*The Future of Capitalism*

Tweede boek in een reeks over het einde van het kapitalisme, vraagteken, die hier bijna een jaar geleden veelbelovend startte. Tot nu toe was ik dus niet verder geraakt dan het eerste boek op de lijst, How Will Capitalism End? van Wolfgang Streeck (deel twee van de bespreking).

Het is alvast tekenend voor de staat van het denken over het kapitalisme dat twee gestudeerde mensen, de Duitse economische socioloog Streeck, en de auteur van The Future of Capitalism (2018), de Oxford-economist Paul Collier, tot zulke uiteenlopende conclusies en perspectieven komen.

Streeck is de bittere (onheils)profeet, die het kapitalisme sociologisch analyseert vanuit het ideologische machtsspel tussen groeps- en klassenbelangen. In de traditie van Marx dus. Voor Streeck is er geen hoop en is welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Het kapitalisme is gedoemd, omdat het altijd al gedoemd was. Het zal sterven aan een overdosis van zichzelf.

Collier’s The Future of Capitalism vertrekt niet alleen vanuit een veel positievere visie op het kapitalisme en zijn historische verwezenlijkingen – “(F)ar from being the barrier to mass prosperity, capitalism was essential for it … accepting capitalism is not doing a deal with the devil … (T)hat is the agenda: capitalism needs to be managed, not defeated.” (p 17-18 (verwijzingen zijn naar de 2019 Penguin editie)). En: “Modern capitalism has the potential to lift us all to unprecedented prosperity“. (p 25) – het boek wil ook een hoopvol perspectief bieden – “We can do better: we once did so, and we can do it again” (p 215, de laatste zin van het boek)

Maar dat hoopvol perspectief kan enkele gerealiseerd worden als we op een slimme manier herstellen wat stuk is aan het kapitalisme.

De analyse die Collier maakt van wat hij de crisis van het kapitalisme noemt, is niet nieuw, al legt hij wel eigen accenten. Hij vat zijn analyse samen onder de uitdrukking New Anxieties: de nieuwe angsten die ontstaan door de diepe en groeiende kloven die onze maatschappij verscheuren.

De kloven gapen tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden (en hun families), tussen de metropolis en de provincie, tussen de overheid en de burgers, en tussen rijke en arme landen.

Collier geeft zijn analyse een persoonlijke toets door op enkele plaatsen in het boek het verhaal te vertellen van zijn nichtje Sue. Paul en Sue zijn op dezelfde dag geboren. Beiden waren ze kinderen van laagopgeleide ouders. Sue’s vader stierf toen zij veertien was. Zij werd tienermoeder. Paul studeerde en bouwde een succesvolle loopbaan uit. De dochters van Sue zijn ondertussen ook tienermoeder. Pauls dochter haalde een beurs voor een van de topscholen in Groot-Brittannië.

Die verschillen in levensloop tussen hoogopgeleid en laagopgeleid vind je miljoenen keren terug in Europa en de VS.

De hoogopgeleiden zijn geen kapitalisten, noch gewone werknemers. Dankzij hun kennis, vaardigheden en netwerken hebben ze zich wel geïnstalleerd als de nieuwe klasse die nog profiteert van het kapitalisme. Ze voelen zich niet alleen cultureel en sociaal superieur aan de laagopgeleiden, maar ook moreel: zij kunnen het zich immers veroorloven om begrip en zelfs bezorgdheid op te brengen voor minderheids- en achtergestelde groepen. Ze vertrouwen elkaar en de overheid. (p 3-4)

De laagopgeleiden hebben zinvolle jobs verloren zien gaan en zien soms zelfs hun levensverwachting dalen. Voor hen “capitalism’s core credential of steadily rising living standards for all has been tarnished.” (p 4)

De onvermijdelijke reacties van wrok en angst, en het verlies aan vertrouwen, hebben geleid tot de politieke muiterijen van Brexit en Trump. Die populisten sprongen in het politieke gat dat ontstond doordat de sociaaldemocratie, die ontstaan was op het einde van de 19de eeuw en haar hoogtepunt kende in de Trente Glorieuses van 1945 tot 1975, haar ziel verkocht aan middenklasse intellectuelen.

De ziel van de sociaaldemocratie was de ethiek van praktische wederkerigheid van rechten en plichten van mensen die zich herkenden in gemeenschappen.

De denkbeelden van middenklasse intellectuelen kwamen in twee versies, die elkaar voor een goed deel versterkten.

Enerzijds waren er de Utilitaristen. Onder invloed van de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) koppelden zij ethiek los van individuele en communautaire waarden en gevoeligheden en stelden ze het rationeel principe “het grootste geluk voor het grootste aantal” in de plaats. Economisten hielpen hen door een calculus voor dat grootste geluk en het grootste aantal voor te stellen, vertrekkend van de individueelste homo economicus.

Het gevolg was dat: “All moral obligations floated up to the state … Citizens ceased to be moral actors with responsibilities.” (p 11) Het communitarisme van wederkerige rechten en verplichtingen werd vervangen door het sociaal paternalisme van de staat.

De tweede groep middenklasse intellectuelen heeft ook haar filosoof: de Amerikaan John Rawls (1921-2002). Zijn rationeel principe is dat een samenleving moreel moet worden beoordeeld op basis van de vraag of haar wetten werken ten behoeve van de meest achtergestelde groepen. Op basis van dat principe ontstonden bewegingen voor inclusie, bevoorrechte behandeling en positieve discriminatie die, aldus de analyse van Collier, verhardden in groepsidentiteiten die elkaar als vijanden zagen. (p 13)

Overigens kwam zowel Links als Rechts onder invloed van deze denkbeelden, elk met andere accenten:
(T)he morally meritocratic elite of the left [eerder Rawls] vied with the productively meritocratic elite of the right [eerder Bentham]. The superstars of the left became the very good; those of the right became the very rich.” (p 15)

Dus: ja, kapitalisme heeft het potentieel om ons allen ongeziene welvaart te brengen, maar “it is morally bankrupt and on track for tragedy. Human beings need a sense of purpose and capitalism is not providing it.” (p 25)

Gegeven deze analyse liggen Collier’s oplossingen voor de hand:

  • De nieuwe kloven en nieuwe angsten zijn anders dan die van vroeger. Het zijn complexe fenomenen waarvoor de oude ideologieën geen oplossingen hebben
  • We moeten naar een herstel van de ethiek van wederkerige rechten en plichten vanuit het collectieve, in plaats van het individuele
  • Daarbij moeten we ten strijde trekken tegen wat Collier steevast het front (vanguard) noemt van Utilitaristen en Rawlsiaanse advocaten
  • De oplossingen liggen niet in ideologie, maar in het pragmatisme van Adam Smith en David Hume. “All the policies proposed in this book are pragmatic.” (p 6)

Collier’s programma is dus een (pragmatische) herstelbeweging: een herstel van de ethiek in het algemeen (hoofdstuk 2), en van de ethische staat, het ethisch bedrijf, de ethische familie en de ethische wereld (hoofdstukken 3-6); van de inclusieve samenleving, door de kloven te dichten tussen metropolis en provincie, tussen klassen, en tussen arme en rijke landen (hoofdstukken 7-9); en uiteindelijk, het herstel van een inclusieve politiek (hoofdstuk 10).

Volgende post: Collier’s oplossingen; en enkele kritieken.


De boekenbeurs is geen koekjesfabriek?

In de strubbelingen rond de zieltogende Boekenbeurs en haar failliete eigenaar Boek.be wilde Jos Geysels, voorzitter van het BoekenOverleg er deze week in De Standaard aan herinneren dat “de Boekenbeurs met haar traditie van 83 jaar niet alleen een groot commercieel, maar ook cultureel-maatschappelijk belang heeft. Het is geen koekjesfabriek.”

Je zal dan maar manager of eigenaar zijn van een goed draaiende koekjesfabriek.

Delacre bijvoorbeeld. De kiem van dat bedrijf werd gelegd door stamvader Charles Delacre in 1872 met een chocoladefabriek. In 1891, zo prijkt nog steeds op het logo, produceerde Delacre zijn eerste koekje. In de tweede helft van de 20ste eeuw veroverde Delacre de Europese markt en vestigde het bedrijf zich ook in de VS.

In 1998 werd Delacre overgenomen door United Biscuits en in 2016 door het Italiaans-Belgische Ferrero (Nutella, Kinder, Tic Tac, …). Eind 2014, het laatste jaar waarvoor cijfers bekend zijn, werkten 296 mensen voor Delacre in België en draaide het bedrijf een omzet van zowat 120 miljoen euro.

Of beter nog: Lotus. Dat bedrijf bleef in familiehanden sinds het werd opgericht door Jan Boone senior in 1932. Het realiseerde in 2020 met meer dan 2,000 werknemers een omzet van 663 miljoen euro en een nettowinst van 86 miljoen euro. Lotus produceert vandaag in twaalf fabrieken, waarvan vier in België, zes in andere Europese landen, een in Zuid-Afrika en een in de VS, en verkoopt in een zeventigtal landen.

Wie in 2002, het jaar dat Lotus voor het eerst op Euronext noteerde, 100 euro zou geïnvesteerd hebben in het bedrijf, zou vandaag 14,360 euro hebben.

Je wordt er een beetje droevig van dat een sympathieke man als Jos Geysels zich meent te moeten profileren met een onbedoelde sneer naar een sector waar hij en het boekenvak veel van zouden kunnen leren. Het komt er bijna automatisch uit in kringen waar zulke uitlatingen moeten bewijzen dat je tot de club behoort.

Boeken en koekjes zijn alletwee sympathieke producten. Maar de boekensector in België wordt slecht bestuurd. Veel boeken worden slordig uitgegeven; de meeste boekenverkopers hebben zich, na een periode van ontkenning, de kaas van het brood laten eten door e-commerce; de mogelijkheden van creatieve online marketing, zo leerde ik als occasionele adviseur van enkele uitgevers en van boek.be, zijn nog altijd niet doorgedrongen tot de meeste uitgevers, die nog altijd het grootste deel van hun energie steken in de letterenbijlagen van kranten en magazines. De uitzonderingen bevestigen de regel.

Waar is de tijd van Christopher Plantin? Zijn Officina Plantiniana, opgericht in 1555 in Antwerpen, was destijds en tot in de zeventiende eeuw, niet alleen de grootste uitgever en drukker, maar ook een van de grootste kapitalistische ondernemingen in Europa. Plantin en zijn opvolgers de Moretusen maakten het bedrijf groot met humanistische interesse én kapitalistisch opportunisme.

Wat is er gebeurd dat onze intelligentsia nu menen te moeten neerkijken op die combinatie?


*How Will Capitalism End?* (2)

Wolfgang Streeck schetst in How Will Capitalism End? (eerste deel bespreking) een scherp en somber beeld van wat volgens hem de nadagen van het kapitalisme moeten zijn. Het einde is onbepaald, maar onafwendbaar.

“Ideas of solidarity and institutions of social regulation are as a result at a permanent risk of erosion, with capitalist patterns of action spreading like cancer in the body social even though capitalism as such, pure and simple and liberated from social constraints, cannot exist. In this sense capitalism feeds parasitically on the society that it inhabits or befalls, with its expansion ultimately amounting to its self-destruction unless checked by social and political opposition.”

p 233

Een van de problemen met het boek is dat Streeck voortdurend verschillende rollen aanneemt en dat hij naadloos switcht tussen die rollen. Dat merkte ook Financial Times journalist Martin Wolf op in zijn recensie van het boek.

Streeck is a mixture of the analyst, the moralist and the prophet. As an analyst, he challenges the stability of democratic capitalism. As a moralist, he dislikes a society founded on greed. As a prophet, he declares that the wages of this sin are death.

Streecks analyse van de (post-1970, Europese en Amerikaanse) economie is bijzonder scherp en inzichtelijk. Maar zijn blik als moralist vertroebelt soms zijn analyses en soms neemt hij zelfs een loopje met feitelijkheden.

In zijn ijver om het kapitalisme dood en verdorven te verklaren, vervalt Streeck net zoals veel van zijn illustere voorgangers in het genre in de val om impliciet en soms expliciet te verwijzen naar een verondersteld gouden tijdperk toen het kapitalisme er nog niet was, of nog niet zo verdorven.

Als het dan moet gaan over het einde van een tijdperk, dan zou het toch lonen om af en toe the longer view te nemen, historisch én geografisch. Streeck beperkt zich tot een terugblik op de Trente Glorieuses, de dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog die volgens hem de enige periode waren waarin onder kapitalisme zowel economische groei als sociale en politieke stabiliteit werden verwerwezenlijkt.

Streecks te moraliserende visie leidt vaak naar bedenkingen die kort door de bocht gaan en die onvoldoende gestaafd worden. Competitie wordt door Streeck herleid tot “depriving one’s peers of their livelihood by outbidding them.” (p 205). Het is de zero-som of de win-lose visie op handel drijven die we steevast zien terugkomen in kritieken op het kapitalisme en de vrije markt. Jouw winst is mijn verlies. Het klopt gewoon niet.

Een handelaar moet volgens de logica van het kapitalisme een agressieve voordeelzoeker zijn. (p 207) “Capitalist actors always struggle to escape from their social containment and free themselves from obligations and control.” (p 233, mijn nadruk) Always? Komaan Streeck.

Technologische vooruitgang dient in deze nadagen van het kapitalisme enkel om nog wat tijd te winnen (p 60). De weliswaar superieure innovatie in de kapitalistische economie wordt gedreven door hebzucht en angst en dient enkel om competitie te onderdrukken en woekerwinsten te realiseren. (p 205)

Streeck verwijst daarbij naar Schumpeter uit 1912, maar vergeet te verwijzen naar William Nordhaus uit 2004, die berekende dat de kapitalistische entrepreneur uiteindelijk maar 2.2 procent overhoudt van de economische winst van zijn innovatie. De rest gaat naar de consumenten, en dus naar de maatschappij, in wat de economisch historicus Deirdre McCloskey de “second act” van innovatie noemt.

In een passage waar hij ingaat tegen de visie op kapitalisme als vreedzame, “doux commerce”, schrijft Streeck: “This neglects the fact that non-violent free-trade is typically confined to the centre of the capitalist system, whereas on its historical and spatial periphery violence is rampant.” (p 59) Rampant? Nou!

Wat is dan de boodschap die hij als profeet brengt? How Will Capitalism End? is een pessimistisch en uiteindelijk besluiteloos boek. Streeck laat ultiem niet alleen de vraag uit de titel onbeantwoord, hij biedt ook geen alternatief, niet voor een zoektocht naar een menselijker kapitalisme, en al helemaal niet aan Links.

Dat Links verliest zich volgens Streeck in een verkeerd begrepen cosmopolitanisme en internationalisme en vooral in identiteitspolitiek, de tendens die van identiteiten rond ras, gender, religie het speerpunt van de politieke strijd maakt. “Genderneutrale toiletten!”, sneert hij ergens.

Op het einde van het boek doet hij nog wel een toegift “to put in a word for not entirely abandoning concepts like socialism or even communism” (p 234), en “Would it not be more constructive to be less constructive – to cease looking for better varieties of capitalism and instead begin seriously to think about alternatives to it?” (p 235). Maar het is niet van harte.

In een recenter essay, Whose Side Are We on? Liberalism and Socialism Are Not the Same, een hoofdstuk uit Reflections on the Future of the Left (2017), lijkt hij de hoop op Linkse oplossingen helemaal opgegeven te hebben.

Wie zou hier immers het voortouw nemen? De kloof tussen de belangen van de kinderen van de vroegere arbeidersklasse en de nieuwe eigenaars van human capital is te groot. Immigranten sluiten zich op in hun eigen enclaves, onderbieden de lonen van hun kameraden en worden gezien als concurrenten voor de diensten van de welvaartstaat. De “young losers”, die geprobeerd hebben zich op te werken tot de middenklasse, maar gefaald hebben en nu hun heil zoeken bij Sanders en Corbyn? Of straks de mensen wier jobs overbodig gemaakt worden door robots en artificiële intelligentie?

Tegenover een kapitalisme dat zich globaal georganiseerd heeft, staan dus versplinterde groepen, niet eens een klasse, van mensen die elk bezig zijn met hun cultuur- en identiteitsoorlogjes.

Met individualisme en persoonlijke keuze als hoogste goed en ideaal kiezen mensen hooguit voor “projects, not parties, (as) the organizational form of choice: one can join and leave any time, as one sees fit.” (rinkelt een bel, Vlaamse partijen?).

De samenhorigheid die volgens Streeck nodig is om het kapitalisme te bestrijden, en die voortvloeit uit de (partij)discipline en het gevoel van verplichting van een democratisch beslist programma, is archaisch geworden.

Voor Streeck is er geen socialisme buiten de contouren van de natiestaat en zonder zin voor collectivisme. Maar de natiestaat is onmachtig tegenover het globaal kapitalisme en de zin voor collectivisme heeft Links aan uiterst Rechts gelaten.

Streeck wordt er moedeloos van. “The task of inventing a “future of the Left”, and indeed for a socialist Left, appears nothing short of awesome.” De enige uitweg die hij ziet, maar waarin hijzelf niet echt gelooft, is in een culturele revolutie die het potentieel Linkse electoraat zou wegleiden van de laat-kapitalistische levensstijl en het consumentisme, naar een “sociaal equivalent van het veganisme”.

Not as an economy, but as a society

Hoewel ik eraan twijfel of veel mensen op Links echt warm worden van die oproep, denk ik wel dat hun analyses en aanpak een stuk steviger kunnen worden met de lectuur van Streeck.

Wat we meemaken, is wel degelijk niet enkel een crisis van de economie maar ook een crisis van de democratie en het vergde een socioloog om te analyseren en te duiden hoe de twee met elkaar verstrengeld zijn. “Not as an economy, but as a society,” antwoordt Streeck op de vraag die de titel is van hoofdstuk 9: “How to Study Contemporary Capitalism?” (p 201)

Er is dus iets te zeggen voor de oproep van Streeck dat “(W)e cannot begin early enough to challenge the intellectual hegemony of contemporary economics over contemporary understandings of economy and society.” (p 251)


*How Will Capitalism End?* (1)

Dit is het eerste van vijf boeken die ik ga bespreken in een reeks “Kapitalisme. Is het einde nabij?”.

Het “einde van het kapitalisme” is een genre op zich sinds Marx en Mill in de tweede helft van de 19de eeuw. Sinds halfweg de jaren 1990, en versterkt sinds de financiële crisis van 2008-2009, kent het een opflakkering.

De auteur van How Will Capitalism End? is de Duitse economische socioloog Wolfgang Streeck (1946) (en persoonlijke website). Hij studeerde onder meer aan de Goethe Universiteit Frankfurt en aan de Amerikaanse Columbia University. Vandaag is hij emeritus directeur van het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung in Keulen.

Van de vijf boeken die ik in deze reeks ga bespreken, is How Will Capitalism End?, waarin Streeck hoofdzakelijk een aantal eerder verschenen artikels bundelt, het meest donkere, op het griezelige af. Samen met Branko Milanovic’ Capitalism. Alone (dat tot heel andere conclusies komt) is het ook het meest scherpzinnige, dat de diepste en breedste inkijk biedt in de mechanismen die de jongste decennia spelen in het kapitalisme en de wereldeconomie. Maar terwijl Milanovic nog een uitzicht en een glimmer van hoop biedt, is dat bij Streeck, zonder excuses, niet het geval.

Een eerste punt van kritiek, dat ik later ga nuanceren. Mijn journalistieke leermeester Lode Bostoen, destijds algemeen hoofdredacteur van De Standaard en Het Nieuwsblad, kwam ons op de vingers tikken als we in onze titel een vraagteken gebruikten. “Als je in je titel een vraagteken zet, zorg dan dat je in het artikel het antwoord geeft.”
Streeck geeft in zijn boek geen antwoord op de vraag uit de titel, althans geen klaar en eenduidig. De (hoopvolle) lezer weze dus gewaarschuwd.

De kernthesis van het boek is dubbel. Enerzijds was “capitalism always a fragile and improbable order that depended on continuous repair work for its survival.” (p 13). Anderzijds is de zoveelste voorspelling van de dood van het kapitalisme deze keer niet voorbarig, ironisch genoeg wegens gebrek aan tegenstanders die het in het verleden telkens van zichzelf gered hebben door het te dwingen een aangepaste vorm aan te nemen.

Streeck is erudiet genoeg om te beseffen dat hij niet de eerste is die het einde van het kapitalisme voorspelt. De enige plaats in heel het boek waarop hij wat zelfrelativering en humor toont, is in een voetnoot na een passage waarin hij verwijst naar illustere voorgangers in de voorspelling: Marx, Polanyi, Weber, Schumpeter, Sombart, Weber, Keynes. “If history proves me wrong, I will at least be in good company.” (p 57)

Hij stoelt zijn conclusie van de onvermijdelijkheid van het einde van het kapitalisme op een historische analyse van de economische gebeurtenissen van de jongste decennia die (voor een socioloog! zal zelfs de meest erudiete econoom moeten toegeven) bijzonder scherp en inzichtelijk is.

Streeck focust in zijn historische analyse op de periode sinds 1970, waarin de belastingstaat eerst plaats maakt voor de schuldenstaat, om dan opgevolgd te worden door de consolidatiestaat.

Die consolidatiestaat (hoofdstuk 4) is een gevolg van de dalende belastbaarheid van democratische-kapitalistische staten en de stijgende overheidsschuld die daarop volgde. Nationale staten, supranationale instellingen en de internationale financiële markten (die maar al te graag geld bleven lenen), spanden daarop samen om staten te dwingen hun uitgaven te verlagen. Het gevolg van die collusie was dubbel: de economische groei werd gefnuikt; en de economie werd onttrokken aan elke democratische controle of sturing.

Sinds de crisis van 2008 zitten we in de vierde fase, waarin zowel de overheidsschuld als de private schulden hoger zijn dan ooit. Drie langetermijntrends – lagere groei, stijgende ongelijkheid en stijgende schuld – versterken elkaar onderling en er is niets in zicht dat sterk genoeg is om die drie trends te keren.

De cyclus van oplossingen-problemen-oplossingen die het kapitalisme al van in het begin kenmerkt, en waarbij overheden een evenwicht zijn blijven zoeken tussen economische groei, democratische legitimiteit en sociale vrede, lijkt doorbroken, en ligt onherstelbaar aan diggelen.

Wat overblijft is een “capitalism passing away as a result of having destroyed its opposition – dying, as it were, from an overdose of itself.” (p 65)

Ter illustratie somt Streeck vijf symptomen van het ultieme verval op, “systemic disorders of today’s advanced capitalism“: stagnatie; oligarchische herverdeling naar de top; de plundering van het publieke domein (zoals bijvoorbeeld in de privatisering van oorlog); corruptie; en globale anarchie. (p 65 e.v.)

De analyse van deze symptomen zal terugkomen in de andere boeken die ik ga bespreken in deze reeks.

Aan de historisch-economische analyse die Streeck maakt van de voorbije decennia, kunnen veel economisten een punt zuigen. Het helikopterzicht dat de lezer krijgt in hoofdstuk 2, The Crises of Democratic Capitalism, was, voor deze economist althans, ongezien.
Wat Streeck daaraan toevoegt, vanuit zijn sociologische en politieke invalshoek, trekt pas echt de eng-economische blik open.
In zeven van de elf hoofdstukken dissecteert hij ongenadig, zonder verdoving, de gevolgen van de economische evoluties op de democratie en het sociale leven.

Now states were located in markets …

De griezelige conclusie van die analyse is dat de democratie, die ooit werkte als een motor van economische en sociale vooruitgang, losgekoppeld is geraakt van de economie. “The post-war shotgun marriage between democracy and capitalism came to an end” (p20), en dat gebeurde gradueel, zonder putsch, zodat niemand er echt erg in heeft gehad. “Democracy ceased to be functional for economic growth and in fact became a threat of the new growth model; it therefore had to be decoupled from the political economy. This was when post-democracy was born.” ( p 22)

De belangrijkste drijvende kracht van deze loskoppeling van de democratie is uiteraard de globalisering, waarbij een lokale arbeidsmacht het moet opnemen tegen een internationaal werkende economie. Het gevolg, schrijft Streeck in wat het motto van deze analyse en van het boek zou kunnen zijn, is dat “Now states were located in markets rather than markets in states.” (p 22)

Streeck maakt zijn dissectie concreet in vier hoofdstukken waarin hij het project van de Europese Unie en de euro analyseert. Hij neemt daarbij geen gijzelaars; zijn oordeel over het Europese project zoals het nu wordt uitgevoerd (en zijdelings ook over Merkel), is vernietigend. Het is vooral in de Europese Unie dat de loskoppeling van democratie van economie haar concretisering vindt. Via de Europese Centrale Bank heeft de EU naast haar economisch lot ook haar politiek lot in handen gegeven van de financiële markten, die ze afschermt van en beschermt tegen de “grillen van de de democratische politiek”. (p 134)

Together with the Council, the Commission and the ECJ [het Europees Hof van Justitie], but if need be also without them, the European Central Bank has developed into the de facto government of the biggest economy on earth, a government entirely shielded from ‘pluralist democracy’ that acts, and can only act, as the guardian and guarantor of a liberal market economy.” (p 162)

Parallel met de nefaste invloed op de democratie, is er de invloed op het individu in zijn sociaal weefsel. Als ondersteunende instellingen en cultuur wegvallen, als het nationale “staatsvolk” van burgers het internationale “marktvolk” van beleggers is geworden (p 124), verschuift de last om het dagelijks leven te organiseren van het macroniveau naar het allerindividueelste microniveau en komen we terecht in een post-social society (p 38).

Het individu moet in deze maatschappij niet alleen leren leven met, maar ook zijn uitdaging en vervulling vinden in sauve-qui-peut strategieën, met modetermen zoals disruption en resilience. Het enige verweer dat het individu nog heeft, is “coping, hoping, doping and shopping.” (p 41 e.v.)

How Will Capitalism End? is een horrorverhaal, met geen straaltje optimisme en geen uitzicht op een “oplossing”. “(C)apitalism is facing its Götterdammerung.” (p 57)

We maken een doodstrijd mee waarvan we niet weten hoe lang die zal duren.

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.” (p 36)

Volgens Streeck zijn hoop en welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Hij kijkt vooral neer op de Amerikaanse variant van dreaming: (T)he sacrosanct nature of dreams, never to be critically assessed, may be the most powerful impediment to political radicalization and collective action … (L)ife under social entropy elevates being optimistic to the status of a public virtue and civic responsibility … while defining pessimism as a socially harmful personal deficiency.” (p 42-43)

Vrolijk word je er niet van.

In een volgende post over Streeck en How Will Capitalism End? formuleer ik enkele kritieken en aanvullende bedenkingen. Ik ga ook nog iets dieper in op de bijdrage die de socioloog levert aan het economisch debat, een thema waar Streeck herhaaldelijk op terugkomt in het boek.


*The Anarchist Banker*

Dit kortverhaal uit 1922 is een van de weinige prozawerken die de Portugese dichter Fernando Pessoa schreef. (volledige tekst in Engelse vertaling)

Het verhaal vindt plaats in een café in Lissabon. De verteller ontmoet er een oude vriend, een rijke bankier, en vraagt hem na het diner, als het gesprek wat aan het stilvallen is, te vertellen over zijn verleden als anarchist.

– Someone told me a few days ago that you used to be an anarchist.
– There’s no ‘used to’ about it. I was and I am. I haven’t changed in that respect; I still am an anarchist.

In de rest van het verhaal vertelt de bankier, slechts af en toe onderbroken door zijn vriend, hoe hij intellectueel evolueerde van arme arbeiderszoon tot rijke bankier en tycoon, met maar een ideaal: een echte anarchist te worden.

Het verhaal moet natuurlijk gelezen worden tegen de achtergrond van de opkomst van het Bolsjevisme in Rusland en de strijd met de socialisten. De bankier vertelt zijn intellectuele evolutie, en zijn besluit om zijn groep anarchistische vrienden achter te laten en er alleen voor te gaan en rijk te worden, als een verhaal waar geen speld tussen te krijgen is.

How could I subjugate money by fighting it? How could I shrug off its influence and tyranny over me without avoiding contact with it? There was only one way forward. I would have to acquire money, I would have to acquire enough of it not to feel its influence, and the more I acquired, the freer I would be from that influence. When I saw this clearly, with all the force of my anarchist convictions and all the logic of a clear-thinking man, only then did I enter the present phase—the commercial and banking phase—of my anarchism.

Het is aan de lezer om te ontdekken of en waar er absurde en perverse logica zit.

Via Branko Milanovic.


Kapitalisme: Is het einde nabij?

Is het einde nabij voor het kapitalisme? Sinds het begin van het kapitalisme, te beginnen met Marx himself, tiert er rond die vraag een welige bestsellercultuur. Ook wie vandaag het einde van het kapitalisme voorspelt, bevindt zich in illuster gezelschap.

We weten vandaag dat alle doemvoorspellers ongelijk hebben gekregen. Tot nader order? Of is het “This time is different” argument, dat zowat elke doemvoorspeller al gebruikt heeft, deze keer overtuigender?

De komende weken bespreek ik enkele +/- recente toevoegingen aan het genre.

  • How Will Capitalism End? (2016), van de Duitse socioloog Wolfgang Streeck . Een horrostory over wat Streeck “The Beast” noemt.
  • Foretelling the End of Capitalism. Intellectual Misadventures since Karl Marx (2020), van Franscesco Boldizzoni, economisch historicus en professor politieke wetenschappen. Hij traceert de intellectuele geschiedenis van doemvoorspellingen van Marx en Mill tot heden.
  • The Future of Capitalism (2018), van Paul Collier, professor Economie aan Oxford University en voormalig Director of the Research Department van de World Bank. Hij verwerpt de oplossingen van demagogen en populisten en stelt pragmatische pistes voor. “Capitalism needs to be managed, not defeated.
  • Deaths of Despair and the Future of Capitalism (2020) van Anne Case en Nobelprijswinnaar Angus Deaton. Een exclusief Amerikaanse insteek, maar met interessante lessen over wat er fout en te herstellen is aan kapitalisme in het algemeen.
  • Addendum, hoe kon ik hem vergeten: Capitalism, Alone. The Future of a System that Rules the World (2019), van Branko Milanovic.
  • Mischien ook nog: Capitalism 4.0: The Birth of a New Economy in the Aftermath of Crisis? (2010), van de Britse economische journalist Anatole Kaletsky. Maar daar wil ik eerst nog checken of het in de voorbije jaren verouderd is, en hoe.

Spoiler alert: op het einde van de reeks zal ik waarschijnlijk de vraag of het einde nabij is, niet kunnen beantwoorden.