Contra De Grauwe: Als je ten oorlog trekt, zeg je wél ‘Ja maar, hoeveel gaat dat kosten?’

In een interview met De Tijd over de herwerkte uitgave van zijn boek De limieten van de markt zegt Paul De Grauwe over de Coronacrisis: “Vandaag is het alle hens aan dek. Het systeem davert op zijn grondvesten. Als je ten oorlog trekt, zeg je toch niet: ‘Ja maar, hoeveel gaat dat kosten?‘”

De inspanningen die Groot-Brittannië moest doen om de Eerste Wereldoorlog te financieren, vertellen een ander verhaal.

Niemand minder dan John Maynard Keynes legde met zijn bijdrage tot de oorlogsfinanciering de basis van een loopbaan die van hem de bekendste en meest invloedrijke econoom van de 20ste eeuw zou maken.

De Amerikaanse journalist Zachary Carter geeft in zijn recente The Price of Peace. Money, Democracy and the Life of John Maynard Keynes (2020) (zie bespreking hier) heel meeslepend en bijzonder goed gedocumenteerd een kijk achter de schermen van de politiek en de haute finance van die oorlogsfinanciering en de rol die Keynes daarin speelde.

Het verhaal begint wanneer Keynes, toen 31 jaar jong, in augustus 1914 in allerijl naar Londen wordt gehaald om de Britse regering te helpen de crisis op te lossen waar Londen in was beland toen duidelijk werd dat Europa op een oorlog afstevende.

Londen was toen het financiële centrum van een wereld die draaide op de goudstandaard. Maar het wapengekletter leidde ertoe dat banken en particulieren overal ter wereld hun goud begonnen op te vragen of bijhielden. Ook de goudkluizen van de Britse centrale bank stroomden leeg. Niet alleen de Britse economie en de positie van Londen als financieel centrum van de wereld kwamen in het gedrang. Volgens Zachary Carter stond in die augustusdagen zelfs de uitkomst van de oorlog op het spel: “The policy choices made in the next few days would shape the empire’s war economy, perhaps even determine the outcome of the war itself.” (p 13)

Keynes wist het onheil te keren door de politici, tegen de zin van de bankiers, ervan te overtuigen de inwisselbaarheid van goud aan te houden en nieuw geld te drukken.

Keynes’ aanpak werkte. Groot-Brittannië werd het enige land dat de inwisselbaarheid van goud nog garandeerde en kon zijn positie als financieel centrum van de wereld voorlopig handhaven. Keynes werd prompt benoemd tot topadviseur van de Britse regering voor oorlogsfinanciering, een van de meest invloedrijke posities in de Britse regering tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In de jaren daarna reisde hij de wereld af om op topniveaus die oorlogsfinanciering te onderhandelen.
Hij onderhandelde over leningen van Groot-Brittannië aan Italië, Frankrijk, België en Rusland om hun oorlogsinspanningen te financieren. Toen duidelijk werd dat Groot-Brittannië de oorlogsfinanciering niet voor heel Europa, en zelfs niet voor zichzelf, zou kunnen dragen, begonnen ook de onderhandelingen over Amerikaanse leningen.

Financing the war had become a fundamental element of combat strategy“, schrijft Zachary Carter (p 42).

Zo voerde Keynes in 1915 een strijd met de militairen die als strategie hadden bedacht om Duitsland een mokerslag toe te dienen. Ze hadden daarvoor wel 1.6 miljoen nieuwe rekruten nodig. “Fout,” vond Keynes. De oorlog zou gewonnen of verloren worden op economisch vlak en het plan van de militairen was onbetaalbaar. “The limitations of our resources are in sight“.

In plaats van een militaire mokerslag stelde Keynes voor zoveel mogelijk economische krachten aan het werk te zetten, onder meer om de export naar de VS op te drijven om dollars te verdienen waarmee dan weer hoogstnoodzakelijke Amerikaanse invoer kon betaald worden. De economie kon maar 840,000 nieuwe rekruten leveren.

Het plan van Keynes werkte andermaal. De Britse economie groeide tijdens de oorlog met 15 procent. Keynes had meteen geleerd dat overheidsstimulering van de economie in speciale omstandigheden een goed idee was.

Ondertussen moest hij wel met lede ogen aanzien hoe Groot-Brittannië, en heel Europa, steeds afhankelijker werden van Amerikaanse financiering. Hij voorspelde midden de Eerste Wereldoorlog al een naoorlogse wereld die zou gedomineerd worden door de VS en Wall Street financiers.

Omdat de Amerikaanse president Woodrow Wilson Amerika toen nog uit de oorlog wilde houden, en weigerde om Amerikaans overheidsgeld te lenen aan elk land in het conflict, moest Keynes zich noodgedwongen richten tot Amerikaans privékapitaal. De jonge Amerikaanse zakenbank JP Morgan vaarde er wel bij. Ze leende niet alleen geld aan Groot-Brittannië, maar wist op dat geld nog extra te verdienen door zich op te werpen als inkoopagent voor alle inkopen die Groot-Brittannië in de VS deed, en daarop een vindersloon van 1 procent te vorderen.

Midden 1916 berekende Keynes dat 40 procent van de 5 miljoen pond die Groot-Brittannië dagelijks aan de oorlog spendeerde, uit de VS kwam.

De afhankelijkheid was compleet. Toen Wilson in november 1916 de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank de opdracht gaf Amerikaanse beleggers te waarschuwen dat ze voorzichtig moesten zijn met leningen aan Groot-Brittannië en Frankrijk, belandde Groot-Brittannië weer in een financiële crisis.

Wilson had het financiële wapen gebruikt in een poging om “de oorlog te beëindigen zonder overwinning”. Duitsland speelde niet mee en aanvallen van Duitse onderzeeërs op Amerikaanse schepen brachten de VS in april 1917 in de oorlog, een week voor dat, volgens Keynes’ berekeningen, de Britse Schatkist op droog zaad zou komen te zitten.

Ook in de VS hadden ze zich trouwens afgevraagd “hoeveel de oorlog zou kosten”. De Amerikaanse oorlogsinspanningen leidden tot een 25-voudige stijging van de overheidsuitgaven.

Onderzoekers Eric Hilt, Matthew Jaremski en Wendy Rahn vertellen in een recente paper, When Uncle Sam Introduced Main Street to Wall Street: Liberty Bonds and the Transformation of American Finance, hoe de Liberty Loans die de Amerikaanse overheid uitschreef vanaf mei 2017, de gemiddelde Amerikaan aan het beleggen kregen.

Met de Liberty Loans haalde de Amerikaanse overheid 22 miljard dollar op, 5 biljoen in hedendaagse dollars.


Milgrom en Wilson winnen Nobel Economie met veilingtheorie

Paul Milgrom en Robert Wilson winnen dit jaar de Nobelprijs voor Economie voor hun werk in de theorie van veilingen.

Veilingen bestaan al eeuwen en zijn intuïtief redelijk eenvoudig te begrijpen. Milgrom en Wilson en andere economisten die de jongste decennia rond veilingtheorie gewerkt hebben, tonen niet alleen theoretisch dat veilingen een behoorlijk complexe dynamiek kunnen hebben, maar werkten ook heel praktische toepassingen uit.

Veilingtheorie maakt deel uit van de bredere economische subdiscipline van market design, die nagaat hoe markten optimaal kunnen georganiseerd worden, rekening houdend met onder meer de soms asymmetrische informatie en de incentives van de verschillende deelnemers. Vooruitgang in veilingtheorie is er vooral gekomen vanuit inzichten in speltheorie (academische dialoog tussen Wilson en Alvin Roth, die in 2012 de Nobel Economie won, over How Market Design Emerged from Game Theory.)

Veilingen en market design kennen vandaag praktische toepassingen in eBay, met Google Adwords, en bij het verkopen van een huis. Ze bepalen ook wie mobiele telefonie, elektriciteit of tv-zenders kan aanbieden, hoe emissierechten verhandeld worden, hoe je best de “markt” voor niertransplantaties organiseert, hoe studenten efficiënt en eerlijk een plaats verwerven in een cursus met beperkte plaatsen, of hoe vliegtuigmaatschappijen hun slots krijgen bij slecht weer op een overvolle luchthaven.

Het is wellicht geen toeval dat de prijswinnaars beiden aan de Stanford University doceren. Dit artikel vertelt hoe Stanford een traditie opbouwde waarbij economisten nauw samenwerken met ingenieurs, en hoe ze elkaars disciplines wederzijds bevruchten.

Het “popular information” artikel van het Nobelprijscomitee geeft een helder overzicht van veilingtheorie en de bijdragen van Milgrom en Wilson.

Voor wie denkt dat veilingen veilingen zijn, hier alvast de vier basissoorten (waar onder meer Milgrom en Wilson er al een paar hebben toegevoegd), zoals gedefineerd in het goede artikel van Wikipedia over veilingtheorie:

  • First-price sealed-bid auction: bieders dienen hun bod gelijktijdig in in een gesloten omslag; de hoogste bieder wint en betaalt de prijs die hij geboden heeft
  • Second-price sealed-bid auctions (Vickrey auction): bieders dienen hun bod gelijktijdig in in een gesloten omslag; de hoogste bieder wint en betaalt de prijs die de tweede hoogste bieder geboden heeft
  • Open ascending-bid auctions (Engelse veiling): deelnemers bieden tegen elkaar op, kennen elkaars bod en stoppen met bieden wanneer de prijs hen te hoog is; wanneer niemand meer bereid is hoger te bieden, wint de hoogste bieder. Soms bepaalt de verkoper een reservatieprijs
  • Open descending-bid auctions (Nederlandse veiling): de verkoper start met een hoge prijs en zakt dan tot een bieder bereid is te kopen

Een van de nieuwe veilingsoorten die Milgrom en Wilson toevoegden, was de Simultaneous Multiple Round Auction (SMRA).

De Amerikaanse Federal Communications Commission (FCC) gebruikte die voor het eerst in 1994 om in 47 biedrondes tien licenties voor mobiele telefonie te verkopen voor 617 miljoen dollar. Voordien werden die licenties weggegeven of in een loterij verdeeld. Sinds 1994 brachten SMRA’s de Amerikaanse overheid meer dan 120 miljard dollar op. Ze werden ook snel gebruikt in andere landen.

De politieke economist Glen Weyl, die nu voor Microsoft werkt, startte enkele maanden geleden een bitsige controverse over market design en veilingen met een artikel, How Market Design Economists Helped Engineer a Mass Privatization of Public Resources. “The way economists designed the auction included hundreds of millions of profits for private equity firms and a disappointing outcome for taxpayers.”

Hier is het antwoord van Milgrom, en hier de reply van Weyl.

Milgrom startte in 2007 het bedrijf Auctionomics, dat zowel overheden als bieders in veilingen adviseert.

Goed, toegankelijk interview met Milgrom (YouTube).

Petite histoire: Milgrom ontmoette zijn tweede vrouw, de sociologe Eva Meyersson Milgrom, in 1996, toen hij naast haar zat op het Nobel Prize diner in Stockholm.


* The Price of Peace *

De ondertitel is Money, Democracy and the Life of John Maynard Keynes en het boek staat op mijn nominatielijst voor beste boek van het jaar 2020. De auteur is Zachary D. Carter, een politiek en economisch journalist van HuffPost, voor wie dit merkwaardig genoeg zijn eerste boek is.

Een eerste bedenking zou kunnen zijn: Nog een biografie van Keynes?
Robert Skidelsky publiceerde in 2003 John Maynard Keynes. Economist. Philosopher. Statesman, dat een samenvatting is van de absoluut definitieve driedelige biografie die hij schreef van 1983 tot 2000. Van dezelfde Skidelsky is er Keynes. The Return of the Master, dat hij publiceerde in 2010, en waarin hij betoogde dat Keynes weer relevant was na de financiële crisis van 2008-2009.

De kwaliteit van The Price of Peace is dat het boek een filmische, meeslepende verhaalstijl combineert met gedetailleerde en scherpe analyses en syntheses van Keynes’ denken en schrijven, van de ontzettend belangrijke rol die hij gespeeld heeft in de internationale geschiedenis van 1917 tot 1946 en daarna, en van zijn invloed op de economie, zowel theoretisch als in de praktische politieke economie.

Voor de filmische verhaalstijl kan Carter een beroep doen op zijn journalistieke talent, maar natuurlijk ook op het kleurrijke leven van Keynes zelf.

Zie de openingszin van het boek: “In the spring of 1922, John Maynard Keynes was in love. He was terrified.”

En even verder:

Keynes was a tangle of paradoxes: a bureaucrat who married a dancer; a gay man whose greatest love was a woman; a loyal servant of the British Empire who railed against imperialism; a pacifist who helped finance two world wars; an internationalist who assembled the intellectual architecture for the modern nation-state; an economist who challenged the foundations of economics. But embedded in all of these seeming contradictions is a coherent vision of human freedom and political salvation. (p XX)

Voeg aan de paradoxen overigens gerust toe hoe Keynes in zijn werk heel toegankelijke journalistiek en pamfletten heeft weten te combineren met academische traktaten die enkel een handvol economen volledig kunnen begrijpen.

Keynes maakte deel uit van de Bloomberg Groep in Londen, een kliek van excentrieke kunstenaars, schrijvers en intellectuelen met onder meer Virginia Woolf, E. M. Forster, Lytton Strachey, Duncan Grant en Clive Bell. De economist was er een buitenbeentje. Hij heeft zijn leven lang last gehad van kunstenaarsjaloezie, en werd er soms wat buitengesloten omdat hij teveel deel uitmaakte van het establishment. Maar dat belette hen niet te genieten van de genereuze financiële steun die hij hen kon geven, dank zij zijn diverse inkomens als overheidsadviseur en uit succesvolle beleggingen op de beurs.

De verwevenheid van Keynes met de (elitaire) intelligentsia in het Engeland van de eerste helft van de 20ste eeuw blijkt ook uit de anekdote hoe hij er via een tussenkomst bij de Britse regering voor gezorgd heeft dat Ludwig Wittgensteins manuscript van de Tractatus Logico-Philosophicus, een van de meesterwerken van de 20ste-eeuwse filosofie, verstuurd werd van het kamp in het Italiaanse Cassino waar Wittgenstein als oorlogsgevangene zat, naar Engeland.

De Bloomberg-verhaallijn zorgen voor persoonlijke noten en sappige anekdotes. Maar door de ontzettend grondige en gedetailleerde research van Carter kijkt de lezer vooral mee over de schouder van een deelnemer aan de Grote Gebeurtenissen van die eerste helft van de 20ste eeuw.

Keynes zat mee aan tafel bij de noodingrepen om de Britse economie door twee wereldoorlogen te financieren, bij de onderhandelingen van het Verdrag van Versailles en in Bretton Woods, waar de contouren van de wereld na de Tweede Wereldoorlog werden getekend. Carter heeft blijkbaar de volledige correspondentie van Keynes en andere hoofdfiguren doorgenomen en citeert, om maar enkele voorbeelden te noemen, uit vertrouwelijke nota’s aan de Amerikaanse president Wilson tijdens de onderhandelingen van Versailles, uit brieven aan de Britse Eerste minister David Lloyd George en uit een lange brief aan Friedrich Hayek over diens The Road to Serfdom.

In juni 1919, toen de Versailles-onderhandelingen tussen Duitsland en de overwinnaars van de Eerste Wereldoorlog maar bleven aanslepen, en midden de Spaanse griep epidemie, schreef hij de Britse Eerste Minister David Lloyd George om zijn ontslag uit het Versailles-team te melden:

Dear Prime Minister, I ought to let you know that on Saturday I am slipping away from this scene of nightmare. I can do no more good here. I’ve gone on hoping even through these last dreadful weeks that you’d find some way to make of the treaty a just and expedient document. But now it’s apparently too late. The battle is lost” (p 87)

We weten nu dat Keynes in die brief, en in het pamflet The Economic Consequences of the Peace dat hij niet lang daarna schreef, akelig scherp de kiemen van de opgang van het nazisme en van de Tweede Wereldoorlog voorspelde.

Wat dacht Zachary Carter toe te voegen aan wat we al weten over Keynes en over de economische geschiedenis van de 20ste eeuw?

Ik denk dat het hem vooral om een rehabilitatie van de erfenis van Keynes te doen was, in de trant van Skidelksy’s The Return of the Master.

Maar Carter doet het vanuit een speciale invalshoek, waar meteen ook een constructiefout in het boek zit.

Vanaf ongeveer pagina 350 (van de 534) en hoofdstuk 12 (van de 17), over de Bretton Woods conferentie vlak na de Tweede Wereldoorlog begint er iets te knagen in het hoofd van de lezer die denkt dat hij een biografie van Keynes aan het lezen is en die zich nog vaag herinnert tot wanneer Keynes geleefd heeft. In het verhaal wordt duidelijk dat Keynes ernstig ziek is. Op pagina 368 (in 1946) sterft hij, nadat hij in Bretton Woods ineengestort is, naar Engeland gevaren is, en nog een laatste wandeling gedaan heeft met zijn vrouw, de ballerina Lydia Lopkova. Dan hebben we dus nog ongeveer een derde van het boek te gaan?

Carter besteedt dat laatste derde van zijn boek aan een analyse van de invloed van Keynes, met een vrijwel exclusieve focus op de Amerikaanse academische economie en de Amerikaanse economische politiek (met scherpe uithalen naar Obama en vooral Clinton). Dat is natuurlijk zijn goed recht en het levert wel degelijk een toegevoegde waarde vergeleken met andere Keynes-biografieën. Maar de lezer voelt zich toch een beetje gepakt: Carter (of zijn uitgever) hadden het op een of andere manier moeten laten weten.

Nu, de Amerikaanse invalshoek komt niet nergens vandaan. “The history of Keynesianism is an intellectual history of American power, both its promise and its abuse,” schrijft Carter in de inleiding, en hij toont dat overtuigend aan. Enkele van de interessantste (en soms griezelige passages) in het boek zijn die waarin Keynes beseft dat de macht van het Britse Rijk aan het tanen is en dat hij getuige én, aan de onderhandelingstafel, bedelaar-actor is in de overname van de wereldmacht door de Verenigde Staten, vaak cynisch georkestreerd door overmachtige Amerikaanse financiers.

In zijn poging om de erfenis van Keynes te rehabiliteren, wil Carter de economie en de economische wetenschap weer een ambitieuzer project geven, dat aansluit bij waar het Keynes om te doen was

Today, Keynes is remembered as an economist because it was through the field of economics that his ideas exercised their greatest influence. College students are taught that he urged governments to accept budget deficits in a recession and spend money when the private sector cannot. But his economic agenda was always deployed in service of a broader, more ambitious social project. Keynes was a philosopher of war and peace, the last of the Enlightenment intellectuals who pursued political theory, economics and ethics as a unified design. (p XVIII)

Wat Carter betreurt en aantoont, is hoe het Keynesianisme, zelfs bij zijn aanhangers, verworden is van een ambitieuze internationale visie op wereldvrede en -welvaart tot een mechaniekje om nationale budgetten te sturen:

While all the top American economists were Keynesians by the 1960s, nobody thought about Keynesian economics as an international idea. Keynes and Keynesianism were strictly confined to a set of strategies that individual nation-states could pursue to climb out of recession or fine-tune unemployment and inflation. Keynes the philosopher of war and peace had given way to Keynes the fiscal therapist. (p 442)

Heel wat economisten zijn afkerig tegenover vakgenoten die zich geroepen voelen aan politiek advies te doen. Keynes ervaarde zelf ook zijn hele leven de spanning tussen academische vrijheid en rigueur en wat hij zag als de plicht om zich te mengen in het politieke mêlee. Maar een van zijn diepste inzichten was dat “markets and even money itself were fundamentally political creatures. There was no ideal market process floating in the ether, waiting to be realized when government disappeared. (p 497)

Keynes genoot zelf teveel van het voorrecht en de uitdaging om op het eerste plan deel uit te maken van de Grote Beslissingen in de internationale politiek om uiteindelijk teleurgesteld te zijn. Maar hij is toch blijven kampen met die frustratie: “Keynes believed that good ideas would eventually triumph over bad ideas, that people could ultimately recognize good arguments and change their minds.” (p 532)

Wat Carter wil bepleiten, is een terugkeer van de ambitie en het radicale optimisme dat Keynes dreef. Wellicht tegen beter weten in?

Keynesianism in this purest, simplest form is not so much a school of economic thought as a spirit of radical optimism, unjustified by most of human history and extremely difficult to conjure up precisely when it is most needed: during the depths of a depression or amid the fevers of war. ( p 533)

Ik maakte me nog twee bedenkingen tijdens het lezen:

  • We wisten het al. Maar economisten zijn het dus echt niet eens. En niet op details maar heel fundamenteel en onverzoenlijk. Wat voor een wetenschap is dat?
  • Het relaas in het derde deel van het boek, over de invloed van het Keynesianisme op de (Amerikaanse) politiek, toont tussen de regels volgens mij een verslechtering en vervuiling van de politieke zeden in de VS sinds de jaren 1990, zelfs vergeleken met de heel vuile periode van het McCarthyisme, waar Keynesianisten in de VS erg onder geleden hebben omdat ze beschuldigd werden van communisme.

Zeer, zeer aanbevolen. Al is het omdat Keynes wellicht de ultieme reluctant economist is.


RIP Oliver Williamson, economist van de organisatie

De formidabele economist Oliver Williamson is donderdag overleden ( Twitter). Williamson kreeg in 2009, samen met Elinor Ostrom, de Nobel Memorial Prize in Economic Sciences, en is een van de meest geciteerde onder de economen (274,133 volgens Google Scholar).

Bedrijven zijn in economische analyse meestal een zwarte doos. Williamson was, na Ronald Coase in de jaren 1930, een van de eersten die de doos openden. Het veld waarin hij werkte, wordt afwisselend beschreven als economics of governance, economics of organization, transaction cost economics, en new institutional economics.

Zijn grote bijdrage tot de economie is een zeer rigoureuze analyse van hoe en waarom bedrijven zich organiseren, of kunnen organiseren, als eilanden van coördinatie in de zee van de ongeplande markteconomie (Coase). Hij verruimde daarvoor het kader van de economische analyse met onder meer organisatieleer, psychologie, sociologie en juridische analyse. De lens waardoor hij naar organisaties, bedrijven en de markt keek, was niet die van “keuze”, zoals in de klassieke economie, maar die van “contract”, “transactie”, “transactiekosten” en “governance”.

Terwijl de klassieke economie elke transactie beschouwt als een eenmalig (markt)gebeuren, heeft Williamson aandacht voor die transacties die kaderen in langetermijnrelaties, waar de continuïteit extreem belangrijk is. Vandaar de aandacht voor contracten en governance. Contracten zijn poging om een langetermijnrelatie te regelen. Maar ze zijn nooit volledig: ze kunnen nooit alle omstandigheden specifiëren die de contracterende partijen zullen tegenkomen. Governance wordt dan de inspanning om orde te creëren, conflict te vermijden of te verzachten, en wederzijds gewin te realiseren.

Williamson werkt in dat kader niet met een verondersteld rationele actor die in elke transactie zijn eigenbelang wil maximaliseren, maar met reële mensen, die meestal routinematig werken en soms opportunistisch zijn. Hij vraagt zich dan af welke in deze context de formele én informele mechanismen kunnen zijn voor een geloofwaardige inzet voor de geest van het contract (credible commitment). Reputatie is zo’n mechanisme, maar ook de bindende afspraak om geschillen niet via juridische weg maar via arbitrage te regelen.

Williamson pikte de originele vraag van Coase (1937) op – waarom worden sommige transacties binnen het bedrijf gedaan, en andere, zeer gelijkaardige, op de markt; waarom, met andere woorden, zijn er überhaupt bedrijven en is niet alles markt? Waarom worden mensen werknemers en is niet iedereen zelfstandig? – en bouwde er een stevige en testbare theorie rond.

Een voor de hand liggende toepassing is de make-or-buy beslissing, waarover in elk bedrijf wel elke maand een discussie gevoerd wordt. Een uitbreiding van dit probleem brengt ons bij het vraagstuk van zin of onzin van verticale integratie, waarmee Williamson zijn onderzoek ooit begon.

De sleutels tot een uitkomst in deze beslissing zijn de transactiekosten en wat Williamson asset specificity noemt. Beide worden miskend in traditionele economische analyse. Transactiekosten worden in klassieke economische analyse gewoon op nul gezet, terwijl ze beslissingen wel in de ene of andere richting kunnen doen kantelen. Specifieke assets zijn assets (grondstoffen, werknemers, locatie, merk, …) die meer, of zelfs enkel, waarde hebben in een welbepaalde transactie. Denk aan een spoorlijn die enkel moet dienen om steenkool uit een mijn te vervoeren.

De theorie van Williamson zegt dat als de assets specifiek zijn, een make beslissing is aangewezen, of zelfs verticale integratie. Voor generieke assets is de markt de beste soort transactie.

Daaruit volgt meteen een goede definitie van het reële bedrijf, die destijds sterk afweek van hoe de klassieke economie het bedrijf beschreef. Het bedrijf is die set van transacties waarvoor de beslissing is om te maken in plaats van te kopen.

Williamsons inzichten hebben een enorme invloed gehad op zeer diverse domeinen. Mensen die aan blockchain technologie werken, noemen hem bijvoorbeeld hun belangrijkste theoretische inspiratie voor hun werk aan de automatisering van vertrouwen en verwante institutionele technologieën.

Hij is ook een van de weinige academische economisten die zeer vaak geciteerd worden in management- en strategieliteratuur. Hoewel hij zelf nauwelijks in management- en strategietijdschriften publiceerde, was hij volgens een studie van 1980 tot 2009 de tweede meest geciteerde auteur in het vlaggenschip Strategic Management Journal, na Michael Porter, die veel bekender is bij managers en strategen.

De artikels en boeken van Williamson zijn veel minder gemakkelijke literatuur dan de meeste strategie- en management bestsellertjes, omdat hij zo rigoureus theoretisch is. Nochtans snijden Williamsons inzichten heel vaak meer hout dan de bestsellertjes.

Het is niet moeilijk te zien waarom. De Zaterdag Quote van vandaag is naast een eerbetoon aan Williamson een van de beste formuleringen van strategie (t.o. “strategizing“) die ik ken. Helaas zijn er vandaag nog teveel managers en strategen die liever aan strategizing doen.

Er zijn nog niet veel goede obituaries. Het nieuws is blijkbaar onder de Corona-radar gepasseerd.


Economische historicus Melissa Dell wint Baby Nobelprijs

Melissa Dell van Harvard University wint dit jaar de John Bates Clark Medal. De American Economic Association reikt de John Bates Clark Medal, die vaak de Baby Nobelprijs wordt genoemd, elk jaar uit aan wie zij de meest invloedrijke economist jonger dan 40 jaar vindt. The Economist noemde haar in 2018 al een van de top acht jonge economisten van het decennium.

Melissa Dell onderzoekt hoe economische ontwikkeling kan worden verklaard door historische instellingen (institutions). Ze heeft ook onderzoek gedaan in het domein van klimaateconomie.

Uit de aankondiging van de American Economic Association:

A central question in history, political economy and economic development is the role that institutions play in the development of different societies. Through her pioneering careful and creative data collection and empirical work, Melissa Dell has advanced our understanding of the role state and other institutions play in the daily lives of and economic outcomes of ordinary people. In doing so she has also given a new energy and direction to the entire field of political economy and development.

In Trafficking Networks and the Mexican Drug War (American Economic Review, 2015), onderzocht Dell de invloed van de Mexicaanse drugoorlog op lokale ontwikkeling.

In haar meest recent gepubliceerde artikel, The Development Effects of the Extractive Colonial Economy: The Dutch Cultivation System in Java (The Review of Economic Studies, 2020, samen met Benjamin Olken), onderzoekt ze de langetermijneffecten van de Nederlandse suikerproductie in Java in de 19de eeuw. Ze komt tot de bevinding dat gebieden in de buurt van de 19de eeuwse suikerfabrieken in Java vandaag meer geindustrialiseerd zijn, betere infrastructuur en onderwijs hebben en rijker zijn dan andere gebieden waar geen suikerproductie plaatsvond.

Het is zeer bemoedigend dat de John Bates Clark Medal naar een economisch historicus gaat.