is Eurazië de historische en onvermijdelijke fase na de voorbije eeuwen van Europees-Westerse dominantie, waarin (s)tates outside the core were faced with the choice of embracing European ideas and practice [the symbiosis of British commerce and French liberty, p 120] or being overrun by European civilization. (p 119)

Het dramatische effect van het concept van Eurazië als eengemaakte politieke ruimte kan moeilijk overschat worden. We (wij, Westerlingen) moeten afleren de wereld te wringen in categorieën van Europese historische ontwikkeling. Als Eurazië een opkomende politieke ruimte is, zal het er een zijn zonder Europese waarden en normen. Het is op dit ogenblik zelfs moeilijk te zien welke waarden en normen er dan wel zullen gelden. Voorlopig alleszins weinig of geen.

Net zomin zijn er al regels of organisatie voor die politieke ruimte. China, Rusland en, in mindere mate de Europese Unie, doen inspanningen. Maar “(t)he question of our time is how this unified space should be organized.” (p 9)

Dat was 2018. Ondertussen hebben we de (tweede) oorlog in Oekraïne, de energiecrisis die ermee samenhangt (en die in The Dawn of Eurasia al tot in detail wordt uitgetekend), en de oplopende spanning tussen China en de VS.

In een recente column voorspelt Maçães a world of intense geopolitical rivalry; a world without rules. The End of History lijkt heel veraf.

De prangende vraag, voor ons althans, is dan waar en hoe de Europese Unie zich in die nieuwe geopolitieke arena moet situeren. Nadat China (Chinese Dreams), Rusland (Russia Turns East) en Turkije (Eurasia Tunnel, met Turkije als het stuk op het schaakbord dat het meest mobiel is; het kan zoveel vakjes bewegen als het wil in welke richting ook, West, Oost, Noord, Zuid) aparte hoofdstukken hebben gekregen – elk op zich verplichte lectuur voor wie wil meepraten over geopolitiek en, zeg maar, Oekraïne – sluit het boek af met een hoofdstuk over de Europese Unie: The European Peninsula.

Neem een kaart. Wordt West-Europa als schiereiland van Eurazië een aanhangsel? Daarvoor is haar economische macht te groot. Rusland en China (en Turkije, Iran …) kunnen niet anders dan rekening houden met Europa. Maar hoe vertaalt die economische macht zich in politieke invloed?

Maçães heeft de Europese besluitvorming van binnenuit meegemaakt. Zijn oordeel is redelijk cassant. “The European Union is not meant to make political decisions. What it tries to do is develop a system of rules to be applied more or less autonomously to a highly complex political and social reality.” (p 228)

De EU is een algoritme, of een computer. Hij illustreert het met een ingewikkelde rekensom voor het herlocatiemechanisme van vluchtelingen die de uitkomst was van een Europese top in 2015 en waarmee de EU het vluchtelingenprobleem hoopte op te lossen. Dat was een algoritme, geen politieke besluitvorming.

De metafoor over de EU als een algoritme of een computer is krachtig. Het algoritme werkt naar behoren zolang de interne regels van het systeem dezelfde blijven en, dat is al wat moeilijker, zolang externe factoren ingecalculeerd waren. Maar wat als we, zoals Maçães beweert, in toenemende mate in een no rules wereld leven? Of als we ontdekken dat de regels die we intern hanteren, extern niet gelden?

De typisch Europese reactie maakte hij mee in een discussie met Duitse topambtenaren over Eurazië, die hij uitgebreid beschrijft. “Je kan de Chinese en Russische expansiedrang niet beantwoorden met een regel,” werpt hij hen voor. “Maar onze beschaving is gebouwd op regels,” is de reactie van de Duitse ambtenaren. “Dat is waar we voor staan.”

“Akkoord,” zegt Maçães. Maar “(t)he problem with the European Union is that it seems to assume that there is a neutral framework of rules, whereas the real issue is which rules will prevail, an issue that no rule can decide.” (p 235-236)

De uitweg die hij hen probeert aan te praten, is Eurazië als een krachtenveld, waarin enkel politieke macht en invloed de economische en politieke richting zullen bepalen. In plaats van de European way of doing things – co-operate, link, connect, all these verbs – bepleit Maçães een meer strategische en dus competitieve aanpak. We moeten meer denken in termen van politieke macht en invloed, van geopolitieke strategie dus, en minder in termen van (onze!) regels. (p 235)

Dat betekent evenwel geen terugkeer naar het oude Europese dominantiedenken, maar een realisatie dat Europa een van de polen in het multipolaire Euraziatische krachtenveld moet worden. “It [Europe] must learn to project its influence eastwards, not as the prophet of a world civilization, but as a Eurasian power.” (p 241)

Waarom? Omdat er anders niet veel meer te doen is.

In een typische gedachtenkronkel, die leidt van de realisatie dat hij zijn gsm-klok niet heeft aangepast aan een recente Turkse regeringsbeslissing die het Turkse uur dichter bij Moskou en verder van Brussel bracht, en dat hij daardoor te laat kwam op een interview met een Turkse opiniemaker, over inzichten van Hegel, Mill en Nietzsche over tijd en geschiedenis, landt Maçães op een filosofisch-historische vaststelling over Europa, die zeker ook een psychologische diagnose is.

The main problem of those who come first [Europa dus] is that they reach the end of their time before everyone else, and Europe began soon to look with thinly disguised envy at those who still had a great task ahead of them, while Europeans, having completed it, had nothing left to do. (p 224)

De computermetafoor geeft ook context aan Brexit, dat zich afspeelde terwijl het boek geschreven werd. Take Back Control, de buitengewoon krachtige slogan waarmee het Leave kamp het referendum won, was alsof enkele passagiers van een autonoom computergestuurd voertuig plots beslisten het stuur over te nemen. Een interne bug. Remain antwoordde met economische argumenten: de EU was de beste deal. Maar was dat wel zo? “Was anyone actually testing and evaluating EU economic policy? And if so, could we trust them to do the right thing? These were valid concerns.“(p 231)

Maçães was de vergadering met de Duitse ambtenaren gestart met vier redenen waarom de EU een Euraziatisch perspectief en plan moest hebben: Rusland en China hebben er een; bijna alle vraagstukken en problemen waar we vandaag en de komende jaren mee te maken gaan hebben, situeren zich in het politiek, economisch en geografisch grensgebied tussen Europa en Azië; zowat alle oorlogen sinds 1815 hebben zich afgespeeld in betwiste grensgebieden tussen de twee continenten; en, last but not least, om de krachten van desintegratie in Europa zelf te bestrijden.

“The EU needs to become a stronger political agent, not in order to fulfil a moral or historical commandment, but in order to perform the tasks which the future will call for: to extend its influence outside its boundaries, manage the flows across the borderlands and work for a peaceful future in greater Eurasia.” (p 242)

BONUS1: Het interview met Maçães in de onvolprezen reeks Conversations with Tyler. In het interview (uit 2018) krijg je, zoals in het boek, een idee van de heel brede interesse en eruditie van Maçães.

Een beeld uit dat interview is blijven hangen sinds ik het las:

If it [Europa] stagnates, if it continues to stagnate, if people all over the world, if the tourists arriving from China suddenly are the ones filling up the restaurants in Paris, and young French men and women are serving them at the tables, this is not exactly the European dream, but it’s, of course, a very serious possibility now.

Over Georgië:

COWEN: Are there any countries on the western frontier of Russia that you would be bullish about?
MAÇÃES: I think, perhaps, Georgia. I don’t see the same destructive impetus coming from Moscow in relation to Georgia as it is in relation to Ukraine, probably because Georgia also didn’t attempt to become an anti-Russian bulwark on the borders of Europe.
I think they’ve been able to build an interesting experiment there of a country that is increasingly connected to Europe, not breaking with Russia, increasingly connected with China. For my book, it’s a very interesting country.

BONUS2: Maçães heeft een Substack. De meeste artikels zijn afgesloten voor niet-abonnees. Kost 40 dollar per jaar. Hij publiceert onregelmatig, tussen een en vier keer per maand. Op Twitter levert hij scherpe commentaren over de oorlog in Oekraïne.


*Gambling on Development. Why Some Countries Win and Others Lose*

Is dit het beste boek over ontwikkelingseconomie van de jongste jaren? Ik denk het wel, al kan ik niet beweren dat ik ze allemaal gelezen heb.

De auteur is Stefan Dercon, met wie ik, voor de anekdote, samen Economie gestudeerd heb in Leuven, destijds.

Een van de redenen dat dit misschien het beste boek is over ontwikkelingseconomie, is het bijzondere curriculum van Dercon. Na zijn studies en een professorschap in Leuven trok hij naar Oxford, waar hij onder meer Economic Policy doceert en Director is van het Centre for the Study of African Economies. Van 2011 tot 2017 was hij chief economist van het Britse Department for International Development (DfID), wellicht de hoogste Britse ambtenarenpost die een Belg ooit bekleedde. Dercon bracht ruime tijd door op het terrein. Het boek is gelardeerd met anekdotes over vergaderingen en ontmoetingen met eerste ministers, hoge ambtenaren, specialisten en gewone mensen uit de landen waarover hij schrijft. En dat zijn er nogal wat.

Die combinatie van academische kennis, inkijk in de coulissen van de politiek en terreinervaring is zeldzaam onder ontwikkelingseconomen; wellicht uniek.

Met Gambling on Development wil Dercon een model voorstellen voor ontwikkelingseconomie. Hij begeeft zich daarmee op een terrein dat al redelijk drukbezet is. Als academicus geef je dan een overzicht van de bestaande modellen en theorieën. Dercon heeft daar iets voor klaarliggen. In 2012, toen hij een jaar in dienst was als topambtenaar bij het Department for International Development, had de aantredende Britse Staatssecretaris voor Internationale Ontwikkeling ootmoedig bekend dat ze eigenlijk niets wist over het domein waarvoor ze verantwoordelijk zou worden. “This ministers’s mental model of how the world of development works was somewhat empty.” Een van zijn collega’s had een stapel boeken klaargelegd die ze misschien tijdens het weekend kon lezen. “Maar ik kan u ook een korte briefing geven over die boeken,” flapte Dercon eruit.

Aldus geschiedde. En Dercon laat ons over zijn schouder meeluisteren in een paragraaf “My advice to the boss“.

Hij legt uit dat elk van de denkers een interessante lens biedt om naar ontwikkelingseconomie te kijken, maar dat ze het oneens zijn, onder meer over waar de diepere oorzaken van onderontwikkeling liggen, over waar te beginnen, over wie het roer in handen zou moeten nemen en op welk niveau. Het is, zo herhaalt hij voortdurend in het boek, “hardly a matter of spending money or finding a silver bullet“.

De modellen waar Dercon zich tegen afzet, stellen ofwel, minstens impliciet, een “beste” oplossing voor die dan, om te kunnen werken, een tabula rasa zou moeten maken van de bestaande instellingen en machthebbers in een land. Ofwel wijzen die modellen naar externe factoren – de wereldmarkt, de geschiedenis – waarop een individueel land geen vat heeft.

Maar “they all miss the boat on a clear explanation of why a diverse set of countries have changed for the better and why others have not.” (p 33)

De krachtlijnen van Dercons eigen model, waarvan hij dus ook de Staatssecretaris probeert te overtuigen, gaan vaak diametraal in tegen de krachtlijnen van minstens een van de modellen die hij samenvat voor zijn baas.

  • De belangrijkste uitdagingen voor ontwikkelingslanden liggen in het land zelf, niet in de wereldmarkt
  • Recepten voor specifieke maatregelen voor economisch beleid kunnen inspireren, maar het gaat in de eerste plaats om hoe landen vandaag worden bestuurd door de mensen die de macht al in handen hebben
  • De geschiedenis van een land is een factor maar is niet determinerend. Landen met gelijkaardige historische achtergronden hebben heel verschillende resultaten bereikt
  • Ontwikkelingshulp kan wel degelijk nuttig zijn, maar dan enkel in die landen waar de mensen met de macht in handen een deal hebben om te evolueren in de richting van groei en ontwikkeling

Ietwat kort door de bocht: Dercon kijkt veel minder naar een of ander geïdealiseerd einddoel of naar een beste aanpak, maar vertrekt van de situatie zoals ze is. Zijn aanpak is radicaal pragmatisch: het beste is er de vijand van het goede of betere.

Wat is dan die Development Gamble of Development Bargain, de termen waarin Dercon zijn model samenvat?

Een staat en de manier waarop ze beheerd wordt, zijn in zekere zin altijd het resultaat van een deal die gesloten wordt door een elite en die in hoge mate economisch is. Het is de elite, de vaak floue groep van mensen met de macht om de politiek, de economie en de samenleving vorm te geven, die bepaalt hoe de economie zich ontwikkelt en hoe de vruchten ervan verdeeld worden.

Elk land heeft een elite bargain. Ze komen in vele vormen: van roofzuchtig, waarin de elite er alles aan doet om zich de rijkdom van een land toe te eigenen, tot meer inclusief en verdelend.

Een development bargain is dan een van de vele bargains die de elite in een land kan sluiten. Het is een breed gedragen verbintenis van de elite om te streven naar groei en ontwikkeling die de hele bevolking ten goede komt en die de armoede zal doen dalen.

Er zijn geen “zuivere” development bargains. Elke concrete development bargain die Dercon bespreekt in het boek, is onvolmaakt. En een succesvolle development bargain in het ene land kan niet zomaar gekopieerd worden naar een ander land.

Hij ziet wel drie gemeenschappelijke kenmerken. De bargain wordt gedreven door echte, geloofwaardige en langdurige politiek. Ze wordt ondersteund door een stevige staat, die tegelijk vermijdt om meer te doen dan ze aankan. En de staat heeft de politieke en technische bekwaamheid om te leren van fouten.

Dit concept van een development bargain is nog steeds geen recept voor ontwikkeling. Maar dat is net het punt, en waarin Dercon verschilt van de andere modellen. Er is geen recept; er zijn enkel ingrediënten. En als er geen recept is, is succes niet gegarandeerd. Vandaar dat elke development bargain altijd ook een development gamble zal zijn. Vandaar ook de noodzaak om te kunnen en willen leren van fouten en zo nodig de mix van ingrediënten aan te passen.

Wie wat thuis is in de ontwikkelingsliteratuur, zegt nu misschien: Wat Dercon voorstelt, is eigenlijk een herformulering van de kerngedachten van de bijzonder invloedrijke institutionele school in ontwikkelingseconomie (Acemoglu en Robinson, Why Nations Fail), die onderscheid maakt tussen landen met extractieve instellingen en landen met inclusieve instellingen.

Neen, zegt Dercon, mijn model is geen herformulering van “good institutions matter“. De bestaande politieke en economische elite heeft veel meer keuzevrijheden en invloed dan het historisch deterministische model van de institutionele school laat vermoeden. Kijk onder meer naar Bangladesh en China: zij vertrokken beide van een situatie met abominabele instellingen, maar wisten door een development bargain de eerste stappen naar brede ontwikkeling te zetten.

Maar waarom juist? Waarom en wanneer zou een elite die volop baat heeft bij het status quo van een roofzuchtige bargain plots besluiten een development bargain te sluiten?

Dercon ziet vier mogelijke drivers.

De eerste, die hij min of meer afwijst, is het optreden van een verlichte leider. Singapore’s Lee Kuan Yew, die zijn land van midden de jaren 1960 tot midden 1990 op een groeipad van gemiddeld 6 procent per jaar zette, en de armoede nagenoeg uitroeide, is hier het archetype. Paul Kagame claimt in Rwanda een gelijkaardige rol. Dercon vindt dat die nadruk op verlicht leiderschap te weinig aandacht heeft voor de brede consensus die nodig is onder de volledige elite.

Een tweede mogelijke driver is dat omstandigheden de elite dwingen een bredere legitimiteit te zoeken dan ze tot nu toe had, al is het om instabiliteit of opstand te vermijden. China na de Culturele Revolutie is een voorbeeld. In Ethiopië en Rwanda zoeken leiders van een bepaalde bevolkingsgroep legitimiteit bij de volledige bevolking.

Dercons realisme blijkt nog eens uit de derde driver, die wellicht altijd samengaat met een van de drie andere. De elite kan inschatten dat een bredere ontwikkeling ook haarzelf ten goede zal komen, meer nog dan een elite bargain waarin ze enkel zichzelf verrijkt.

Een laatste driver haalt Dercon uit de studie van de chronologie van het ontstaan van development bargains. In landen zoals Indonesië na 1965, Bangladesh na 1972, Ethiopië na 1991 en Rwanda na de genocide in 1994 zijn (kiemen van) development bargains ontstaan na een verwoestend conflict.

Peace is a business deal“, zegt hij hierover, in een treffende echo van het dit jaar ongeveer gelijktijdig verschenen Why We Fight. The Roots of War and the Paths to Peace, van Chris Blattman, met wie Dercon overigens heel wat gezamenlijke studies en experimenten heeft gedaan en die samen met Dercon een anti-silver bullet, pragmatische school kan vormen.

De eerste stap in Dercons model en aanpak bestaat er dus in te achterhalen onder welke elite bargain een staat bestuurd wordt. Daar is geen vaste methode voor. Een elite bargain staat nergens neergeschreven; net zoals de elite zelf is ze flou, impliciet en informeel.

Als buitenstaander ben je daar niet zoveel mee. De gemeenschappelijk kenmerken en drivers van development bargains die Dercon aanbiedt in het “theoretisch” hoofdstuk bieden ook niet echt een methode of handvatten om elite bargains, laat staan development bargains, te herkennen.

Hoe het in het echt gaat, vertelt Dercon in een dubbelanekdote aan het begin van het theoretisch hoofdstuk en in de vele gevalstudies verder in het boek.

In de dubbelanekdote contrasteert hij twee vergaderingen die hij had met topambtenaren, een in de Democratische Republiek Congo (DRC), een in Ethiopië.

De vergadering in de DRC vond plaats in 2013 in Kinshasa. Aanwezig: de economische adviseur van president Kabila en een dertigtal andere hoge ambtenaren. Alle (10!) presentaties die Dercon kreeg, waren deskundig en legden de nadruk op de juiste hervormingen die de DRC nodig had, van macro-economische stabiliteit, over stimulering van de particuliere sector en kleinschalige landbouw en belastinghervormingen, tot investeringen in de gezondheid- en onderwijssector.

Maar “walking out of the long meeting, I felt I was coming out of a play performed by committed character actors. They put on a good show, but I was sure that not a single plan of those woven into the dialogue would ever be implemented. They probably knew it, too, but no doubt had worked on these plans with the utmost sincerity.” (p 36)

Enkele maanden later had Dercon een gelijkaardige vergadering in Ethiopië. De groep was daar iets kleiner en iets meer senior, inclusief de minister van Financiën. De discussie ging onder meer over de resultaten van het Growth and Transformation Plan dat Ethiopië aan het implementeren was. Wat was goed gelopen, wat kon verbeterd worden?

De ideeën en voorstellen die op tafel kwamen, waren minder gepolijst dan die in de presentaties in de DRC. Ze waren ook minder geïnspireerd door wat in die tijd opgang maakte in kringen van internationale ontwikkeling.

Maar “I had no doubt they would do all they could to implement them … As I had worked by then with Ethiopian academics and policy-makers on and off for two decades, my sense of the situation didn’t suprise me, and it stood in stark contrast to the earlier spectacle in the DRC.” (p 36-37)

Terugkijkend naar die twee vergaderingen in 2013 spreken de feiten voor zich. Ethiopië groeide de voorbije vijftien jaar met meer dan 7 procent per jaar in per capita termen, driemaal sneller dan de DRC.

Dat is dus wat er nodig is om de aan- of afwezigheid van een development bargain te herkennen: jarenlange ervaring in een land en contacten op hoog niveau met technocraten, die Dercon herhaaldelijk opvoert als de stille helden van ontwikkeling.

We blijven daarmee nog op onze honger zitten, want uiteindelijk lijkt het neer te komen op ellebogengevoel van de technocraat die Dercon ook is – “I was sure that not a single plan would ever be implemented” en “my sense of the situation” – en op de cijfers achteraf.

Die honger wordt voor een groot deel gestild in het tweede deel van het boek, veruit het meest uitgebreide, waarin Dercon land per land en vaak heel gedetailleerd het ontwikkelingsverhaal vertelt.

De poging om dat deel wat te structureren door een halve dierentuin treffende equivalenten te vinden voor de emblematische Aziatische tijgers, vond ik niet helemaal geslaagd en blijft niet echt hangen. Maar de lijst landen die Dercon laat passeren, en waarover hij uit de eerste hand vertelt, is indrukwekkend:

China, Indonesië en Indië (goed op weg); Sierra Leone en Malawi (on hold); Kenia, Oeganda en Ghana (in de startblokken?); Nigeria en de DRC (voorlopig hopeloos); Zuid-Soedan, Afghanistan, Nepal, Libanon, Somaliland (peace as a business deal?); Bangladesh (merkwaardig maar pril groeiverhaal); Ethiopië en Rwanda (Afrikaanse mirakels in de maak?).

Uit de concrete verhalen wordt duidelijk wat Dercon bedoelde als hij zei dat geen enkele development bargain perfect is en dat elke development bargain anders is.

Het groeiverhaal van Bangladesh is merkwaardig, maar ver van al een echt succes. In Bangladesh speelt de NGO BRAC (Bangladesh Rural Advancement Committee), de grootste NGO ter wereld, een heel belangrijke rol. Maar daarnaast is er niet echt een groot plan: “Progress is not at all the result of a grand design. Instead it is, almost coincidentally, a matter of politics and economics not doing the wrong thing.” (p 219) Anders dan in andere ontwikkelingsverhalen heeft de overheid in Bangladesh een bescheiden rol: een combinatie van “a form of laissez-faire where organisations fill the gaps left by the state” (p 227) en simpelweg “not doing the wrong thing“.

Dercon sluit het boek af met een hoofdstuk over ontwikkelingshulp.

In tegenstelling tot een aantal andere ontwikkelingseconomen is hij geen scepticus van ontwikkelingshulp. Het beeld dat ontwikkelingshulp simpelweg dient om de zakken van corrupte leiders te vullen, is een karikatuur. Anderzijds geeft hij toe dat de balans van ontwikkelingshulp tot nu toe allesbehalve indrukwekkend is.

Van de Millennium Development Goals en de Sustainable Development Goals, die sinds 2000 voor een heel deel van de internationale gemeenschap de bakens zetten voor ontwikkeling, is hij een zeer koele minnaar. “Goals and targets do not lead to development.”

Ontwikkelingshulp wil hij, hoe kan het anders, enten op het bestaan van een development bargain. Net als de landen zelf zullen donors dan moeten gokken om kiemende development bargains te steunen. Landen waar duidelijk geen development bargain aanwezig is, zouden geen of minder steun moeten krijgen.

Belangrijk, en tekenend voor de grondhouding van Dercon: met ontwikkelingshulp, en met advies van internationale experten zoals hijzelf, is het zoals met de tango: je moet met twee zijn om hem te dansen en, vooral, een van de twee moet leiden. De leider in die tango kan niet anders zijn dan het ontvangende land. Zij moeten uitmaken of de hulp past in hun development bargain.


*Cooking to Save Your Life*

Sinds begin deze week ben ik de fiere en dankbare bezitter van Cooking to Save Your Life van Abhijit Banerjee.

Cooking to Save Your Life is een kookboek, maar niet zo maar een.

Het boek is onder meer bijzonder omdat het, hoewel hier al gesignaleerd, voorlopig enkel in Indië, Pakistan, Sri Lanka, Bhutan, Nepal en Bangladesh te koop is. Ik kon niet achterhalen waarom dat zo is. Via een Indische online vriend van Georgia is het me toch gelukt om het geleverd te krijgen. Dat maakt het op zich al speciaal.

Nog specialer is de auteur: Abhijit Banerjee (1961) is de in Indië geboren maar in de VS werkende economist die samen met zijn echtgenote Esther Duflo in 2019 de Nobelprijs Economie kreeg voor hun experimentele benadering om wereldwijde armoede te verlichten. Banerjee en Duflo pionierden onder meer in de toepassing op armoedeproblemen van Randomized Control Trials (RCT’s).

Banerjee is niet de enige economist die met voeding en koken bezig is. Mijn favoriete blogger Tyler Cowen schrijft regelmatig over eten en drinken. Hij heeft ook een bijzonder neus voor vooral exotische restaurants in steden wereldwijd en hij signaleert de vondsten op zijn blog (hier is Gent).

Cowen schreef ook een boek An Economist Gets Lunch: New Rules for Everyday Foodies, maar dat is geen kookboek, eerder een boek met tips om goede eetplaatsen te vinden.

Van een andere Nobelprijswinnaar, Paul Romer, is het bekende kookgerelateerde citaat “Human history teaches us, however, that economic growth springs from better recipes, not just from more cooking. New recipes produce fewer unpleasant side effects and generate more economic value per unit of raw material.”

Voor Banerjee zijn er verschillende linken tussen zijn kokerij en zijn bezigheden als economist:

As I started to think of how to frame the book, I began to notice the extent to which my sensibilities about cooking were connected to my instincts as an economist and a social scientist. …
Economists are trained to think about how to make the most of limited resources, and that instinct drives what we do in the household as much as anywhere else.

Het gaat verder dan enkel economische efficiëntie:

The tone I have tried to strike aims at lightness, but both food and cooking are so obviously tied to political and social structures that it would be odd to try to avoid them, and I have not: the themes of poverty and inequality, want and need, conservation and climate change, power and gender, self-expression and conformity keep coming back and each chapter has an introduction that tries to make explicit those connections to the recipes I have chosen.

Maar men weze ook gewaarschuwd:

I also have an embarrassing admission to make. This book is written the way I cook – expensively.

banerjee cooking to save your life

De titel van het boek, Cooking to Save Your Life, kan de indruk wekken dat er vooral “gezonde” recepten in staan. Maar daar eet Banerjee te graag voor.

De verklaring van de titel ligt elders:

Many people have told me that they cannot cook to save their lives. I don’t believe them. A lot of them can build a dresser out of an Ikea box – despite the fact that the instructions read like they were written by a visually impaired robot. How could it be possible that they are not able to follow a simple set of instructions.

Esther Duflo doet een cameo met haar recept voor mayonnaise.

Het boek bevat geen foto’s, maar is heel charmant geïllustreerd door Cheyenne Olivier.

Hier is een amusant interview met Banerjee en Olivier over het boek.


*Which Country Has The World’s Best Health Care?*

De dappere auteur die een boek deze titel durfde geven, is Dr. Ezekiel Emanuel, oncoloog en bio-ethicus aan de University of Pennsylvania School of Medicine en de Wharton School, en een van de zestien leden van de COVID-19 Advisory Board van president Biden.

Ik heb het boek nog niet gelezen, maar de zeer slimme Scott Alexander schreef een goede bespreking waarin de nieuwsgierige lezer alvast het korte antwoord vindt op de vraag in de titel.

Alvast ook een troost voor wie het moeilijk vindt om voorbij de simpele clichés te begrijpen hoe verschillende gezondheidssystemen in elkaar zitten: het ligt niet aan ons.

Emanuel deserves a lot of praise for writing this book. It’s hard to find good information on different health care systems outside of incomprehensible technical papers. This book was detailed, thorough, and got me to start investigating a field I’d been putting off learning about.

Maar ook:

He backs this up with ~300 pages of details about the health care systems of 11 major countries. I have to admit, I found this tough reading. Partly this is because health economics is an inherently boring topic. Partly it’s because national systems are a hodgepodge of historically contingent decisions that don’t really resolve into a single gestalt. And partly it’s because many countries run their medical systems entirely based on three-letter acronyms.
But partly it’s because all national health systems are surprisingly similar.

De oorzaken van de verschillen in gezondheidssystemen zitten hem vaak in bizarre verschillen tussen onder meer de manier waarop overheden en verzekeraars de prijs van geneesmiddelen bepalen – door elk op een andere manier te onderhandelen met farmabedrijven – en de manier waarop het jaarlijks gezondheidsbudget eerst wordt vastgelegd en nadien wordt uitgegeven.

Helaas, een definitief antwoord op de vraag hoe die verschillende systemen dan leiden tot verschillende resultaten, een succesvol of minder succesvol gezondheidssysteem (zie de bespreking en het boek voor de criteria waarmee dat gemeten wordt), biedt het boek volgens Scott Alexander niet.

(I)t failed to give me a gears-level understanding of why some health care systems succeed and others fail.
Overall I got the impression that health care was a bizarro-world where normal economics doesn’t apply. … I would have appreciated a book by a more economically-minded person explaining why things are like this.

Scott Alexander eindigt zijn bespreking op een positieve noot, en een grappige denkoefening over hoeveel je zou betalen voor het boek als je de prijszetting zou volgen die in de gezondheidssector wordt gebruikt.

In conclusion, this was a helpful book. But I’m not sure it’s worth paying $22.99 for it. Consider telling Dr. Emanuel that you will only pay however much the Norwegians pay for their books. Or maybe the lowest price paid by any of Belgium, France, or Germany. Maybe you should commit to only spending $100 on books this year, and let Dr. Emanuel know how much you’ll pay him after you decide how many books to read. Only then will we be able to control the spiraling cost of books on health care.


*The Ethics of Capitalism. An Introduction* (2020)

De auteurs zijn Daniel Halliday en John Thrasher, twee Amerikaanse filosofen. Het boek presenteert zich en is opgebouwd als een inleidend handboek over politieke economie voor filosofen en economen. Maar het is zeer goed leesbaar voor een algemeen publiek, met voldoende verwijzingen en bronmateriaal voor wie dieper wil duiken.

Halliday en Thrasher zijn mild en kritisch pro-kapitalisme. Ze beginnen met de vaststelling dat Everyone Hates Capitalism en het boek kan gelezen worden als een poging om uit te leggen waarom dat niet helemaal terecht is. Maar ze zijn niet-dogmatisch, gaan de netelige vragen niet uit de weg, en als ze standpunten innemen, doen ze dat op een open manier, die studenten zal helpen om zelf kritisch te denken.

Ik miste een afsluitend hoofdstuk.

Wellicht het beste handboek over het onderwerp dat vandaag beschikbaar is. Het heeft ook een beperkte companion website, met onder meer een bonushoofdstuk over Capitalism and COVID.


*The Spirit of Green. The Economics of Collisions and Contagions in a Crowded World* (2021)

Economisten en groenen tref je niet zo vaak samen aan in bed. Het zijn andere karakters, ze hebben verschillende uitgangspunten, uiteenlopende doelstellingen.

Eigenlijk is dat bizar, want er is toch minstens een punt waar beide elkaar kunnen ontmoeten. Als economie ergens over gaat, dan is het over de efficiënte inzet van beperkte middelen. En dat is toch groen bij uitstek?

In The Spirit of Green doet economist William Nordhaus een verzoeningspoging en geeft hij een infuus van economisch realisme aan het groene debat.

Nordhaus (1941) is Sterling Professor of Economics aan de Yale University. Hij werkte samen met icoon Paul Samuelson aan zeven edities van Economics, wellicht het meest gebruikte basishandboek voor generaties van economiestudenten. Hij onderzoekt en publiceert over klimaateconomie sinds 1972 (!). In 2018 kreeg hij de Nobelprijs Economie voor zijn bijdrage aan klimaateconomie.

The Spirit of Green is klimaateconomie voor niet-economen. Nordhaus gaat back to basics, en begint zijn uitleg over Green Efficiency bij Arthur Pigou (1877-1959), de grondlegger van de welvaartseconomie en van het begrip externaliteiten, dat zo cruciaal is in klimaateconomie.

Van daar gidst hij de lezer methodisch en stap voor stap – soms op het schoolmeesterachtige af (inclusief de professorengrapjes – A more illuminating example is lighthouses (p 35)) door de opbouw van een economisch kader.

Dit economische kader past binnen een meer algemeen – filosofisch-ethisch – kader van het soort samenleving dat we wensen. Voor Nordhaus is dat een well-managed society (p 17-18): het is de well-ordered society van John Rawls, waar de nadruk op rechtvaardigheid ligt, maar met efficiëntie en welvaart als bijkomende doelen.

Die well-managed society heeft vier pijlers, waarop de doelen van een Green Society zullen moeten gebaseerd zijn: een degelijk wettelijk kader; goed ontwikkelde markten voor private goederen, waar bedrijven en consumenten de volle prijs van die goederen betalen; technieken en overheidsingrijpen om om te gaan met gevallen waar er door marktfalen externaliteiten optreden, waardoor bedrijven en consumenten niet de volle, echte prijs betalen; en een overheid die door corrigerende belastingen en uitgaven gelijkheid en rechtvaardigheid bevordert.

Binnen dat kader is voor Nordhaus de economische premisse van milieueconomie (p 30) dat in goed werkende markten de “juiste” hoeveelheden “juiste” goederen worden geproduceerd en geconsumeerd, maar dat er in gevallen van marktfalen negatieve externaliteiten optreden waardoor “verkeerde” hoeveelheden van “verkeerde” goederen worden geproduceerd en geconsumeerd.

De indicator voor “juist” en “verkeerd” is natuurlijk de prijs. Het klassieke voorbeeld van zo’n negatieve externaliteit is vervuiling: de producent van vervuiling rekent de schade van de vervuiling niet door in zijn prijs, waardoor consumenten het foute signaal krijgen en er teveel van gebruiken. De maatschappelijke kost (wat de producenten betalen om het goed te maken plus de vervuiling) is hoger dan de maatschappelijke opbrengst (uitgedrukt in de prijs die consumenten betalen).

Marktfalen en negatieve externaliteiten vereisen overheidsoptreden (de derde pijler van een well-managed society). De overheid kan de productie van een bepaald goed verbieden; of ze kan maximumgrenzen opleggen. Een derde mogelijkheid is de externaliteit te internaliseren door, via belastingen, de prijs van het schadelijke goed te verhogen.

Dit is de oplossing die Nordhaus, en met hem de meeste economisten, veruit prefereren, zeker in het geval van CO2.

“Economics points to one central and all-important truth about climate-change policy. This truth is so central that it must be stated and restated. For any policy to be effective, it must raise the market price of CO2, and other GHG [greenhouse gas] emissions.” (p 278)

Een hoger en, belangrijk, geleidelijk stijgende prijs voor koolstof en andere klimaatverstorende stoffen bereikt immers minstens vier doelen (p 278-279): hij geeft een duidelijk signaal aan consumenten: dit is waarop je moet besparen; het signaal naar producenten is al even duidelijk: zoek naar low-carbon alternatieven; de hogere prijs zal ook uitvinders en financiers stimuleren om naar alternatieven te zoeken; en een simpele prijsverhoging bevat in zich alle informatie, en bijhorende administratie- en promotiekosten, die anders relatief duur zou zijn om te verspreiden en te vergaren.

Een vijfde voordeel, tenminste als de overheid de prijsverhoging via belastingen realiseert, zijn natuurlijk hogere overheidsopbrengsten. Nordhaus rekent voor (p 200) dat de Amerikaanse overheid, die nu slechts 4 procent van haar uitgaven dekt met groene belastingen (en “zondebelastingen” zoals op tabak, alcohol en vuurwapens), dat aandeel zou kunnen verhogen tot 24 procent als ze die belastingen zou optrekken tot niveaus die de sociale kosten weerspiegelen. De ongelijkheidseffecten van zo’n belasting kunnen bovendien redelijk eenvoudig ongedaan gemaakt worden.

Een belasting, dus, met niets dan voordelen. Als dat geen ei van Columbus is.

Helaas.

De meeste ontwikkelde landen schuwen dit instrument. Alle OESO-landen heffen gemiddeld maar 5 procent van hun totale belastingen als milieubelastingen, hoofdzakelijk op autobrandstoffen (p 201, cijfers van 1995).

In Europa zijn er wel wat voorlopers. Finland was in 1990 het eerste land dat een koolstofbelasting hief. Andere landen volgden, maar met tarieven die meestal ondermaats bleven. En de politieke reacties bleven niet uit. De gelehesjesbeweging in Frankrijk is begonnen als protest tegen een verhoging van 10 eurocent aan de pomp. De Groenen in Duitsland hebben recent ook bakzeil moeten halen na een voorstel om de belasting aan de pomp op te drijven van 10 naar 16 cent per liter.

De Europese Unie hanteert een cap-and-trade systeem in plaats van rechtstreekse belastingen. Cap-and-trade stelt voor een volledige economie een plafond van rechten op om CO2 uit te stoten; uitstoters kunnen dan die rechten onder elkaar verhandelen. Het effect zou in principe hetzelfde kunnen zijn als een prijsverhoging door belastingen.

Nordhaus prijst de EU voor haar ETS (Emissions Trading System), haar versie van cap-and-trade, en geeft de Amerikaanse Democraten een veeg uit de pan omdat ze in hun Green New Deal dit ETS zelfs niet vermelden. Maar uiteindelijk ziet hij cap-and-trade als een tweede beste oplossing om de prijs van schadelijke stoffen te verhogen.

Het systeem heeft een veel grotere regelgevende voetafdruk dan eenvoudige belastingen en leidt soms tot CO2-prijzen die zwaar onder de werkelijke prijs (inclusief milieuschade) van CO2-emissies kunnen liggen. Die werkelijke prijs, de social cost of carbon (SCC), zou ongeveer 50 dollar per ton moeten bedragen. In de EU is die prijs, die jarenlang onder de 30 euro gebleven was, pas zeer recent (31 augustus) boven de 60 euro gestegen.

Spectrum

Nordhaus situeert zijn Spirit of Green aanpak op een spectrum tussen Deep Green aan de linkerkant en Muck Brown aan de rechterkant. (p 298)

Muck Brown zijn de klimaatontkenners zoals Trump en mensen die hun winsten boven het maatschappelijk welzijn stellen. Deep Green is biocentrisch en laat milieuwaarden meestal doorwegen op menselijke keuzes en voorkeuren. In het midden tussen die twee uitersten staan Spirit of Green en de Free Market aanpak, met Spirit of Green iets dichter bij Deep Green op het spectrum.

Het verschil tussen Spirit of Green en de Free Market aanpak zit hem vooral in de actieve rol van de overheid en overheidsregulering. Nordhaus zegt het met een charmant beeld: “Operating the well-managed society without both private markets and collective actions is like trying to clap with one hand.” (p 2)

Bovendien is er goed nieuws. Als we de impact van overheidsregulering op de juiste manier in rekening brengen, dan heeft die de hoeveelheid van de economische productie wel verlaagd, maar de groei van de economie verhoogd, doordat de productie minder CO2-intensief is geworden (p 90).

De vraag is dan wel: welke overheidsregulering en hoeveel? Hier stelt Nordhaus een “Goudklokje”-principe voor: niet te warm, niet te koud, maar precies goed. (p 307)

Het Goudklokje-principe en “klappen met één hand” zijn meer dan leuk gevonden metaforen. Want Nordhaus stelt er een aanpak mee voor die nogal drastisch verschilt van die van de Amerikaanse Green New Deal (die hij analyseert en bekritiseert, p 170-176), maar ook van die van het IPCC en de Europese Green Deal (die voorgesteld werd nadat Nordhaus’ boek uitkwam).

In vergelijking met de Green Deals aan beide kanten van de oceaan en met het IPCC ziet Nordhaus een grotere rol voor marktmechanismen en vooral voor de toepassing van kosten-batenanalyses, waarbij alle kosten en baten, dus ook (economische) keuzes en voorkeuren meegenomen worden.

Daartegenover staat een aanpak zoals die van de Amerikaanse Green New Deal (in de versie die Alexandria Ocasio-Cortez in 2019 voorstelde). Dat is een “command-and-control” aanpak “in which policies would take the maximum steps at whatever the cost” (p 175).

Ook het IPCC en de Europese Green Deal lijken die aanpak te volgen (zie onder meer de uitleg over het verschil tussen cost-benefit analysis en cost-effectiveness analysis in Box 5 | Economics of 1.5°C Pathways and the Social Cost of Carbon op p 150 van dit IPCC document).

Olifant

Het verschil wordt al duidelijk in de uiteenlopende aanpak om aan CO2-prijszetting te doen, tussen cap-and-trade – waar de overheid command-and-controlgewijs de hoeveelheid CO2 bepaalt en de markt de prijs laat uitvinden – en een CO2-tax – waar de overheid met een belasting de reële kost van CO2 probeert te benaderen, en de markt dan de hoeveelheid bepaalt.

Het wordt natuurlijk op de spits gedreven in de discussie over hoe we de opwarming van de aarde aanpakken. Stellen we een hard doel – 1.5C°? 2C°? – en gaan we dat bereiken whatever the cost? Of maken we een analyse waarin we kosten en baten van verschillende scenario’s afwegen?

Hier staat dan wel een olifant in de groene kamer.

Nordhaus berekent, op basis van het DICE-model (Dynamic Integrated model of Climate and the Economy) dat hij ontwikkelde, de kosten en baten van verschillende temperatuurscenario’s.

In een wereld waarin we vandaag 80 procent van onze energie uit fossiele brandstoffen halen, zou het doel van 2C° tegen 2100 en zero net tegen 2050, afhankelijk van het gehanteerde model, tussen 40 biljoen en 500 biljoen dollar kosten. (p 216) De kosten van energie zouden met 200 tot 400 procent stijgen. (p 175)

Nordhaus probeert diplomatisch te blijven, maar is eigenlijk toch redelijk categoriek.

“How big is the challenge of reaching zero net emissions by 2050? The short answer is that it is somewhere between higly unlikely and infeasible … without the unlikely combination of drastic changes in global policies and extremely rapid technological change.” (p 215-216)

Zulke uitspraken zullen voldoende zijn om Nordhaus vanuit Deep Green en zelfs lichter groene hoek te verketteren. Maar je kan hem moeilijk verwijten dat hij niet minstens meedenkt aan oplossingen.

Voor de “drastic changes in global policies” oppert hij in een apart hoofdstuk redelijk radicale voorstellen om de Goliath of all externalities, (p 267) zoals hij het probleem van de opwarming van de aarde noemt, op te lossen.

Het probleem, zoals bekeken door een economistenbril, is dat individuele landen geen (economische) incentives of prikkels hebben om het probleem aan te pakken: de kosten zouden bij hen liggen, maar de baten zouden verspreid zijn.

De lotgevallen van de Kyoto- en Parijs-akkoorden tonen aan dat een beroep op een optelsom van ongecoördineerd en vrijwillig nationaal beleid niet werkt. Niet alleen waren de doelstellingen te bescheiden, maar het waren vooral “toothless treaties“. (p 289)

Nordhaus stelt in plaats van die tandenloze vrijwillige aanpak een club-aanpak voor. (p 290-291) Een club is een vrijwillige groep waarin alle leden voordelen halen uit de gezamenlijke kosten om een “goed” te produceren.

In zo’n klimaatclub zou het, alweer, slimmer zijn om te werken met een uniforme prijs voor CO2, in plaats van met hoeveelheidsafspraken per land, zoals in cap-and-trade, omdat je dan maar één afspraak moet maken in plaats van evenveel afspraken als er landen zijn.

Het sluitstuk van het club-idee is dat niet-leden kunnen worden uitgesloten of gepenaliseerd tegen een kost die relatief laag is voor leden. Concreet zou dat neerkomen op een importtarief voor niet-leden in de club-regio.

Het is een hommage aan Nordhaus dat de Europese Green Deal, die de EU in juli van dit jaar lanceerde, net dat voorstel bevat, met een carbon border adjustment mechanism.

Maar de onmiddellijke reacties van Europa’s belangrijkste handelspartners (Australië, Rusland, voor wie het plan 11 miljard euro per jaar zou kosten, en de VS) bevestigden ook wel dat de “combination of drastic changes in global policies and extremely rapid technological change” inderdaad op zijn minst unlikely is.

Is de verzoeningspoging tussen economisten en groenen die Nordhaus beoogde dan mislukt?

Eerlijk gezegd, en helaas, ik denk het wel.

  • De groene beweging, en met haar een groot deel van de publieke opinie, blijft verhangen aan apocalyptische toekomstbeelden, omdat die wervend zijn. Maar ze weigert tegelijk de combinatie voor te stellen van radicale oplossingen (omdat die een groot deel van het potentieel kiezerspubliek zouden afschrikken) en pragmatische oplossingen (omdat die niet passen in het apocalyptische beeld, en omdat ze een deel van het huidige kiezerspubliek zouden teleurstellen).
    De verzoening tussen gele hesjes en groene hesjes, waarvoor de Vlaamse groene guru Dirk Holemans onlangs pleitte in De Standaard?
    Bon courage, maar ik vrees dat het een kwadratuur van de cirkel zal worden.
  • Misschien heb ik het gemist, maar ik heb nog geen enkele groene in zoveel woorden horen zeggen dat een “extreme” klimaattransitie iedereen van de huidige en volgende generatie in het beste geval enorm veel geld gaat kosten, en in het slechtste geval somewhere between higly unlikely and infeasible is.
  • Erger nog, een goed deel van de groene beweging pleit én voor klimaattransitie én tegen economische groei. Dat is niet alleen op het misdadige af tegenover toekomstige generaties en vooral tegenover het armere deel van de wereldbevolking. Het miskent ook dat efficiëntie en innovatie, twee begrippen die groen zou moeten koesteren, automatisch leiden naar economische groei.
    Het is frappant, en wellicht geen toeval, dat de ontdekker van deze theorie van endogene groei, Paul Romer, samen met Nordhaus de Nobelprijs Economie kreeg in 2018. Romer liet ons begrijpen dat hét economische feit van de jongste 200 jaar – ongelimiteerde groei in een wereld van eindige bronnen – misschien contra-intuïtief is, maar wel mogelijk. Immers: “Human history teaches us … that economic growth springs from better recipes, not just from more cooking.
    In een reflectie op de Nobelprijs typeert Romer zijn co-winnaar: “Bill has always understood that the human future hinges on the contest between the economics of objects and the economics of ideas.” De groene beweging, van de Club van Rome tot de degrowthers, blijft vaak steken in de economics of objects.
  • De verzoening tussen groenen en economisten wordt ook bemoeilijkt doordat Nordhaus, Nobelprijs en al, niet eens voor alle economisten spreekt.
    Sommige economisten verwijten hem dat hij de economische impact van klimaatverandering zwaar onderschat (ik kan niet inschatten hoe zwaar deze Steve Keen wetenschappelijk weegt tegenover Nordhaus).
    Anderen zeggen dat hij de economische schade net overschat en kanten zich tegen een CO2-tax als oplossing.
    Nog anderen gebruiken zelfs Nordhaus’ modellen om aan te tonen dat het doel van 1.5°C de mensheid armer zal maken dan helemaal niets doen.

Welkom in de klimaateconomie …!

Het is zoals met veel sociale dilemma’s (of collective action problemen zoals economisten ze noemen). COVID ook, bijvoorbeeld (dat Nordhaus nog net op tijd in het boek wist te smokkelen). Een mens denkt zijn burgerplicht te doen door zich te informeren. En waarom niet bij een Nobelprijswinnaar die al vijftig jaar met het probleem bezig is? Om dan te ontdekken dat je met vijftien browsertabs open nog maar een tipje begint te ontdekken van discussies waar de grens tussen wetenschap en ideologie soms moeilijk te onderscheiden is.

The Spirit of Green is alleszins een goed startpunt. Niet alleen omdat Nordhaus op bevattelijke wijze zijn vijftig jaar onderzoek weet samen te vatten. Maar ook omdat hij zijn eigen keuzes expliciet maakt én aangeeft waar ze verschillen van andere keuzes op het ideologische spectrum.


*Foretelling the End of Capitalism. Intellectual Misadventures Since Karl Marx* (2)

Dit is de tweede post van de derde boeksamenvatting en -bespreking in de reeks Kapitalisme. Is het einde nabij?

In de eerste post over het boek van Francesco Boldizzoni: een vogelvluchtsamenvatting van de geschiedenis van voorspellingen over het einde van het kapitalisme van 1850 tot aan de Tweede Wereldoorlog.

1950’s – 1980’s

De jaren van vlak na de Tweede Wereldoorlog tot ergens einde de jaren 1960 zijn minder vruchtbare tijden voor voorspellers van het einde van het kapitalisme.

Het zijn de drie decennia van de Trente Glorieuses, een periode van ongekende economische groei (in het rijkere Westen), waarin het rauwe kapitalisme gebreideld en getemd leek te zijn. Planning en regulering waren wel degelijk mogelijk. Mensen konden de richting en het lot van de economie bepalen door berekende ingrepen. En dat weerlegde de thesis dat het kapitalisme onderhevig was aan onontkoombare wetten van de geschiedenis.

Voor die hard Marxisten waren het lastige tijden. De realiteit van het – weliswaar getemde – kapitalisme was dat het welvaart had gebracht. Dat was voor Marxisten, gaandeweg, “from uncomfortable to embarrassing” (p 117). Een aantal onder hen verlegden hun hoop voor de komende revolutie dan maar van het rijke Westen naar het armere Zuiden.

Maar de drang naar voorspelling bleek toch sterk genoeg. De protesten van 1968 en volgende jaren maakten, onder de intelligentsia alleszins, min of meer een einde aan de illusie van een maatschappij die dankzij groei en welvaart vrede kon nemen met zichzelf. In de tijdsgeest van de late jaren 1960, waarin er economisch niet al teveel te klagen was, verschoven ondergangsdenkers hun inspanningen van economische naar politieke en culturele analyse.

De Amerikaanse economist, diplomaat en ambtenaar Kenneth Galbraith (1908-2006) schilderde het kapitalisme af als een machine die consumentenvraag creëerde. De Duitse Frankfurt School formuleerde een bredere filosofische kritiek: de instrumentele rationaliteit van het kapitalisme leidde tot massaconsumptie en drong binnen in alle geledingen van de maatschappij, ook de niet-economische.

Herbert Marcuse (1898-1979) zag de industriële samenleving als totalitaire manipulator van onze noden. Ze kon alleen overleven door repressieve tolerantie. De opkomende groep van kenniswerkers was eigenlijk het nieuwe proletariaat. Daaronder was een subproletariaat ontstaan van mensen die niet meeprofiteerden van de economische groei.

De overgang naar socialisme kon voor Marcuse geen kwantitatieve evolutie zijn, met wat meer herverdeling hier en daar, maar moest een kwalitatieve sprong worden, die volledig brak met de economische, maar ook met de sociale, culturele, esthetische en ecologische fundamenten van het huidige systeem. Die revolutie, zo voorspelde Marcuse, zou nog wel even op zich laten wachten. De finale crisis van het kapitalisme zou best nog een eeuw kunnen duren.

In dezelfde trant, maar dan vanuit conservatieve hoek, zou de Amerikaanse socioloog Daniel Bell (1919-2011) midden de jaren 1970 wijzen op de culturele contradicties van het kapitalisme. De bourgeoiswaarden die het kapitalisme groot hadden gemaakt – discipline, uitgesteld genot, hard werk – hadden geleid tot een cultuur die net die waarden compleet verwierp.

De 1970’s, met de oliecrisissen, de vertragende groei en diepe recessies, maar ook met de steeds luidere waarschuwingen over een link tussen economische groei en de negatieve impact op het milieu, betekenden het einde van de Trente Glorieuses.

Sociaaldemocratische regeringen konden de onvrede over de gevolgen van recessies en vertragende groei niet de baas. Het pact tussen sociaaldemocratie en kapitalisme lag min of meer aan diggelen.

Het einde van de periode werd gemarkeerd door de verkiezingen van Ronald Reagan in de VS en van Margaret Thatcher (met The Road to Serfdom in haar handtas) in het Verenigd Koninkrijk. In Frankrijk moest François Mitterrand, die in 1981 president werd met de belofte om te breken met het kapitalisme, na twee jaar bakzeil halen.
De tegenbeweging die einde jaren 1960 begonnen was, liep stuk op een contrarevolutie.

1989 – 2019

De laatste periode die Boldizzoni in het boek behandelt, en die loopt tot vandaag (t.t.z., net vóór het uitbreken van de Coronacrisis), begint met de ophefmakende publicatie van de Japans-Amerikaanse politieke wetenschapper Francis Fukuyama, The End of History?

Het artikel, dat Fukuyama later uitwerkte in een bestsellerboek, verscheen, wellicht door een combinatie van geluk en goed inzicht, in de zomer van 1989, enkele weken vóór de val van de Berlijnse Muur.

Fukuyama’s thesis was dat de duizendjarige evolutie van economische, politieke en ideologische systemen tot een eindpunt was gekomen. Het kapitalisme en de liberale democratie hadden gewonnen.

Het was zodanig duidelijk dat het kapitalisme het “natuurlijke systeem” was, dat het niet meer nodig leek het systeem te analyseren, laat staan het einde ervan te voorspellen. Het begin van de 1990’s was in elk geval een naoorlogse laagconjunctuur in “end of capitalism”-voorspellingen.

end of capitalism ngram

In plaats daarvan brak een relatief korte hoogconjunctuur aan voor “post-kapitalisme” analyses. In de kennismaatschappij, die samen met het internet ontstaan was, waren de kenniswerkers de eigenaars van de productiemiddelen. En “as capital is within us, then how can it exploit us”, citeert Boldizzoni de Zweedse economisch historicus Jenny Andersson.

Bovendien had de scheiding tussen eigendom en controle over bedrijven, die al in de eerste helft van de 20ste eeuw was begonnen, zich verder doorgezet. Als vooral pensioenfondsen, en dus wij allemaal, eigenaar waren van bedrijven, dan leefden we in een kapitalisme zonder kapitalisten.

De echte bazen van de bedrijven, zo ging een andere analyse, waren de klanten. Voor werknemers betekende dat toch a much sweeter dictatorship (p 168).

Wat kon een sociaaldemocratie in identiteitscrisis hier nog tegenover stellen?

Het antwoord was de Third Way van Tony Blair, die van 1997 tot 2009 de Britse Eerste Minister was.

Die Third Way erkende dat het kapitalisme het enige werkbare systeem was, en stelde zich tot doel macht, welvaart en kansen zo breed mogelijk te verspreiden. Mensen zouden dan wel meer hun lot in eigen handen moeten nemen. De verzorgende, reactieve welvaartsstaat van de naoorlogse periode werd vervangen door wat Blair-volger Frank Vandenbroucke hier de actieve welvaartstaat doopte.

De tijd was zelfs rijp voor wat Boldizzoni “optimisten van het elfde uur” noemt (p 175). Hij haalt als voorbeelden Paul Collier aan (zie vorige boeksamenvatting en -bespreking in deze reeks), en Deirdre McCloskey’s (magistrale – FM) trilogie over Bourgeois Values.

McCloskey, zo noteert Boldizzoni een beetje smalend (McCloskey zal terugslaan met een nog smalender kritiek op zijn boek; zie volgende post) verdedigt het kapitalisme voor zijn economische superioriteit, maar meer nog voor zijn moraliteit en ethische waarden.

Het kapitalisme heeft ons betere mensen gemaakt. Niet alleen dat. De ongelijkheid, die voor nagenoeg alle anti-kapitalisten het probleem bij uitstek is, is geen probleem. Laat innovators en ondernemers doen, en de zo gecreëerde welvaart komt ons allemaal, inclusief de armen, ten goede.

Boldizzoni noemt dit *trickle-down” argument een “curious doctrine” (p 178).

Een andere verdedigingslinie, die populair werd tijdens de Grote Recessie na de bankencrisis van 2008-2009, is de stelling dat niet het kapitalisme het probleem is, maar corruptie en de buitensporige politieke invloed van de rijken: “(A)bsolving capitalism by separating economy from politics, and throwing the blame on the latter”. (p 180)

Volgende post: Boldizzoni’s analyse van het falen van voorspellers en van de staying power van het kapitalisme. Plus enkele bedenkingen en kritieken.


*Foretelling the End of Capitalism. Intellectual Misadventures Since Karl Marx* (1)

Dit is de derde boeksamenvatting en -bespreking in de reeks Kapitalisme. Is het einde nabij?

Wolfgang Streeck, How Will Capitalism End? (en deel 2) was het eerste boek. Paul Collier’s The Future of Capitalism (en deel 2) het tweede.

De auteur van Foretelling the End of Capitalism is de jonge Italiaanse historicus en sociaal wetenschapper Francesco Boldizzoni. Hij doceerde aan de universiteiten van Turijn en Helsinki en sinds 2019 is hij professor of Political Science aan de Norwegian University of Science and Technology.

Het boek hoort thuis in de reeks omdat het in een bevattelijke vogelvlucht een overzicht biedt van de geschiedenis van voorspellingen van het einde van het kapitalisme sinds het prille begin van dat genre tot vandaag.

Het programma is dubbel. Enerzijds wil Boldizzoni uit het historisch overzicht van voorspellingen van het einde van het kapitalisme inzichten halen waarom die voorspellingen tot nader order nooit uitgekomen zijn. Anderzijds wil hij die analyse gebruiken om ons begrip van het kapitalisme te verbeteren en om te begrijpen hoe het tot nu toe heeft kunnen overleven.

In dit eerst deel van de bespreking geef ik, opgesplitst in twee posts, een vogelvlucht van de vogelvlucht die Boldizzoni maakt. Het is, hoop ik, een handig overzicht van 160 jaar denken over het kapitalisme.

1850 – 1914

De term “kapitalisme” werd voor het eerst gebruikt in het midden van de 19de eeuw. Nagenoeg gelijktijdig ontstond het genre dat ook het einde van het kapitalisme voorspelde, of alleszins het verdere verloop.

Het bredere intellectuele klimaat was dat waarin het begin van de klassieke moderniteit samenging met de eerste analyses van die moderniteit, en waarin het vooruitgangsgeloof een tegengewicht vond in het zich afzetten tegen de moderniteit en een verheerlijking van een romantisch verleden en een betere tijd.

De Engelse filosoof John Stuart Mill (1806-1873), wiens Principles of Political Economy (1848) tot in 1919 het standaardhandboek Economie bleef aan de universiteit van Oxford, twijfelde eigenlijk heel zijn leven tussen socialisme, communisme, en een kapitalisme dat dan wel ingekaderd moest worden in een systeem dat zou zorgen voor gelijke kansen.

Hij zag het kapitalisme niet zozeer eindigen als wel evolueren naar een stationaire toestand, waarin groei niet meer nodig of gewenst zou zijn. Zowel om morele redenen als om (avant la lettre) milieuoverwegingen zou dit een ideale toestand zijn.

Voor Karl Marx (1818-1883) zou het kapitalisme weggevaagd worden in een evolutie die ingeschreven stond in de ijzeren wetten die de loop van de geschiedenis bepalen. De combinatie van een concentratie en een teveel aan productiemiddelen, en een dalende winst aan de ene kant en een uitgebuite massa zonder voldoende koopkracht aan de andere kant zou het systeem doen kraken in zijn voegen. Een proletariaat dat tot klassenbewustzijn zou komen, zou de doodsteek geven en, na een revolutie, een systeem installeren waarin de productiemiddelen collectieve eigendom zouden worden.

Mill en Marx zagen beiden de rauwe kanten van het kapitalisme van het midden van de 19de eeuw. Het was het einde van de eerste Industriële Revolutie; de tweede stond eraan te komen. Ze vermoedden beiden wel dat het systeem nog een tijd lang groei en hogere welvaart zou brengen. Maar ze onderschatten ook de rol van innovatie en technologie, waarvan de impact op de welvaart veel groter zou zijn en meer algemeen dan ze tijdens hun leven hadden kunnen meemaken of hadden vermoed.

Naarmate tegen het einde van de 19de eeuw die impact wel duidelijker werd, rezen ook twijfels over het voorspelde snelle einde van het kapitalisme.

Die twijfel leidde tot drie reacties.

De eerste voerde aan dat de technische vooruitgang, en de globalisering, louter veiligheidskleppen waren die de druk maar tijdelijk van de kapitalistische ketel zouden nemen. Marx’ ijzeren wetten over het verdere verloop van de geschiedenis zouden zich nog wel doen gelden.

De tweede reactie gaf schoorvoetend toe dat het kapitalisme misschien niet ondermijnd zou worden door zijn inherente economische contradicties. Maar het einde moest dan maar bewerkstelligd worden door politieke wilsdaden.

Kapitalisme is een blijver, vond de derde reactie. Maar in plaats van het systeem revolutionair omver te werpen, werken we beter aan graduele veranderingen en verbeteringen. Uit die reactie, die begon met de Fabian Society, opgericht in 1884 in Londen, ontstond de sociaaldemocratie.

Min of meer gelijktijdig ontstond ook een lijn die de analyse en de kritiek op het kapitalisme begon te ontwikkelen in een breder, sociologisch kader (niet dat Marx dat ook al niet voor een deel gedaan had).

De Duitse “vader van de sociologie” Max Weber (1864-1920) stelde een theorie voor waarin de geest van het kapitalisme oorspronkelijk ontwikkeld was vanuit de protestantse ethiek, die de burger aanzette tot zuinigheid en hard werk. Maar die band met de religieuze origine werd gaandeweg losser. Parallel met het historisch proces van rationalisering en efficiëntiedenken werd de geest van het kapitalisme er een van bureaucratische routine en machineproductie, die wel voor stijgende welvaart zorgde, maar waarin alle geledingen van de maatschappij gevangen zaten als in een ijzeren kooi.

Over de toekomst van het kapitalisme was Weber onzeker. Tegen het einde van zijn leven zag hij een tijdperk dat onvermijdelijk nog lang kapitalistisch zal blijven. Marx’ voorspelling over de ondergang van het kapitalisme en de komst van de klasseloze maatschappij vergeleek hij met de christelijke leer over het Laatste Oordeel: geen logisch of wetenschappelijk verhaal, maar wel een dat mensen houvast kon bieden.

Tussen de twee Wereldoorlogen

Aan de gebeurtenissen tussen de twee Wereldoorlogen hadden voorspellers van het einde van het kapitalisme meer dan een kluif.

Toonden de Eerste Wereldoorlog en de crash van 1929 en de daaropvolgende Grote Depressie niet aan dat het kapitalisme op zijn laatste benen liep? Of zat er in de New Deal, het fascisme en Sovjet dirigisme een gemeenschappelijke onderstroom naar convergentie tussen een ongebreideld kapitalisme en communisme, of alleszins een meer geplande economie?

De evolutie van de organisatie van het bedrijfsleven sinds de tweede helft van de 19de eeuw leek die convergentiethesis trouwens voor een stuk te bevestigen.

In het commerciële kapitalisme van de 19de eeuw was het de regel dat eigenaars managers waren, en managers eigenaar. Einde 19de eeuw, begin 20ste eeuw zorgde technologie ervoor dat productie en distributie op veel grotere schaal konden gebeuren. Daarvoor waren grote sommen geld nodig, die vaak geleverd werden door externe financiers en later door grote groepen kleinere aandeelhouders.

De schaalvergroting zorgde bovendien voor steeds meer concentratie en in een aantal sectoren zelfs voor monopolies. De voorspelling van Marx dat kapitalisten-ondernemers elkaar kapot zouden concurreren, werd daardoor minder waarschijnlijk. Maar vooral: er kwam een scheiding tussen eigendom en controle. Het waren nu de gehuurde managers, niet de eigenaars, en niet de markt, die voor een groot deel de structuur en de gang van de economie bepaalden.

Dit managementkapitalisme voedde speculaties over de convergentie van kapitalisme en socialisme in een Weberiaans bureaucratisch collectivisme.

Niet alleen in het bedrijfsleven, ook in de politieke organisatie van de economie werd er nagedacht over hoe de zichtbare hand van regulering en planning de instabiliteit kon remediëren.

John Maynard Keynes (1883-1946) is hier de sleutelfiguur. Vooral omdat hij dacht en schreef vanuit een dubbele horizon.

De problemen van de korte en middellange termijn pakte hij aan als economist. Het Keynesianisme, dat bijzonder invloedrijk zou zijn voor de New Deal en nog meer in de decennia na de Tweede Wereldoorlog, was in se een poging om het kapitalisme van zichzelf te redden, door er een gemengde economie van te maken met een belangrijke rol voor de overheid.

Op lange termijn dacht Keynes als moraalfilosoof. In het korte en zeer leesbare essay Economic Possibilities for Our Grandchildren vatte hij zijn ideeën samen.

Rond 2030 (binnen een kleine 9 jaar dus) zou volgens Keynes het economisch probleem opgelost zijn. Door de stijging van de productiviteit zouden we onze basisnoden gemakkelijk kunnen vervullen, en een levensstandaard bereiken die “vier tot acht maal hoger is” dan die van 1930. Ook aan de drang om onze relatieve noden – het streven naar status – te vervullen, zou een einde komen.

The love of money as a possession … will be recognised for what it is, a somewhat disgusting morbidity, one of those semi-criminal, semi-pathological propensities which one hands over with a shudder to the specialists in mental disease.

In plaats daarvan zouden we ons kunnen overgeven aan het goede leven, in een werkweek die nog maar 15 uur zou bedragen.

De Oostenrijks-Amerikaanse economist Joseph Schumpeter (1883-1950) geloofde niet in die stationaire toestand die Keynes en ook Mill voorspeld hadden. Een hogere levensstandaard zou onze noden en verlangens immers doen toenemen en er nieuwe creëren.

Hij voorspelde wel het einde van het kapitalisme. Niet door periodieke en lokale crisissen. Die waren het gevolg van de creatieve destructie waarmee het kapitalisme zichzelf voortdurend vernieuwde en die voor innovatie en welvaart zorgden.

Het kapitalisme zou aan zijn einde komen doordat het een mentaliteit en levensstijl creëerde die zijn eigen fundamenten ondergroef. Het managementkapitalisme maakte een einde aan de rol van de entrepreneur, die net de motor was van de creatieve destructie. Zelfs in de mate dat de creatieve destructie wel nog zou werken, kon het kapitalisme geen case maken. Niet rationeel – wie liet zich overtuigen door het vooruitzicht van een beter leven binnen 100 jaar, zoals Keynes voorspeld had? – en niet emotioneel, want het berekenende kapitalisme schakelde net elke emotionele gehechtheid uit.

Maar het was vooral de vijandige rol van steeds meer intellectuelen tegenover het kapitalisme die de doodsteek zou geven. Om een actieve vijandigheid tegenover een sociale orde te creëren, heb je immers een groep nodig die er belang bij heeft om wrok op te wekken, te organiseren, te verwoorden en aan te wakkeren. Liefst heeft die groep ook niet teveel verantwoordelijkheid voor praktische zaken. Deze groep, zegt Schumpeter, zijn de intellectuelen, die net aan het kapitalisme voor een groot deel hun bestaan als min of meer aparte groep te danken hebben.

Een paar dagen voor zijn dood concludeerde Schumpeter in een speech: “Marx was wrong in his diagnosis of the manner in which capitalist society would break down; he was not wrong in the prediction that it would break down eventually.

De convergentietheorie leek dus de overhand te halen in de periode tussen de twee Wereldoorlogen. Tijdens en naar het einde van de Tweede Wereldoorlog dook wel een ongemakkelijke waarheid op – de eerste berichten over de wreedheden van het Stalinisme – en een even ongemakkelijke interpretatie – dat fascisme misschien niet het tegendeel was van socialisme, maar er net een uitdrukking van. Maar die werden grotendeels onder de mat geveegd.

Friedrich Hayek (1899-1992) publiceerde in 1944 wel The Road to Serfdom, waarin hij waarschuwde dat planningsdrang zou leiden naar totalitarisme. Maar die waarschuwing verdween min of meer in de kast tot enkele decennia later.

De economische historicus en antropoloog Karl Polanyi (1886-1964), die in het boek van Boldizzoni merkwaardig genoeg maar zijdelings aan bod komt, haalde de bovenhand met zijn analyse dat het kapitalisme de maatschappij had overgenomen die het had moeten dienen. Polanyi betoogde dat regulering en controle wel konden leiden naar vrijheid voor allen, en dat een gemengde economie kon werken in een democratische context.

En dit was inderdaad wat zou gebeuren in de decennia na de Tweede Wereldoorlog.

Volgende post: 1960’s – 1980′s en 1989 – 2019


*Working Backwards. Insights, Stories and Secrets from Inside Amazon*

De meeste managementboeken kunnen op vijf pagina’s samengevat worden en zijn gebaseerd op een of enkele ideeën waarvan de auteur hoopt dat ze uitgroeien tot de volgende buzz.

Working Backwards is niet gebaseerd op ideeën, maar op de praktijk die Amazon gemaakt heeft van een eenmans-startup in 1995 tot het bedrijf dat, in 2015, sneller dan welk bedrijf in de geschiedenis een omzet haalde van 100 miljard dollar. In 2020 realiseerde Amazon een omzet van 386 miljard dollar en was het gegroeid tot 1.2 miljoen (!) werknemers, van wie meer dan 400,000 begonnen in het Coronajaar.

De auteurs, Colin Bryar en Bill Carr, hebben samen 27 jaar bij Amazon gewerkt op topposities. Bryar was onder meer de technische adviseur van Jeff Bezos, een job waarin hij als Jeff’s shadow dag in dag uit met de oprichter en CEO van het bedrijf meeliep. Carr werkte onder meer als vice president aan de opstart van de verkoop van digitale muziek en video.

Working Backwards kan dus echt leveren wat de ondertitel belooft: inzichten van achter de schermen in hoe Amazon echt werkt. (Misschien moeten we de secrets uit de ondertitel met een korrel zout nemen)

In het eerste deel van het boek, Being Amazonian, beschrijven de auteurs de redelijk beperkte set van soms verbazend simpele strategie- en managementprincipes die aan de basis liggen van het succes van Amazon.

In het tweede deel illustreren ze hoe die basisprincipes werken met de verhalen van de opstart van enkele Amazon-producten (Kindle, Prime, Prime Video en AWS), inclusief enkele mislukkingen en moeilijke opstartperiodes.

Een van de inzichten uit het boek is alleszins dat het succes van Amazon niet vanzelfsprekend is. Het bedrijf dreigde in het eerste decennium van deze eeuw de opkomst van digitale-mediaproducten te missen. Prime Video, Kindle en de andere digitale producten zijn er gekomen na een hobbelig parcours, in een heel concurrerende markt, waarin Amazon zeker niet de eerste was (dat was Apple), en door koppig vast te houden aan de basisprincipes en de langetermijnvisie.

AWS (Amazon Web Services) richtte zich op andere klanten in een gans andere markt dan die waar Amazon sterk in was. In vrijwel elk ander bedrijf zou het idee afgewezen zijn als “niet onze core business“. Vandaag is Amazon met AWS marktleider, en realiseert de afdeling in haar eentje meer dan 10 miljard dollar omzet.

Twee belangrijke vragen:

Zijn de basisprincipes van Amazon kopieerbaar in andere bedrijven en organisaties? De auteurs beweren van wel (en runnen tegenwoordig een consultancybedrijf dat net dat probeert te doen). De principes zijn in elk geval eenvoudig genoeg. Maar wat uit de verhalen in het boek vooral blijkt, is dat je een uitzonderlijk koppige, en wellicht ook slimme CEO nodig hebt die zowel met de brede strategie als met de details bezig is, en die bereid is de basisprincipes dag in dag uit toe te passen, tegen algemeen aanvaarde opvattingen, tegen meningen van buitenstaanders en, vaak genoeg, tegen de eigen collega’s in. Jeff Bezos, zo blijkt uit de vele anekdotes in het boek, is zo’n CEO.

Wat ons bij de tweede vraag brengt. In welke mate is het (blijvend) succes van Amazon te danken aan Bezos? Hoe belangrijk is de Jeff-factor? Het boek kwam uit vlak vóór Amazon, in februari van dit jaar, bekend maakte dat Bezos in het derde kwartaal van dit jaar een stap opzij zet als CEO. Hij wordt opgevolgd door Andy Jassy, nu nog CEO van AWS, en voordien onder meer ook Jeff’s shadow, de job waarin hij opgevolgd werd door een van de auteurs van het boek.

Het wedervaren van Amazon zonder Bezos wordt een bijna even interessante casestudie als die van het succes van de eerste 25 jaar.

Grote bedrijven, en zeker de grote tech-bedrijven, liggen nogal eens onder vuur bij een deel van de intelligentsia en opiniemakers. De kritieken (die in dit boek niet aan bod komen) moeten zeker een element zijn in het debat over de rol van bedrijven in de samenleving.

Maar kan je jezelf een hedendaagse intellectueel, of zelfs maar geïnteresseerde mens noemen, en niet minstens geïntrigeerd zijn door het uitzonderlijk succes van een bedrijf als Amazon? Al is het maar omdat dat succes een licht werpt op een breder maatschappelijk fenomeen als de opkomst van e-commerce.

Kan het verhaal van Working Backwards dan misschien ook een element zijn in het debat? Als aanvulling op, bijvoorbeeld, de nogal kortademige kritiek van politiek wetenschapper Stan De Spiegelaere, onder meer onderzoeksdirecteur bij Uni Europa, de Europese koepel van werknemers uit de dienstensector, die Amazon beschrijft als een Panopticon.

De premisse van De Spiegelaere: “Was Amazon een land, dan waren we al lang tussengekomen“. Tja, wat moeten we daarmee? Amazon is geen land, he; het is een bedrijf.

Maar Working Backwards is dus in eerste instantie een praktisch managementboek. En in dat genre is het een van de betere.

Raker dan Tyler Cowen kan ik mijn appreciatie niet verwoorden:

A truly good and very substantive management book (I hear your jaw hitting the floor). Just that statement makes it one of the best management books ever. Really.


* The Future of Capitalism* (2)

Tweede deel van de bespreking van The Future of Capitalism van Paul Collier. Hier is het eerste deel. Nog een drietal boeken te gaan in de reeks Kapitalisme: Is het einde nabij?

The Future of Capitalism presenteert zich als een pragmatisch en “coherent package of remedies that address our new anxieties”. (p 18) Het hoofdprogramma is een herstel van de ethiek van wederkerige verplichtingen. Collier wijdt aparte hoofdstukken aan voorstellen om die ethiek te herstellen in de drie arena’s die ons leven domineren: staat, bedrijven en families.

Voor elk van die drie arena’s betekent het herstel volgens Collier een terugkeer naar een (veronderstelde) ideale, of alleszins alles-was-betere toestand.

Voor de staat is dat de sociaaldemocratie van de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog. Die sociaaldemocratie is echter gekaapt door het front van Utilitaristen en Rawlsiaanse advocaten (zie deel 1 van de bespreking), waardoor de ethische staat geleidelijk veranderde in de paternalistische staat. (p 49-50)

In die paternalistische staat ging het gevoel van gedeelde identiteit verloren dat noodzakelijk is voor een structuur van wederzijdse verplichtingen. We moeten dus weer op zoek naar een gevoel van gedeelde identiteit. Een terugkeer naar het nationalisme? Dat zal niet werken. Want de argwaan, en zelfs het misprijzen van Utilitaristen en Rawlsianen voor nationalisme is ten dele terecht: het kan soms toxisch zijn; en het wordt ook misbruikt door de populisten.

Dus is de vraag:

Is it possible to forge bonds that are sufficient for a viable polity yet not dangerous? This is the central question that has to be addressed in social science. On its answer rests the future of our societies.” (p 62)

Kunnen we die gedeelde identiteit opbouwen rond gedeelde waarden? Dat lijkt de weg die veel politici en beleidsmakers gekozen hebben (bijvoorbeeld in het immigratiedebat). Maar in de moderne samenleving zijn er zoveel verschillende waarden dat je ofwel een dunne spoeling krijgt, ofwel een basis voor uitsluiting.

De oplossing ligt volgens Collier in een revival van het patriotisme, als een gevoel van aanhankelijkheid aan een plaats, een regio. Met deze tactiek, die de Franse president Macron succesvol toepaste in 2017 (door zich te profileren als patriot in plaats van als nationalist – Collier schreef het boek in 2018, toen Macron nog niet teveel van zijn pluimen verloren had), kunnen we de sense of belonging heroveren op de nationalisten.

Voor bedrijven vindt Collier de alles-was-betere toestand in de coöperatieven en mutualiteiten van eind 19de, begin 20ste eeuw. In het huidige systeem van corporate governance zijn het enkel de eigenaars (aandeelhouders) die de wettelijke controle over een bedrijf uitoefenen. De weg naar ethischer bedrijven ligt in de uitbreiding en het opnieuw in evenwicht brengen van de diverse belangen die de wettelijke controle over bedrijven uitoefenen. Het algemeen belang zou op een of andere manier een vertegenwoordiging moeten krijgen in het bestuur van bedrijven.

Maar bovenal, vindt Collier, ligt er een taak bij de burgers: “Once a society has enough citizens who understand the proper purpose of companies, and have accepted is as a norm, we ourselves become the anchors of good corporate behaviour.” (p 93)

De alles-was-betere toestand van families lag in de uitgebreide ethische familie, waarin normen van wederzijdse verplichtingen stevig verankerd waren. Die is echter in een paar generaties geleidelijk vervangen door de nucleaire familie, het modelgezin dat we nu kennen.

In die nucleaire familie zijn er grote verschillen tussen families van hoogopgeleiden, waar normen van wederkerigheid vaak wel nog gelden, en families van laagopgeleiden. De verschillen, die doorgegeven worden van generatie op generatie, uiten zich in wijd uiteenlopende percentages van eenoudergezinnen, echtscheidingen en buitenechtelijke geboorten. Ze worden nog versterkt doordat laagopgeleiden vaak het slachtoffer zijn van de creative destruction en de globalisering, die wel de economie doen groeien, maar hen achterlaat met jobs zonder voldoening, of zonder job.

Collier beseft wel dat het wellicht niet doenbaar is de uitgebreide ethische familie te herstellen. Een deel van de oplossing komt misschien wel uit het feit dat we langer leven. Families zijn wel horizontaal gekrompen, maar groeien nu verticaal, door de generaties. De familiepatriarchen en -matriarchen zouden een rol kunnen spelen in het herstel van normen van wederzijdse verplichtingen.

Moedertje Staat

Met de (herstelde) praktische gemeenschapsethiek als fundament doet Collier in het derde deel van het boek (Restoring the Inclusive Society) een reeks praktische voorstellen om de kloven die onze maatschappij verscheuren te dichten.

Voor de Utilitaristen en Rawlsianen waartegen Collier in het boek ten strijde trekt, liggen de oplossingen voor de kloof tussen de having it all families en de falling apart families in wat Collier sociaal paternalisme noemt. Maar dat heeft gefaald: de staat kan niet in de plaats van de familie komen.

Collier stelt als alternatief sociaal maternalisme voor (p 21, 155, 190): een beleid waarbij de staat zorgend inspringt waar het het meest toe doet: gratis voorschoolse opleiding, mentorschap voor kinderen, ondersteuning van gestresste gezinnen. De ingrepen zullen vaak gebeuren in samenwerking met of zelfs op initiatief van sociaal ondernemers en middenveldorganisaties.

Maar dat sociaal maternalisme komt wel met a hard edge (p 190): het vraagt redelijke inspanningen van de having it all. Niet met blinde herverdeling door steeds toenemende belastingen; die zou het tekort aan (inkomen uit) zinvolle jobs enkel accentueren. De hard edge bestaat onder meer uit pragmatische belastingingrepen die vooral rente (onverdiende en onnodige winsten) wegbelasten.

Een interessante piste is het voorstel dat Collier uitwerkte om de kloof tussen de bloeiende metropolis en de achtergebleven provincie te dichten. Eigenaars van gronden in de metropolis “profiteren” van een metropolis-effect waarvoor ze niet gewerkt hebben: hun gronden worden meer waard naarmate de metropolis aantrekkelijker wordt. Het wegbelasten van die meerwaarde is een belasting die zowel efficiënt is (het wegbelasten van rente heeft als voordeel dat het doorgaans geen invloed heeft op de beslissing om te werken of te ondernemen) als ethisch verantwoord.

Dit zal echter niet voldoende zijn. Het positief metropolis-effect vloeit tegenwoordig voor een groot deel naar hoogopgeleide jongeren die, vaak nog single, hun loopbaan starten in de metropolis, waar ze het meest kunnen verdienen. Maar dat surplus (tegenover wat ze in de provincie zouden kunnen verdienen) is niet enkel hun eigen “verdienste” (hoe graag ze dat ook verdedigen). Het wordt mee mogelijk gemaakt door de publieke goederen die de metropolis biedt. Als we de metropolis-rente kunnen afromen met belastingen, zouden de hoogopgeleiden nog altijd meer verdienen (omdat ze productiever zijn), maar zou het “onverdiende” deel van hun inkomen kunnen dienen om te investeren in de achtergestelde provincie.

Een toekomst voor het kapitalisme?

Hebben we nu wat de titel van het boek belooft? Een toekomst voor het kapitalisme?

Mwa …

Collier belooft een coherent package of remedies that address our new anxieties, met het uitgangspunt dat “capitalism needs to be managed, not defeated” Maar betekent dit dat hij op 231 pagina’s een volledige, de enige juiste lijst aanbiedt waarmee we het kapitalisme niet alleen kunnen redden en managen, maar het ook ethisch maken? Het ultieme recept? Of is het een onvolledig Chinees menu? Dat wordt nergens echt duidelijk.

Men kan zeggen dat Collier moedig is, omdat hij tenminste met een lijst van haalbare voorstellen komt. Zelf gaat hij prat op zijn pragmatisme, waarmee hij naar eigen zeggen uit het vaarwater van zowel ideologen als populisten blijft. Maar, zoals Branko Milanovic terecht opmerkt in een goede bespreking van het boek (deel 2): pragmatisme is een ideologie als een ander. Het is ook misplaatst om te beweren dat je als pragmatist wars bent van elke ideologische invloed.

En als je dan pragmatist bent (én academicus), dan onderbouw je dat toch beter dan door enkele schaarse verwijzingen naar Charles Peirce of Adam Smith en David Hume (geen John Dewey of Richard Rorty, die als pragmatisten veel meer te zeggen hebben dan Peirce over politieke economie?).

Het zijn misschien detailopmerkingen, gegeven het doel van Collier om een kort boek te schrijven voor een groot publiek over een zeer breed onderwerp. Maar de keuzes die Collier maakte, leiden wel meer tot nogal dunne redeneringen, nauwelijks gestaafde beweringen, en karikaturen van het hedendaags kapitalisme, die enkel moeten dienen om zijn punt te maken.

Wellicht in zijn doel om het boek kort en bevattelijk te houden, heeft Collier bijvoorbeeld heel weinig gezegd over globalisme, of over de opkomst van China. Dat is verbazend gezien zijn achtergrond als ontwikkelingseconoom. Het heeft geleid tot een verhaal dat Euro- en VS-centrisch is.

De gebeten honden in het verhaal van Collier zijn de Utilitaristen en de “Rawlsiaanse advocaten”. Als we hun invloed kunnen counteren, zijn we op weg naar een betere wereld.

Daarom is het bizar dat Collier eigenlijk nergens goed uitlegt waar die Rawlsiaanse advocaten nu juist voor staan. Hij verwijst ergens (p 203) naar Hillary Clinton als archetype van zo’n Rawlsiaan. Maar ik vermoed dat dat voor de gemiddelde lezer niet veel verheldering brengt. (En voor de academici: de link die Collier legt tussen Rawls en identity politics is problematisch, niet?)

Het sociaal maternalisme dat Collier voorstelt als alternatief voor het sociaal paternalisme van de Utilitaristen en Rawlsianen blijft toch ook wat vaag en zelfs wollig. Voor zover ik kan nagaan, is het begrip na het verschijnen van het boek ook niet erg wijd opgepikt.

Het leidmotief van het boek is “herstel”. Impliciet, en vaak ook expliciet verwijst Collier daarmee naar een veronderstelde betere tijd. Maar wanneer was die tijd dan? En waarin was die dan beter?

Voor de sociaaldemocratie zoals Collier die zou willen herstellen, zijn dat de Trente Glorieuses, de periode van dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog. Maar alvast voor Groot-Brittannië, dat Collier toch het meest gebruikt als referentie, en louter op basis van economische groei, was die periode toch niet zo glorieus.

Groot-Brittannië begon die periode als een van de rijkste landen in West-Europa, gemeten in BBP per capita. Dertig jaar later was het land gegroeid met 112 procent. Niet slecht, maar het had zich wel laten bijbenen of voorbijsteken door België (+ 186%), Frankrijk (+ 227%), Duitsland (+321%) en zelfs Italië (386%).

Collier zou tegenwerpen dat het niet louter om de cijfers gaat, maar vooral om het sociale en politieke klimaat. De periode 1945-1975 was er inderdaad een waarin veel mogelijk leek en was. Maar was het toen op alle vlakken echt zoveel beter? Veel mensen voelden zich misschien inderdaad meer geborgen in de uitgebreide ethische familie. Maar er was toch ook veel onderhuidse en openlijke onderdrukking. In zijn hunkering naar de idyllische uitgebreide ethische familie zegt Collier nog net niet dat we zouden kunnen overwegen om moeder weer aan de haard te laten.

De ongelijkheid tussen landen in de wereld is in de periode waarin het volgens Collier allemaal is beginnen mislopen, net hard afgenomen.

Citizens ceased to be moral actors with responsibilities” (p 11) Maar wanneer en hoe waren ze dat dan wel in zo onvergelijkbaar betere mate? Als we de ethics of community moeten herstellen, naar welke historische toestand moeten we dan volgens Collier terugkeren?

En hoe?

In het hoofdstuk over het herstel van het ethisch bedrijf komt Collier met een ultiem recept: “We need to build a critical mass of ethical citizens” (p 95)

Ja, zo kan ik ook een toekomst uittekenen voor een weldadig kapitalisme. We moeten dus gewoon allemaal ethische burgers worden. Dat we daar nog niet aan gedacht hadden.


*The Future of Capitalism*

Tweede boek in een reeks over het einde van het kapitalisme, vraagteken, die hier bijna een jaar geleden veelbelovend startte. Tot nu toe was ik dus niet verder geraakt dan het eerste boek op de lijst, How Will Capitalism End? van Wolfgang Streeck (deel twee van de bespreking).

Het is alvast tekenend voor de staat van het denken over het kapitalisme dat twee gestudeerde mensen, de Duitse economische socioloog Streeck, en de auteur van The Future of Capitalism (2018), de Oxford-economist Paul Collier, tot zulke uiteenlopende conclusies en perspectieven komen.

Streeck is de bittere (onheils)profeet, die het kapitalisme sociologisch analyseert vanuit het ideologische machtsspel tussen groeps- en klassenbelangen. In de traditie van Marx dus. Voor Streeck is er geen hoop en is welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Het kapitalisme is gedoemd, omdat het altijd al gedoemd was. Het zal sterven aan een overdosis van zichzelf.

Collier’s The Future of Capitalism vertrekt niet alleen vanuit een veel positievere visie op het kapitalisme en zijn historische verwezenlijkingen – “(F)ar from being the barrier to mass prosperity, capitalism was essential for it … accepting capitalism is not doing a deal with the devil … (T)hat is the agenda: capitalism needs to be managed, not defeated.” (p 17-18 (verwijzingen zijn naar de 2019 Penguin editie)). En: “Modern capitalism has the potential to lift us all to unprecedented prosperity“. (p 25) – het boek wil ook een hoopvol perspectief bieden – “We can do better: we once did so, and we can do it again” (p 215, de laatste zin van het boek)

Maar dat hoopvol perspectief kan enkele gerealiseerd worden als we op een slimme manier herstellen wat stuk is aan het kapitalisme.

De analyse die Collier maakt van wat hij de crisis van het kapitalisme noemt, is niet nieuw, al legt hij wel eigen accenten. Hij vat zijn analyse samen onder de uitdrukking New Anxieties: de nieuwe angsten die ontstaan door de diepe en groeiende kloven die onze maatschappij verscheuren.

De kloven gapen tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden (en hun families), tussen de metropolis en de provincie, tussen de overheid en de burgers, en tussen rijke en arme landen.

Collier geeft zijn analyse een persoonlijke toets door op enkele plaatsen in het boek het verhaal te vertellen van zijn nichtje Sue. Paul en Sue zijn op dezelfde dag geboren. Beiden waren ze kinderen van laagopgeleide ouders. Sue’s vader stierf toen zij veertien was. Zij werd tienermoeder. Paul studeerde en bouwde een succesvolle loopbaan uit. De dochters van Sue zijn ondertussen ook tienermoeder. Pauls dochter haalde een beurs voor een van de topscholen in Groot-Brittannië.

Die verschillen in levensloop tussen hoogopgeleid en laagopgeleid vind je miljoenen keren terug in Europa en de VS.

De hoogopgeleiden zijn geen kapitalisten, noch gewone werknemers. Dankzij hun kennis, vaardigheden en netwerken hebben ze zich wel geïnstalleerd als de nieuwe klasse die nog profiteert van het kapitalisme. Ze voelen zich niet alleen cultureel en sociaal superieur aan de laagopgeleiden, maar ook moreel: zij kunnen het zich immers veroorloven om begrip en zelfs bezorgdheid op te brengen voor minderheids- en achtergestelde groepen. Ze vertrouwen elkaar en de overheid. (p 3-4)

De laagopgeleiden hebben zinvolle jobs verloren zien gaan en zien soms zelfs hun levensverwachting dalen. Voor hen “capitalism’s core credential of steadily rising living standards for all has been tarnished.” (p 4)

De onvermijdelijke reacties van wrok en angst, en het verlies aan vertrouwen, hebben geleid tot de politieke muiterijen van Brexit en Trump. Die populisten sprongen in het politieke gat dat ontstond doordat de sociaaldemocratie, die ontstaan was op het einde van de 19de eeuw en haar hoogtepunt kende in de Trente Glorieuses van 1945 tot 1975, haar ziel verkocht aan middenklasse intellectuelen.

De ziel van de sociaaldemocratie was de ethiek van praktische wederkerigheid van rechten en plichten van mensen die zich herkenden in gemeenschappen.

De denkbeelden van middenklasse intellectuelen kwamen in twee versies, die elkaar voor een goed deel versterkten.

Enerzijds waren er de Utilitaristen. Onder invloed van de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) koppelden zij ethiek los van individuele en communautaire waarden en gevoeligheden en stelden ze het rationeel principe “het grootste geluk voor het grootste aantal” in de plaats. Economisten hielpen hen door een calculus voor dat grootste geluk en het grootste aantal voor te stellen, vertrekkend van de individueelste homo economicus.

Het gevolg was dat: “All moral obligations floated up to the state … Citizens ceased to be moral actors with responsibilities.” (p 11) Het communitarisme van wederkerige rechten en verplichtingen werd vervangen door het sociaal paternalisme van de staat.

De tweede groep middenklasse intellectuelen heeft ook haar filosoof: de Amerikaan John Rawls (1921-2002). Zijn rationeel principe is dat een samenleving moreel moet worden beoordeeld op basis van de vraag of haar wetten werken ten behoeve van de meest achtergestelde groepen. Op basis van dat principe ontstonden bewegingen voor inclusie, bevoorrechte behandeling en positieve discriminatie die, aldus de analyse van Collier, verhardden in groepsidentiteiten die elkaar als vijanden zagen. (p 13)

Overigens kwam zowel Links als Rechts onder invloed van deze denkbeelden, elk met andere accenten:
(T)he morally meritocratic elite of the left [eerder Rawls] vied with the productively meritocratic elite of the right [eerder Bentham]. The superstars of the left became the very good; those of the right became the very rich.” (p 15)

Dus: ja, kapitalisme heeft het potentieel om ons allen ongeziene welvaart te brengen, maar “it is morally bankrupt and on track for tragedy. Human beings need a sense of purpose and capitalism is not providing it.” (p 25)

Gegeven deze analyse liggen Collier’s oplossingen voor de hand:

  • De nieuwe kloven en nieuwe angsten zijn anders dan die van vroeger. Het zijn complexe fenomenen waarvoor de oude ideologieën geen oplossingen hebben
  • We moeten naar een herstel van de ethiek van wederkerige rechten en plichten vanuit het collectieve, in plaats van het individuele
  • Daarbij moeten we ten strijde trekken tegen wat Collier steevast het front (vanguard) noemt van Utilitaristen en Rawlsiaanse advocaten
  • De oplossingen liggen niet in ideologie, maar in het pragmatisme van Adam Smith en David Hume. “All the policies proposed in this book are pragmatic.” (p 6)

Collier’s programma is dus een (pragmatische) herstelbeweging: een herstel van de ethiek in het algemeen (hoofdstuk 2), en van de ethische staat, het ethisch bedrijf, de ethische familie en de ethische wereld (hoofdstukken 3-6); van de inclusieve samenleving, door de kloven te dichten tussen metropolis en provincie, tussen klassen, en tussen arme en rijke landen (hoofdstukken 7-9); en uiteindelijk, het herstel van een inclusieve politiek (hoofdstuk 10).

Volgende post: Collier’s oplossingen; en enkele kritieken.


De boekenbeurs is geen koekjesfabriek?

In de strubbelingen rond de zieltogende Boekenbeurs en haar failliete eigenaar Boek.be wilde Jos Geysels, voorzitter van het BoekenOverleg er deze week in De Standaard aan herinneren dat “de Boekenbeurs met haar traditie van 83 jaar niet alleen een groot commercieel, maar ook cultureel-maatschappelijk belang heeft. Het is geen koekjesfabriek.”

Je zal dan maar manager of eigenaar zijn van een goed draaiende koekjesfabriek.

Delacre bijvoorbeeld. De kiem van dat bedrijf werd gelegd door stamvader Charles Delacre in 1872 met een chocoladefabriek. In 1891, zo prijkt nog steeds op het logo, produceerde Delacre zijn eerste koekje. In de tweede helft van de 20ste eeuw veroverde Delacre de Europese markt en vestigde het bedrijf zich ook in de VS.

In 1998 werd Delacre overgenomen door United Biscuits en in 2016 door het Italiaans-Belgische Ferrero (Nutella, Kinder, Tic Tac, …). Eind 2014, het laatste jaar waarvoor cijfers bekend zijn, werkten 296 mensen voor Delacre in België en draaide het bedrijf een omzet van zowat 120 miljoen euro.

Of beter nog: Lotus. Dat bedrijf bleef in familiehanden sinds het werd opgericht door Jan Boone senior in 1932. Het realiseerde in 2020 met meer dan 2,000 werknemers een omzet van 663 miljoen euro en een nettowinst van 86 miljoen euro. Lotus produceert vandaag in twaalf fabrieken, waarvan vier in België, zes in andere Europese landen, een in Zuid-Afrika en een in de VS, en verkoopt in een zeventigtal landen.

Wie in 2002, het jaar dat Lotus voor het eerst op Euronext noteerde, 100 euro zou geïnvesteerd hebben in het bedrijf, zou vandaag 14,360 euro hebben.

Je wordt er een beetje droevig van dat een sympathieke man als Jos Geysels zich meent te moeten profileren met een onbedoelde sneer naar een sector waar hij en het boekenvak veel van zouden kunnen leren. Het komt er bijna automatisch uit in kringen waar zulke uitlatingen moeten bewijzen dat je tot de club behoort.

Boeken en koekjes zijn alletwee sympathieke producten. Maar de boekensector in België wordt slecht bestuurd. Veel boeken worden slordig uitgegeven; de meeste boekenverkopers hebben zich, na een periode van ontkenning, de kaas van het brood laten eten door e-commerce; de mogelijkheden van creatieve online marketing, zo leerde ik als occasionele adviseur van enkele uitgevers en van boek.be, zijn nog altijd niet doorgedrongen tot de meeste uitgevers, die nog altijd het grootste deel van hun energie steken in de letterenbijlagen van kranten en magazines. De uitzonderingen bevestigen de regel.

Waar is de tijd van Christopher Plantin? Zijn Officina Plantiniana, opgericht in 1555 in Antwerpen, was destijds en tot in de zeventiende eeuw, niet alleen de grootste uitgever en drukker, maar ook een van de grootste kapitalistische ondernemingen in Europa. Plantin en zijn opvolgers de Moretusen maakten het bedrijf groot met humanistische interesse én kapitalistisch opportunisme.

Wat is er gebeurd dat onze intelligentsia nu menen te moeten neerkijken op die combinatie?


*Amerikanen*; *De Lengte van een Oceaan*

Je zal maar Amerikacorrespondent zijn en nu nog geen boek over Amerika geschreven hebben.

Steven De Foer en Björn Soenens zijn beide Amerikacorrespondent, de ene meestal vanop afstand, soms reizend, de andere ter plaatse, met New York als uitvalsbasis. Het zijn ook twee van Vlaanderens beste journalisten. Dit voorjaar brachten ze nagenoeg gelijktijdig (De Foer klopte Soenens op de meet) hun Amerikaboek uit.

De Foer schreef Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn; Soenens De Lengte van een Oceaan. Stemmen en stemmingen in Amerika.

Om de verdienste van zowel hun boeken als hun dagelijks werk meteen in perspectief te zetten: De Financial Times heeft ter plaatse een US Pharma and Biotech correspondent (Hannah Kuchler). De Foer (voor De Standaard) en Soenens (voor VRT) worden geacht heel Amerika uit te leggen, inclusief de achtergrond en analyse van wat een van de belangrijkste presidentsverkiezingen in de Amerikaanse geschiedenis is, op een historisch keerpunt dat in het ergste geval zelfs volgens anders behoorlijk nuchtere commentatoren tot een burgeroorlog kan leiden.

Heel Amerika uitleggen is in zekere zin geen dankbare taak. Hoe leg je een zo groot, divers en complex land uit, dat zichzelf zelfs niet meer lijkt te begrijpen? En hoe leg je het uit aan een publiek dat over dit onderwerp steevast al een oordeel en een analyse klaar heeft, zeker in deze gepolariseerde tijden?

Zowel De Foer als Soenens verwijzen in hun boek naar giftige reacties die ze van lezers en kijkers “van beide kanten” krijgen op hun analyses over de Trump-jaren en dat ze het daar soms moeilijk mee hebben.

Anderzijds zijn ze beide journalist genoeg om een fameuze kick te krijgen van dit wonderjaar voor Amerikaverslaggevers en -analisten. They’re having the time of their life!

Als verslaggevers en analisten van het dagelijks nieuws weten De Foer en Soenens dat ze the first rough draft of history aan het schrijven zijn. Met het boek hebben ze zichzelf de taak gegeven een stap verder te zetten en van die first rough draft een ietwat coherenter totaalbeeld te maken. Een reportage is altijd “maar” een tessera, een steentje uit een mozaïek.

In beide boeken, en voor Soenens geldt dat nog straffer dan voor De Foer, verdwijnt dat mozaïek-gehalte nooit helemaal. Dat is een bewuste ingreep geweest van de auteurs en hij werkt ook. Als je genoeg afstand neemt van de mozaïek, krijg je een coherent beeld en zie je wat de auteur bedoeld heeft. Maar ook: soms zie je enkel de steentjes en voel je dat de auteurs “uit hun genre” zijn.

De Foer maakt in Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn zijn mozaïek aan de hand van een combinatie van anekdotische reportages, interviews, zijn diepe kennis van de Amerikaanse cultuur, en de neerslag van heel grondige research in de literatuur.

Een bonus aan het boek is dat De Foer op het einde, in een hoofdstuk “Verantwoording”, bij elk hoofdstuk een bronnen- en literatuurlijst opgeeft. De dankbare lezer kan enkel onder de indruk geraken van de belezenheid en zich afvragen waar deze drukke journalist de tijd gevonden heeft om te lezen wat moet gelezen worden.

De Foer heeft in de design van zijn boek ook de kunst gevonden om relevante feiten en inzichten op de juiste plaats te laten doorsijpelen, soms zij aan zij met een anekdote uit een ontmoeting of interview. Zo bijvoorbeeld de Levittowns, die vlak na de Tweede Wereldoorlog de geboorte inluidden van de voorsteden die het kloppende hart van de VS zouden worden (p 153).

Of de korte geschiedenis van het stadje Flint (p 154), dat we kennen van de documentaire Roger & Me van Michael Moore, en waarvan het dynamisme tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog zo sterk contrasteert met de lethargie waaraan de VS nu ten prooi zijn gevallen.

Dat Lincoln en Marx nog met elkaar correspondeerden (p 200) is meer dan een handig wist-je-datje, maar geeft een perspectief op de Amerikaanse geschiedenis dat je nog niet had. De analyse van de voormalige Franse president Valéry Giscard d’Estaing over verschil tussen EU en VS (p 148) is een trouvaille.

De Foer heeft er, veel meer dan Soenens, voor gekozen om in zijn mozaïek ook de historische achtergrond mee te nemen zonder dewelke je Amerika niet kan begrijpen (en waarvan je je afvraagt hoeveel Amerikanen hem kennen).
Zijn hoofdstukken over de historische achtergronden van het Amerikaanse racisme tegenover zwarten en de oorspronkelijke indianen kunnen zo op de verplichteliteratuurlijst van het middelbaar onderwijs.

Minder voor de hand liggend (maar evident voor wie Alfred Chandler heeft gelezen – niet in De Foers bibliografie, gotcha) is misschien het enorme belang van de industriële ontwikkeling in het laatste derde van de 19de eeuw, die enorm boeiende periode, met de groeispurt (p 149) waarmee de VS de basis legden van hun economische dominantie tot, wel, ongeveer nu, en het Eerie Canal (p 141) als exemplarisch industrieel erfgoed.

Het is een willekeurige en bijlange geen volledige opsomming, die onvoldoende recht doet aan de eruditie waarmee De Foer zijn verhaal lardeert zonder dat het een geschiedenisles wordt (beetje reserve voor het hoofdstuk over de Indianen).

Verliefd

De ondertitel van De Foers boek, (Het had zo mooi kunnen zijn) behoeft enige uitleg, omdat hij zeer goed het “programma” weergeeft van waaruit De Foer geschreven heeft.
De uitleg komt op pagina 283:

Het jonge Amerika van na de Revolutie droeg de kiemen in zich van een utopia, een ideale staat – vanuit het standpunt van blanke mannen althans. Zijn mix van gelijke kansen en meritocratie was zijn tijd ver vooruit. In de jaren na 1776, op het einde van de Burgeroorlog (1861-1865), en na de Great Societyhervormingen (1964-1965) hebben de Amerikanen diverse kansen gehad om die belofte van een droomland in de praktijk om te zetten. Ze hebben het telkens weer verknald, vandaar de teleurstelling.

En dan meteen daarna; het is sterker dan hemzelf:

En toch blijft de VS een land van belofte.

De Foer is, net zoals Soenens trouwens, verliefd op Amerika en de (meeste) Amerikanen. Maar beiden zijn ze ook zwaar teleurgesteld in het onbereikbare object van hun liefde.

De Foer doet het minste moeite om dat te verbergen. Hij maakte er de ondertitel van zijn boek van. Het is een keuze die veel verder gaat dan die voor een invalshoek voor een boek.

De grootste worsteling van beide auteurs is ongetwijfeld geweest wat ze nu juist, als finale analyse, over Trump moesten zeggen. De lezer moet de intellectuele keuze respecteren die elke auteur gemaakt heeft; dat is alleszins wat deze recensent doet. De Foer gooit, na rijp beraad (zo ken ik hem), alle reserves overboord. “De eerste en hopelijk enige termijn van president Trump is een ramp van formaat geweest voor de VS en de rest van de wereld.” (p 284)

Het heeft het voordeel dat we weten waar hij staat.

Jean-Luc Dehaene

Maar we kunnen niet anders dan de vergelijking maken. We willen niet alleen bevestigd worden in onze wellicht gegronde afkeer van het fenomeen Trump. We willen ook begrijpen waarom nagenoeg de helft van een bevolking die we waarderen op dit fenomeen gestemd heeft en het deze week weer zal doen, ondanks de enorme ogenschijnlijke handicap van de Coronacrisis (Jean-Luc Dehaene zou jaloers geweest zijn: hij werd in 1999 naar huis gestuurd omdat er gedurende enkele weken wat minieme hoeveelheden motorolie in wat kippen werden gevonden).

Die poging tot begrip vinden we meer bij Soenens dan bij De Foer. Ze heeft het voordeel dat we meegenomen worden op een zoektocht naar evenwicht. Bij Soenens vinden we eerlijker en iets meer verwoede pogingen om “de andere helft” (de titel van het vierde hoofdstuk) te begrijpen.

Hij gunt, in tegenstelling tot De Foer, Trump zelfs zijn successen, zoals dat met de Noord-Koreaanse leider Kim Jung-Un (p 204) en zijn wrevels, zoals die over de te lage bijdrage aan de NATO van andere landen (p 205). Soenens wijst er ons terecht op: “We vergeten vaak dat Donald Trump niet de oorzaak is van de turbulentie en de problemen van Amerika. Donald Trump is een symptoom ervan.” (p 206) Hij analyseert ook heel duidelijk de slimme maar verderfelijke symbiose tussen Trump en de media.

De mozaïek die Soenens maakt, lijkt qua constructie en stijlkeuzes soms merkwaardig hard op die van De Foer. Beide hebben ze bijvoorbeeld de keuze gemaakt om citaten uit Amerikaanse muziek als een soort rode draad door hun verhaal te weven.

De bijzonderste ingreep die Soenens doet, en die ik na enige aarzeling wel geslaagd vind, is dat hij zijn Amerikaverhaal regelmatig onderbreekt met heel persoonlijke overpeinzingen over het correspondentschap en over de fysieke en soms mentaal pijnlijke afstand die hem scheidt van de meeste van zijn geliefden (“De Lengte van een Oceaan” uit de titel).

Die aanpak geeft het boek een heel speciaal ritme. Dat en zijn eerlijke pogingen om de andere helft te begrijpen, liggen in het verlengde van het (omstreden) constructive journalism dat Soenens al predikte toen hij nog hoofdredacteur was van Het Journaal.

New York

Niet alleen die ingrepen maken van De Lengte van een Oceaan een veel persoonlijker boek dan Amerikanen. Soenens’ boek gaat voor ongeveer een derde (mijn ruwe inschatting) over zijn woonplaats New York. De liefde voor de stad spettert van de pagina’s. We leren van Soenens dat goede adresjes er snel komen en gaan, maar wie in het kort naar New York gaat, heeft met het boek voldoende plekken en adressen voor een gevuld tiendaags verblijf.

Er zit logica en richting in de opbouw van het boek, maar Soenens (of zijn uitgever, die ook op andere vlakken zijn werk niet goed gedaan heeft) had er misschien toch goed aan gedaan wat te schrappen. Hoewel het boek op geen moment verveelt, is het met zijn 488 pagina’s gewoon te dik.

Ook op het vlak van stijl vergt De Lengte van een Oceaan soms inspanningen. Te vaak kortademig. Teveel zinnen zonder werkwoord. Leidt tot een staccato dat op tv of radio beter werkt dan in een boek. Vooral naar het einde van het boek begint Soenens zich ook soms te herhalen. Ook dit had een beetje eindredactie kunnen verhelpen.

Beide boeken zijn grondig geresearched. Maar deze recensent kan het, reluctantly, niet nalaten wat economische spijkers op laag water te zoeken, omdat dat in de “algemene” journalistiek toch nog te vaak nodig is.

Intussen richt (sic) de vernieuwing en innovatie van de economie elke dag ravage aan,” schrijft Soenens (p 256). De ravage is een zijde van wat vaak creative destruction wordt genoemd. Maar als we de VS een ding moeten gunnen, dan toch wel de erkenning van de keerzijde van die creative destruction, die honderdduizenden jobs heeft gecreëerd en die van de Amerikaanse economie nog altijd een van de meest dynamische ter wereld maakt.

Soenens schrijft (p 45) dat “de lonen van ongediplomeerde arbeiders met 40 procent gedaald zijn sinds de jaren zeventig.” Het is niet waar (ze daalden hooguit met 12 a 13 procent voor sommige groepen; sinds 2000 stijgen de lonen van de laagst geschoolden zelfs het derde snelst van alle opleidingscategorieën). Maar het zet wel de foute toon.

De Foer beweert plompverloren dat het trickledowneffect “in veel economische studies al is gelogenstraft” (p 184). Wat is “veel”? Ik had dan graag minstens een autoritaire verwijzing. En zijn het er meer dan die waarin trickledown wordt aangetoond? I don’t think so.

De huizencrisis in Californië heeft volgens De Foer (p 190) alles te maken met het goede weer daar en met de lokroep van Silicon Valley. Dat is een te eenzijdige economische analyse, die voorbijgaat aan de inspanningen van de huidige bewoners om via zoning wetten de bouw van nieuwe woningen tegen te houden.

Nog een spijkertje: Beide auteurs besteden terecht voldoende aandacht aan de opioidencrisis. Die crisis is tot nader order een heel typisch only-in-America fenomeen, dat in 2018 alleen al 49,000 levens eiste, vooral van blanke mannen.

Het is in dit verhaal een mankement dat geen van beide auteurs verwijst naar Deaths of Despair and the Future of Capitalism van Nobelpijswinnaar Angus Deaton en Anne Case, dat echt wel een striemend standaardwerk is over deze onverkwikkelijke kwestie. De analyse van Deaton en Case is ongenadig en vertelt haarscherp en feitengebaseerd wat er mis is met het Amerikaanse gezondheidssysteem. Misschien een interviewtip? Ik denk dat Deaton nogal benaderbaar is.

En nog een laatste, een taalkundige. De Standaard – ik heb nog eens gecheckt of ze het veranderd hadden – hanteert als redactionele regel dat VS als meervoud moet worden geschreven. De Foer (en zijn eindredacteur) zondigen in het boek tegen die regel.

The New Yorker

Zowel Amerikanen als De Lengte van een Oceaan zijn het ideale “Amerika voor beginners” boek, en dat is hoegenaamd niet denigrerend bedoeld.

God weet dat we het na vannacht nodig zullen hebben. Wij Europeanen staan immers te vaak en te snel klaar met ons oordeel over de wonderlijke natie die de VS zijn. Dat wonderlijke blijkt onder meer uit de vaststelling dat de eerlijkste, scherpste en slimste kritiek op de VS meestal van Amerikanen zelf komt. De Amerikanen verstaan beter dan wij de kunst om zulke kritiek niet alleen te tolereren, maar zelfs te cultiveren. Met De Foer en Soenens hebben ze nu twee auteurs van het Oude Continent die, vanuit dezelfde liefde voor het land, even scherp en genuanceerd hun kritiek hebben durven neerschrijven.

Uitsmijter1: Voor zover ik kon nagaan, hebben noch Humo, noch De Morgen tot nu toe een signalement, laat staan een bespreking gepubliceerd van het boek van De Standaard redacteur De Foer. Arm Vlaanderen! Foei DPG!

Uitsmijter2: The New Yorker maakte een zeer bekijkenswaardige documentaire van 13 minuten waarin ze zeven Amerikacorrespondenten, onder wie de Nederlander Arjen van der Horst, aan het woord laten over de presidentsverkiezingen.


*How Will Capitalism End?* (2)

Wolfgang Streeck schetst in How Will Capitalism End? (eerste deel bespreking) een scherp en somber beeld van wat volgens hem de nadagen van het kapitalisme moeten zijn. Het einde is onbepaald, maar onafwendbaar.

“Ideas of solidarity and institutions of social regulation are as a result at a permanent risk of erosion, with capitalist patterns of action spreading like cancer in the body social even though capitalism as such, pure and simple and liberated from social constraints, cannot exist. In this sense capitalism feeds parasitically on the society that it inhabits or befalls, with its expansion ultimately amounting to its self-destruction unless checked by social and political opposition.”

p 233

Een van de problemen met het boek is dat Streeck voortdurend verschillende rollen aanneemt en dat hij naadloos switcht tussen die rollen. Dat merkte ook Financial Times journalist Martin Wolf op in zijn recensie van het boek.

Streeck is a mixture of the analyst, the moralist and the prophet. As an analyst, he challenges the stability of democratic capitalism. As a moralist, he dislikes a society founded on greed. As a prophet, he declares that the wages of this sin are death.

Streecks analyse van de (post-1970, Europese en Amerikaanse) economie is bijzonder scherp en inzichtelijk. Maar zijn blik als moralist vertroebelt soms zijn analyses en soms neemt hij zelfs een loopje met feitelijkheden.

In zijn ijver om het kapitalisme dood en verdorven te verklaren, vervalt Streeck net zoals veel van zijn illustere voorgangers in het genre in de val om impliciet en soms expliciet te verwijzen naar een verondersteld gouden tijdperk toen het kapitalisme er nog niet was, of nog niet zo verdorven.

Als het dan moet gaan over het einde van een tijdperk, dan zou het toch lonen om af en toe the longer view te nemen, historisch én geografisch. Streeck beperkt zich tot een terugblik op de Trente Glorieuses, de dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog die volgens hem de enige periode waren waarin onder kapitalisme zowel economische groei als sociale en politieke stabiliteit werden verwerwezenlijkt.

Streecks te moraliserende visie leidt vaak naar bedenkingen die kort door de bocht gaan en die onvoldoende gestaafd worden. Competitie wordt door Streeck herleid tot “depriving one’s peers of their livelihood by outbidding them.” (p 205). Het is de zero-som of de win-lose visie op handel drijven die we steevast zien terugkomen in kritieken op het kapitalisme en de vrije markt. Jouw winst is mijn verlies. Het klopt gewoon niet.

Een handelaar moet volgens de logica van het kapitalisme een agressieve voordeelzoeker zijn. (p 207) “Capitalist actors always struggle to escape from their social containment and free themselves from obligations and control.” (p 233, mijn nadruk) Always? Komaan Streeck.

Technologische vooruitgang dient in deze nadagen van het kapitalisme enkel om nog wat tijd te winnen (p 60). De weliswaar superieure innovatie in de kapitalistische economie wordt gedreven door hebzucht en angst en dient enkel om competitie te onderdrukken en woekerwinsten te realiseren. (p 205)

Streeck verwijst daarbij naar Schumpeter uit 1912, maar vergeet te verwijzen naar William Nordhaus uit 2004, die berekende dat de kapitalistische entrepreneur uiteindelijk maar 2.2 procent overhoudt van de economische winst van zijn innovatie. De rest gaat naar de consumenten, en dus naar de maatschappij, in wat de economisch historicus Deirdre McCloskey de “second act” van innovatie noemt.

In een passage waar hij ingaat tegen de visie op kapitalisme als vreedzame, “doux commerce”, schrijft Streeck: “This neglects the fact that non-violent free-trade is typically confined to the centre of the capitalist system, whereas on its historical and spatial periphery violence is rampant.” (p 59) Rampant? Nou!

Wat is dan de boodschap die hij als profeet brengt? How Will Capitalism End? is een pessimistisch en uiteindelijk besluiteloos boek. Streeck laat ultiem niet alleen de vraag uit de titel onbeantwoord, hij biedt ook geen alternatief, niet voor een zoektocht naar een menselijker kapitalisme, en al helemaal niet aan Links.

Dat Links verliest zich volgens Streeck in een verkeerd begrepen cosmopolitanisme en internationalisme en vooral in identiteitspolitiek, de tendens die van identiteiten rond ras, gender, religie het speerpunt van de politieke strijd maakt. “Genderneutrale toiletten!”, sneert hij ergens.

Op het einde van het boek doet hij nog wel een toegift “to put in a word for not entirely abandoning concepts like socialism or even communism” (p 234), en “Would it not be more constructive to be less constructive – to cease looking for better varieties of capitalism and instead begin seriously to think about alternatives to it?” (p 235). Maar het is niet van harte.

In een recenter essay, Whose Side Are We on? Liberalism and Socialism Are Not the Same, een hoofdstuk uit Reflections on the Future of the Left (2017), lijkt hij de hoop op Linkse oplossingen helemaal opgegeven te hebben.

Wie zou hier immers het voortouw nemen? De kloof tussen de belangen van de kinderen van de vroegere arbeidersklasse en de nieuwe eigenaars van human capital is te groot. Immigranten sluiten zich op in hun eigen enclaves, onderbieden de lonen van hun kameraden en worden gezien als concurrenten voor de diensten van de welvaartstaat. De “young losers”, die geprobeerd hebben zich op te werken tot de middenklasse, maar gefaald hebben en nu hun heil zoeken bij Sanders en Corbyn? Of straks de mensen wier jobs overbodig gemaakt worden door robots en artificiële intelligentie?

Tegenover een kapitalisme dat zich globaal georganiseerd heeft, staan dus versplinterde groepen, niet eens een klasse, van mensen die elk bezig zijn met hun cultuur- en identiteitsoorlogjes.

Met individualisme en persoonlijke keuze als hoogste goed en ideaal kiezen mensen hooguit voor “projects, not parties, (as) the organizational form of choice: one can join and leave any time, as one sees fit.” (rinkelt een bel, Vlaamse partijen?).

De samenhorigheid die volgens Streeck nodig is om het kapitalisme te bestrijden, en die voortvloeit uit de (partij)discipline en het gevoel van verplichting van een democratisch beslist programma, is archaisch geworden.

Voor Streeck is er geen socialisme buiten de contouren van de natiestaat en zonder zin voor collectivisme. Maar de natiestaat is onmachtig tegenover het globaal kapitalisme en de zin voor collectivisme heeft Links aan uiterst Rechts gelaten.

Streeck wordt er moedeloos van. “The task of inventing a “future of the Left”, and indeed for a socialist Left, appears nothing short of awesome.” De enige uitweg die hij ziet, maar waarin hijzelf niet echt gelooft, is in een culturele revolutie die het potentieel Linkse electoraat zou wegleiden van de laat-kapitalistische levensstijl en het consumentisme, naar een “sociaal equivalent van het veganisme”.

Not as an economy, but as a society

Hoewel ik eraan twijfel of veel mensen op Links echt warm worden van die oproep, denk ik wel dat hun analyses en aanpak een stuk steviger kunnen worden met de lectuur van Streeck.

Wat we meemaken, is wel degelijk niet enkel een crisis van de economie maar ook een crisis van de democratie en het vergde een socioloog om te analyseren en te duiden hoe de twee met elkaar verstrengeld zijn. “Not as an economy, but as a society,” antwoordt Streeck op de vraag die de titel is van hoofdstuk 9: “How to Study Contemporary Capitalism?” (p 201)

Er is dus iets te zeggen voor de oproep van Streeck dat “(W)e cannot begin early enough to challenge the intellectual hegemony of contemporary economics over contemporary understandings of economy and society.” (p 251)


*How Will Capitalism End?* (1)

Dit is het eerste van vijf boeken die ik ga bespreken in een reeks “Kapitalisme. Is het einde nabij?”.

Het “einde van het kapitalisme” is een genre op zich sinds Marx en Mill in de tweede helft van de 19de eeuw. Sinds halfweg de jaren 1990, en versterkt sinds de financiële crisis van 2008-2009, kent het een opflakkering.

De auteur van How Will Capitalism End? is de Duitse economische socioloog Wolfgang Streeck (1946) (en persoonlijke website). Hij studeerde onder meer aan de Goethe Universiteit Frankfurt en aan de Amerikaanse Columbia University. Vandaag is hij emeritus directeur van het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung in Keulen.

Van de vijf boeken die ik in deze reeks ga bespreken, is How Will Capitalism End?, waarin Streeck hoofdzakelijk een aantal eerder verschenen artikels bundelt, het meest donkere, op het griezelige af. Samen met Branko Milanovic’ Capitalism. Alone (dat tot heel andere conclusies komt) is het ook het meest scherpzinnige, dat de diepste en breedste inkijk biedt in de mechanismen die de jongste decennia spelen in het kapitalisme en de wereldeconomie. Maar terwijl Milanovic nog een uitzicht en een glimmer van hoop biedt, is dat bij Streeck, zonder excuses, niet het geval.

Een eerste punt van kritiek, dat ik later ga nuanceren. Mijn journalistieke leermeester Lode Bostoen, destijds algemeen hoofdredacteur van De Standaard en Het Nieuwsblad, kwam ons op de vingers tikken als we in onze titel een vraagteken gebruikten. “Als je in je titel een vraagteken zet, zorg dan dat je in het artikel het antwoord geeft.”
Streeck geeft in zijn boek geen antwoord op de vraag uit de titel, althans geen klaar en eenduidig. De (hoopvolle) lezer weze dus gewaarschuwd.

De kernthesis van het boek is dubbel. Enerzijds was “capitalism always a fragile and improbable order that depended on continuous repair work for its survival.” (p 13). Anderzijds is de zoveelste voorspelling van de dood van het kapitalisme deze keer niet voorbarig, ironisch genoeg wegens gebrek aan tegenstanders die het in het verleden telkens van zichzelf gered hebben door het te dwingen een aangepaste vorm aan te nemen.

Streeck is erudiet genoeg om te beseffen dat hij niet de eerste is die het einde van het kapitalisme voorspelt. De enige plaats in heel het boek waarop hij wat zelfrelativering en humor toont, is in een voetnoot na een passage waarin hij verwijst naar illustere voorgangers in de voorspelling: Marx, Polanyi, Weber, Schumpeter, Sombart, Weber, Keynes. “If history proves me wrong, I will at least be in good company.” (p 57)

Hij stoelt zijn conclusie van de onvermijdelijkheid van het einde van het kapitalisme op een historische analyse van de economische gebeurtenissen van de jongste decennia die (voor een socioloog! zal zelfs de meest erudiete econoom moeten toegeven) bijzonder scherp en inzichtelijk is.

Streeck focust in zijn historische analyse op de periode sinds 1970, waarin de belastingstaat eerst plaats maakt voor de schuldenstaat, om dan opgevolgd te worden door de consolidatiestaat.

Die consolidatiestaat (hoofdstuk 4) is een gevolg van de dalende belastbaarheid van democratische-kapitalistische staten en de stijgende overheidsschuld die daarop volgde. Nationale staten, supranationale instellingen en de internationale financiële markten (die maar al te graag geld bleven lenen), spanden daarop samen om staten te dwingen hun uitgaven te verlagen. Het gevolg van die collusie was dubbel: de economische groei werd gefnuikt; en de economie werd onttrokken aan elke democratische controle of sturing.

Sinds de crisis van 2008 zitten we in de vierde fase, waarin zowel de overheidsschuld als de private schulden hoger zijn dan ooit. Drie langetermijntrends – lagere groei, stijgende ongelijkheid en stijgende schuld – versterken elkaar onderling en er is niets in zicht dat sterk genoeg is om die drie trends te keren.

De cyclus van oplossingen-problemen-oplossingen die het kapitalisme al van in het begin kenmerkt, en waarbij overheden een evenwicht zijn blijven zoeken tussen economische groei, democratische legitimiteit en sociale vrede, lijkt doorbroken, en ligt onherstelbaar aan diggelen.

Wat overblijft is een “capitalism passing away as a result of having destroyed its opposition – dying, as it were, from an overdose of itself.” (p 65)

Ter illustratie somt Streeck vijf symptomen van het ultieme verval op, “systemic disorders of today’s advanced capitalism“: stagnatie; oligarchische herverdeling naar de top; de plundering van het publieke domein (zoals bijvoorbeeld in de privatisering van oorlog); corruptie; en globale anarchie. (p 65 e.v.)

De analyse van deze symptomen zal terugkomen in de andere boeken die ik ga bespreken in deze reeks.

Aan de historisch-economische analyse die Streeck maakt van de voorbije decennia, kunnen veel economisten een punt zuigen. Het helikopterzicht dat de lezer krijgt in hoofdstuk 2, The Crises of Democratic Capitalism, was, voor deze economist althans, ongezien.
Wat Streeck daaraan toevoegt, vanuit zijn sociologische en politieke invalshoek, trekt pas echt de eng-economische blik open.
In zeven van de elf hoofdstukken dissecteert hij ongenadig, zonder verdoving, de gevolgen van de economische evoluties op de democratie en het sociale leven.

Now states were located in markets …

De griezelige conclusie van die analyse is dat de democratie, die ooit werkte als een motor van economische en sociale vooruitgang, losgekoppeld is geraakt van de economie. “The post-war shotgun marriage between democracy and capitalism came to an end” (p20), en dat gebeurde gradueel, zonder putsch, zodat niemand er echt erg in heeft gehad. “Democracy ceased to be functional for economic growth and in fact became a threat of the new growth model; it therefore had to be decoupled from the political economy. This was when post-democracy was born.” ( p 22)

De belangrijkste drijvende kracht van deze loskoppeling van de democratie is uiteraard de globalisering, waarbij een lokale arbeidsmacht het moet opnemen tegen een internationaal werkende economie. Het gevolg, schrijft Streeck in wat het motto van deze analyse en van het boek zou kunnen zijn, is dat “Now states were located in markets rather than markets in states.” (p 22)

Streeck maakt zijn dissectie concreet in vier hoofdstukken waarin hij het project van de Europese Unie en de euro analyseert. Hij neemt daarbij geen gijzelaars; zijn oordeel over het Europese project zoals het nu wordt uitgevoerd (en zijdelings ook over Merkel), is vernietigend. Het is vooral in de Europese Unie dat de loskoppeling van democratie van economie haar concretisering vindt. Via de Europese Centrale Bank heeft de EU naast haar economisch lot ook haar politiek lot in handen gegeven van de financiële markten, die ze afschermt van en beschermt tegen de “grillen van de de democratische politiek”. (p 134)

Together with the Council, the Commission and the ECJ [het Europees Hof van Justitie], but if need be also without them, the European Central Bank has developed into the de facto government of the biggest economy on earth, a government entirely shielded from ‘pluralist democracy’ that acts, and can only act, as the guardian and guarantor of a liberal market economy.” (p 162)

Parallel met de nefaste invloed op de democratie, is er de invloed op het individu in zijn sociaal weefsel. Als ondersteunende instellingen en cultuur wegvallen, als het nationale “staatsvolk” van burgers het internationale “marktvolk” van beleggers is geworden (p 124), verschuift de last om het dagelijks leven te organiseren van het macroniveau naar het allerindividueelste microniveau en komen we terecht in een post-social society (p 38).

Het individu moet in deze maatschappij niet alleen leren leven met, maar ook zijn uitdaging en vervulling vinden in sauve-qui-peut strategieën, met modetermen zoals disruption en resilience. Het enige verweer dat het individu nog heeft, is “coping, hoping, doping and shopping.” (p 41 e.v.)

How Will Capitalism End? is een horrorverhaal, met geen straaltje optimisme en geen uitzicht op een “oplossing”. “(C)apitalism is facing its Götterdammerung.” (p 57)

We maken een doodstrijd mee waarvan we niet weten hoe lang die zal duren.

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.” (p 36)

Volgens Streeck zijn hoop en welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Hij kijkt vooral neer op de Amerikaanse variant van dreaming: (T)he sacrosanct nature of dreams, never to be critically assessed, may be the most powerful impediment to political radicalization and collective action … (L)ife under social entropy elevates being optimistic to the status of a public virtue and civic responsibility … while defining pessimism as a socially harmful personal deficiency.” (p 42-43)

Vrolijk word je er niet van.

In een volgende post over Streeck en How Will Capitalism End? formuleer ik enkele kritieken en aanvullende bedenkingen. Ik ga ook nog iets dieper in op de bijdrage die de socioloog levert aan het economisch debat, een thema waar Streeck herhaaldelijk op terugkomt in het boek.