Buiten strijd

De Reluctant Economist is een tijd buiten strijd geweest. Excuus. Vanaf deze week back in full force.

De komende weken zullen er posts opduiken die gebaseerd zijn op haastig geschreven nota’s uit de voorbije weken. Onvermijdelijk zal er af en toe enige afstand van de actualiteit zijn. Maar dat is misschien niet slecht.


Dinsdag quote

The vast material and intellectual progress under the short era of liberalism threatens to be its own undoing, through placing power – physical, intellectual, organisational, and moral or psychological – in the hands of man and especially the common man, more rapidly than he has educated himself to distribute it equitably and use it wisely.

Frank H. Knight (1921). Risk, Uncertainty and Profit, Preface to the 1948 Edition, p lii

Jaarrapport sociale economie 2019

Het Departement Werk en Sociale Economie van de Vlaamse overheid publiceerde zopas het Jaarrapport sociale economie 2019.

De sociale economie omvat de maatwerkbedrijven (de vroegere beschutte en sociale werkplaatsen), de lokale diensteneconomie en de bedrijven in de arbeidszorg.
In die bedrijven werkten vorig jaar 28,741 gesubsidieerde doelgroepwerknemers, een groei met 5 procent tegenover 2018. De Vlaamse overheid keerde de sociale-economiebedrijven vorig jaar 423.1 miljoen euro subsidies uit, of gemiddeld 14,700 euro per gesubsidieerde werknemer.

In grote maatwerkbedrijven kan die subsidie, die bestaat uit een loonpremie, een begeleidingspremie en een organisatiepremie, oplopen tot meer dan 25,000 euro per jaar per werknemer.

Van de doelgroepmedewerkers in de sociale economie is 82 procent kortgeschoold, tegenover 13 procent in de algemene werkende bevolking; 17.4 procent heeft een migratieachtergrond, tegenover 7.3 procent bij de werkende bevolking; 80 procent heeft een werkloosheidsduur van meer van 12 maanden achter de rug; 70 procent wordt door de VDAB beschouwd als persoon met een arbeidshandicap.

Veel doelgroepwerknemers hebben een medische, mentale, psychische of psychosociale problematiek.

Het maatwerkdecreet, dat de sector vanaf 2019 ingrijpend hervormde, had als expliciete doelstelling doelgroepwerknemers uit de sociale economie te laten doorstromen, bij voorkeur naar de reguliere economie.

Dit jaarrapport kan de eerste resultaten van die doelstelling voorleggen. In 2019 stroomden 793 doelgroepmedewerkers door naar de reguliere economie. Dat is net geen 3 procent. Het grootste deel van de doelgroepwerknemers die in 2019 gestopt is in de sociale economie, is drie maanden na uitstroom nog steeds werkloos.

Het is moeilijk te zeggen of die 793 doorstromers naar de reguliere economie een succes zijn of niet.
In haar Beleidsbrief Sociale Economie 2015-2016 schreef minister Liesbeth Homans destijds dat ze “zoveel mogelijk mensen” wilde laten doorstromen. In diezelfde beleidsbrief schreef ze dat het Europees Sociaal Fonds Vlaanderen een budget van 5 miljoen euro ter beschikking stelde. Daarmee konden “over een looptijd van 2,5 jaar 1.190 trajecten gefinancierd kunnen worden”. Dat zou dus een run rate van 480 per jaar betekenen, en daar zit het eerste jaar met 793 alvast fors boven.

Het loopt wel niet altijd helemaal vlot met de organisatie en begeleiding van de doorstroom, zo blijkt uit getuigenissen uit het werkveld.

De directeur van de Wase Werkplaats, een van de grotere en innovatievere maatwerkbedrijven, waar meer dan 500 mensen met een beperking werken, getuigt: (full disclosure: dit is mijn broer)

“Als overgangsmaatregel heeft de Vlaamse overheid 10 procent van het bestaande personeelsbestand geselecteerd voor screening. Dit is gebeurd op basis van vier objectieve criteria: leeftijd, scholing, het bestaande ondersteuningspakket (hoog/laag), en datum in dienst. Eerste grote (domme) fout van de Vlaamse administratie: bij die selectie heeft men elk van deze criteria apart gemeten. Dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat wij een medewerker hebben met een middelbaar diploma, van 64 jaar die nu door de VDAB moet gescreend worden. Van de lijst van 60 doelgroepwerknemers die in Wase Werkplaats geselecteerd zijn, komen er volgens ons, door deze meetfouten alleen al, 35 niet in aanmerking voor doorstroming.”

Een tweede probleem is dat de VDAB, die een cruciale rol moest spelen in heel het doorstroomverhaal, niet is voorbereid op de screening.

Ook vanuit de werknemers die (moeten) doorstromen zijn er vragen. Wat als het niet lukt op de doorstroomjob? Dreigen zij niet als eerste hun job te verliezen als het wat minder gaat? Kunnen zij zo maar terug naar het maatwerkbedrijf?

In een breder economisch perspectief vraagt de sector om de contingentering, waarmee de Vlaamse overheid de groei van het aantal doelgroepmedewerkers aan banden legt, te herbekijken.

De werkgelegenheidsgraad van de groep kortgeschoolden en langdurig werklozen bedraagt al heel lang ongeveer 50 procent en stijgt niet. “Als België of Vlaanderen naar een werkgelegenheidsgraad van 80 procent willen, dan zullen we ook deze groep moeten aanspreken.”

Einde 2019 waren er volgens het Jaarverslag 6,600 mensen “in dossier” bij VDAB met een advies voor tewerkstelling in de sociale economie. Dat is dus bijna een kwart van het huidige effectieve werknemersbestand dat thuis zit te wachten om aan de slag te gaan. Het echte potentieel is nog een stuk groter.

Oproepen om de contingentering te versoepelen gaan steevast gepaard met redeneringen over terugverdieneffecten.

SST, de netwerkfederatie van de sociale werkplaatsen in Vlaanderen, berekende een zeer ruim terugverdieneffect van 12.200 euro per werknemer in een maatwerkbedrijf.

Een iets voorzichtiger en gedetailleerdere inschatting van Bea Cantillon, Jill Coene en Sarah Marchal in het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2019 komt uit op een terugverdieneffect van 5,000 euro per jaar in het meest gunstige geval, en op een negatief effect als er hoge begeleidingskosten zijn.

Cantillon e.a. wijzen er ook graag op dat het netto beschikbaar inkomen voor een alleenstaande werknemer in een collectief maatwerkbedrijf volstaat om te ontsnappen aan armoede.

Een probleem met de terugverdieneffecten is dat het de federale overheid is die daarvan geniet, terwijl de regionale overheden de kosten dragen.

De sector beweert dat de autonome inkomsten, die de maatwerkbedrijven uit de markt halen, toenemen. Maar daar zijn geen cijfers over. Door de strakke regelgeving mogen die toenemende inkomsten uit de markt ook niet aangewend worden om meer doelgroepwerknemers aan te nemen.


Zaterdag quote

Since economics is meant to be my profession, no matter what I make of my love affair with philosophy, I might as well begin by acknowledging that my profession has had something of a troubled relation with the perspective of happiness.

Amartya Sen (2009). The Idea of Justice, p 269

Tyler Cowen interviewt Jimmy Wales

Excellente Conversation with Tyler, met Jimmy Wales. Wales is de co-oprichter van Wikipedia, wellicht toch het mooiste geschenk dat het internet ons gegeven heeft. Wikipedia is tegelijk misschien het enige restant van de droom over echt open en vrije informatie van in de begindagen van het internet.

Ik ben fan, doneer elk jaar, en verdedig Wikipedia hevig tegenover de weliswaar kleiner worden schare collega’s docenten die studenten (journalistiek en communicatie) menen te moeten waarschuwen om Wikipedia toch niet te gebruiken als eerste stop in hun research. Wel probeer ik studenten te pushen naar de Engelstalige Wikipedia, die enkele malen beter en rijker is dan de Nederlandstalige.

Enkele dingen die ik nog niet wist en opmerkelijke quotes uit het interview. Maar lees het helemaal.

Op de vraag of Wikipedia een Verlichtingsproject is, een “conservatief” project, omdat het kennis bewaart, of een radicaal project, antwoordt Wales: “A little bit of all three, I guess, although probably more of the enlightenment project, which in its own way is quite radical in today’s culture.”

Zelfs op een pagina over een ogenschijnlijk statisch historisch onderwerp zoals het toneelstuk Hamlet van Shakespeare zijn er dit jaar al 35 edits geweest.

Over de lange lijst van regels bij Wikipedia: “One of our oldest rules, the ignore-all-rules rule, (says that) if some rule is preventing you from making Wikipedia better, then ignore that rule.”

Alles eindigt bij filosofie: “If you go to Wikipedia and you go to any entry, once you get past the pronunciation and you click the first link of everything, then it takes only a few clicks, and you end up at philosophy.”

Verschil tussen Wikipedia en social media die een advertentie business model hebben: “Our incentive structure at Wikipedia is not to optimize time on-site.”

Over de beslissing om van Wikipedia een non-profit te maken: “I used to joke it was either the best decision or the worst decision I ever made, but then I stopped even making the joke.”

De beste kritiek op Wikipedia? Op Wikipedia zelf, natuurlijk.

Wales steekt dezer dagen veel tijd in de verdere ontwikkeling van WT.Social, het social media platform dat hij vorig jaar opstartte en dat “social media the way it should be” probeert te zijn.

Wales heeft een probleem met het recht om vergeten te worden principe zoals het in de Europese wetgeving staat. Het laat de beslissing om een link op Google weg te halen over aan Google, terwijl dat volgens hem een rechter toekomt.

Over zijn strijd tegen trollen en PR op Wikipedia: “It’s very hard to get someone to understand something when their paycheck depends on them not understanding it.”


Contra De Grauwe: Als je ten oorlog trekt, zeg je wél ‘Ja maar, hoeveel gaat dat kosten?’

In een interview met De Tijd over de herwerkte uitgave van zijn boek De limieten van de markt zegt Paul De Grauwe over de Coronacrisis: “Vandaag is het alle hens aan dek. Het systeem davert op zijn grondvesten. Als je ten oorlog trekt, zeg je toch niet: ‘Ja maar, hoeveel gaat dat kosten?‘”

De inspanningen die Groot-Brittannië moest doen om de Eerste Wereldoorlog te financieren, vertellen een ander verhaal.

Niemand minder dan John Maynard Keynes legde met zijn bijdrage tot de oorlogsfinanciering de basis van een loopbaan die van hem de bekendste en meest invloedrijke econoom van de 20ste eeuw zou maken.

De Amerikaanse journalist Zachary Carter geeft in zijn recente The Price of Peace. Money, Democracy and the Life of John Maynard Keynes (2020) (zie bespreking hier) heel meeslepend en bijzonder goed gedocumenteerd een kijk achter de schermen van de politiek en de haute finance van die oorlogsfinanciering en de rol die Keynes daarin speelde.

Het verhaal begint wanneer Keynes, toen 31 jaar jong, in augustus 1914 in allerijl naar Londen wordt gehaald om de Britse regering te helpen de crisis op te lossen waar Londen in was beland toen duidelijk werd dat Europa op een oorlog afstevende.

Londen was toen het financiële centrum van een wereld die draaide op de goudstandaard. Maar het wapengekletter leidde ertoe dat banken en particulieren overal ter wereld hun goud begonnen op te vragen of bijhielden. Ook de goudkluizen van de Britse centrale bank stroomden leeg. Niet alleen de Britse economie en de positie van Londen als financieel centrum van de wereld kwamen in het gedrang. Volgens Zachary Carter stond in die augustusdagen zelfs de uitkomst van de oorlog op het spel: “The policy choices made in the next few days would shape the empire’s war economy, perhaps even determine the outcome of the war itself.” (p 13)

Keynes wist het onheil te keren door de politici, tegen de zin van de bankiers, ervan te overtuigen de inwisselbaarheid van goud aan te houden en nieuw geld te drukken.

Keynes’ aanpak werkte. Groot-Brittannië werd het enige land dat de inwisselbaarheid van goud nog garandeerde en kon zijn positie als financieel centrum van de wereld voorlopig handhaven. Keynes werd prompt benoemd tot topadviseur van de Britse regering voor oorlogsfinanciering, een van de meest invloedrijke posities in de Britse regering tijdens de Eerste Wereldoorlog.

In de jaren daarna reisde hij de wereld af om op topniveaus die oorlogsfinanciering te onderhandelen.
Hij onderhandelde over leningen van Groot-Brittannië aan Italië, Frankrijk, België en Rusland om hun oorlogsinspanningen te financieren. Toen duidelijk werd dat Groot-Brittannië de oorlogsfinanciering niet voor heel Europa, en zelfs niet voor zichzelf, zou kunnen dragen, begonnen ook de onderhandelingen over Amerikaanse leningen.

Financing the war had become a fundamental element of combat strategy“, schrijft Zachary Carter (p 42).

Zo voerde Keynes in 1915 een strijd met de militairen die als strategie hadden bedacht om Duitsland een mokerslag toe te dienen. Ze hadden daarvoor wel 1.6 miljoen nieuwe rekruten nodig. “Fout,” vond Keynes. De oorlog zou gewonnen of verloren worden op economisch vlak en het plan van de militairen was onbetaalbaar. “The limitations of our resources are in sight“.

In plaats van een militaire mokerslag stelde Keynes voor zoveel mogelijk economische krachten aan het werk te zetten, onder meer om de export naar de VS op te drijven om dollars te verdienen waarmee dan weer hoogstnoodzakelijke Amerikaanse invoer kon betaald worden. De economie kon maar 840,000 nieuwe rekruten leveren.

Het plan van Keynes werkte andermaal. De Britse economie groeide tijdens de oorlog met 15 procent. Keynes had meteen geleerd dat overheidsstimulering van de economie in speciale omstandigheden een goed idee was.

Ondertussen moest hij wel met lede ogen aanzien hoe Groot-Brittannië, en heel Europa, steeds afhankelijker werden van Amerikaanse financiering. Hij voorspelde midden de Eerste Wereldoorlog al een naoorlogse wereld die zou gedomineerd worden door de VS en Wall Street financiers.

Omdat de Amerikaanse president Woodrow Wilson Amerika toen nog uit de oorlog wilde houden, en weigerde om Amerikaans overheidsgeld te lenen aan elk land in het conflict, moest Keynes zich noodgedwongen richten tot Amerikaans privékapitaal. De jonge Amerikaanse zakenbank JP Morgan vaarde er wel bij. Ze leende niet alleen geld aan Groot-Brittannië, maar wist op dat geld nog extra te verdienen door zich op te werpen als inkoopagent voor alle inkopen die Groot-Brittannië in de VS deed, en daarop een vindersloon van 1 procent te vorderen.

Midden 1916 berekende Keynes dat 40 procent van de 5 miljoen pond die Groot-Brittannië dagelijks aan de oorlog spendeerde, uit de VS kwam.

De afhankelijkheid was compleet. Toen Wilson in november 1916 de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank de opdracht gaf Amerikaanse beleggers te waarschuwen dat ze voorzichtig moesten zijn met leningen aan Groot-Brittannië en Frankrijk, belandde Groot-Brittannië weer in een financiële crisis.

Wilson had het financiële wapen gebruikt in een poging om “de oorlog te beëindigen zonder overwinning”. Duitsland speelde niet mee en aanvallen van Duitse onderzeeërs op Amerikaanse schepen brachten de VS in april 1917 in de oorlog, een week voor dat, volgens Keynes’ berekeningen, de Britse Schatkist op droog zaad zou komen te zitten.

Ook in de VS hadden ze zich trouwens afgevraagd “hoeveel de oorlog zou kosten”. De Amerikaanse oorlogsinspanningen leidden tot een 25-voudige stijging van de overheidsuitgaven.

Onderzoekers Eric Hilt, Matthew Jaremski en Wendy Rahn vertellen in een recente paper, When Uncle Sam Introduced Main Street to Wall Street: Liberty Bonds and the Transformation of American Finance, hoe de Liberty Loans die de Amerikaanse overheid uitschreef vanaf mei 2017, de gemiddelde Amerikaan aan het beleggen kregen.

Met de Liberty Loans haalde de Amerikaanse overheid 22 miljard dollar op, 5 biljoen in hedendaagse dollars.


Zaterdag quote

Many contemporary scholars, and not only popular writers, have … argued that the standard socio-economic science model requires, justifies and promotes selfish behavior. On the contrary, … opportunism in all relational contracting and exchange across time (is a) cost, not a benefit, in achieving long-term value from trade; an ideology of honesty means that people play the game of “trade”,’ rather than “steal” … .

Vernon Smith (2003). Constructivist and Ecological Rationality in Economics (Nobel Prize lecture). The American Economic Review, (93 (3), p 466

Dinsdag quote

(T)he opinion of experts, when it is unanimous, must be accepted by non-experts as more likely to be right than the opposite opinion. The scepticism that I advocate amounts only to this: (1) that when the experts are agreed, the opposite opinion cannot be held to be certain; (2) that when they are not agreed, no opinion can be regarded as certain by a non-expert; and (3) that when they all hold that no sufficient grounds for a positive opinion exist, the ordinary man would do well to suspend his judgment.
These propositions may seem mild, yet, if accepted, they would absolutely revolutionize human life.

Bertrand Russell (1958). On the Value of Scepticism, in The Will to Doubt, p 39 (via Conversable Economist Timothy Taylor)

Voeding in blik: een innovatieverhaal

Het innovatieverhaal over voeding in blik en de blikopener is in verschillende opzichten interessant.

Het verhaal start in 1795, wanneer Napoleon Bonaparte een prijs van 12,000 franc uitloofde, een fortuin in die dagen, voor wie een methode vond om voeding veilig en gedurende lange tijd te bewaren voor zijn soldaten. Europese overheden gebruikten in die tijd vaker prijzen als stimulans voor innovatie.

De Franse chef Nicholas Appert won de prijs in 1810 met een methode waarbij hij voeding in dichtgekurkte glazen flessen liet koken. Dat was vijftig jaar vóór Pasteur de pasteurisatie uitvond. Appert publiceerde in 1810 zijn boek L’Art de conserver les substances animales et végétales.

Aan de overkant van het Kanaal kreeg de Engelse handelaar Peter Durand in 1810 van King George III het eerste patent voor een procédé met blik. Durand verkocht zijn patent in 1812 aan twee andere Engelsen, maar in 1818 herpatenteerde hij zijn Brits patent in de VS.

In de eerste decennia werden blikken met voeding geproduceerd a rato van zes per uur. In de jaren 1840 werd dat zestig per uur.

Voeding in blik brak niet echt door, onder meer omdat de blikken zo moeilijk te openen waren. Je had er een hamer en beitel voor nodig. In de supermarkten deed het personeel de blikken open voor de klanten.

Pas vanaf 1858 ontstond er een “ecosysteem” rond voeding in blik. In dat jaar patenteerde de Amerikaan Ezra J. Warner de eerste blikopener. In 1870 patenteerde William Lyman een variant met een roterende snijder.

blikopener Lyman

In 1926 vond Charles Arthur Bunker de blikopener uit met een tandwiel. Die innovatie zorgde voor de grote doorbraak van voeding in blik en blijft de standaard tot op vandaag.

blikopener bunker

Zaterdag quote

There’s no evidence … that greed or miserliness or self-interest was new in the sixteenth or the nineteenth or any other century. Auri sacra fames, “for gold the infamous hunger,” is from The Aeneid, book 3, line 57, not from Benjamin Franklin or Advertising Age. The propensity to truck and barter is human nature. Commerce is not some evil product of recent manufacture. Commercial behavior is one of the world’s oldest professions.

Deirdre McCloskey (2006). The Bourgeois Virtues. Ethics for an Age of Commerce, p 2

Vrijdagse gevarieerde links

  • Quizje: Kan je inschatten wanneer deze Amerikaanse foto’s genomen werden?
  • Blair Fix onderzoekt en kwantificeert economisch jargon door de tekst uit 43 economische handboeken te vergelijken met de Google books database. Een huzarenwerkje waarvan de conclusies moeilijk samen te vatten zijn.
  • Zeg niet meer “Chinese brol”. Onder meer als gevolg van de Amerikaans-Chinese handelsoorlog daalt de import van kerstverlichting uit China in de VS sterk. Cambodja sprong in het gat en kon zijn export van kerstverlichting naar de VS opdrijven met 223 procent.
  • Onderzoekers van onder meer het Max Planck Institute for Human Cognitive and Brain Sciences in Leipzig vonden 49 categorieën of dimensies waarmee elk object kan worden beschreven of herkend. (open versie van het artikel; achtergrondartikel) De dimensies, gaande van “kleurrijk” en “rood”, over “waardevol” en “badkamer- of hygiënegerelateerd”, tot “blinkend/transparant” en “cylindrisch”, gaan zowel over de waarneembare als over de conceptuele eigenschappen van voorwerpen. Om tot de 49 dimensies te komen, toonden de onderzoekers 1.5 miljoen combinaties van drie voorwerpen aan 5,500 testpersonen, waarbij de testpersoon telkens een object moest uitsluiten.
  • Er bestaat een European Spreadsheet Risks Interest Group en ze verzamelen horrorstories. Twee bekende recente zijn COVID-gerelateerd. Excel bleek de namen van genen op te slaan als datums; en door de beperking van het aantal rijen in de vorige versie van Excel tot 65,000 gingen testresultaten wekenlang verloren (lijkt me minstens ook een menselijke fout).

De grootste beursgang die even niet plaatsvindt

Goed achtergrondartikel over Ant Group, de Chinese financiële reus die vandaag 5 november naar de beurs zou gaan, maar waarvan de beursgang te elfder ure afgeblazen is. Naar verluidt omdat de Chinese overheid wou laten zien wie de baas is.

De geplande beursgang, de interventie van de Chinese overheid en enkele wist-je-datjes en superlatieven over Ant Group tonen beter dan een lang theoretisch betoog hoe (snel) het wereldeconomisch toneel aan het veranderen is.

  • Ant Group wilde voor 34.4 miljard dollar aandelen verkopen op de beurs. De beursgang zou daarmee de grootste uit de geschiedenis worden.
  • De beursgang zou Ant Group op ongeveer 313 miljard dollar waarderen (265 miljard euro). Ze is daarmee de vierde grootste financiële groep ter wereld, na Berkshire Hathaway, Visa and Mastercard.
    Even nagekeken en nagerekend. KBC is vandaag 18.2 miljard euro waard. De volledige BEL-20, de twintig grootste Belgische beursgenoteerde bedrijven, is 235 miljard euro waard.
  • Ant Group ontstond uit Alipay, dat in 2004 startte als een spin-offje voor online betalingen van de Chinese veilinggroep Alibaba. In de beginjaren moest Alipay in China vaak in een grijze legale zone werken.
  • Ondertussen verlopen in China meer betalingen via Alipay dan via cash, cheques en kredietkaarten. De groep heeft vandaag 1.3 miljard gebruikers en verwerkt iets meer dan de helft van alle mobiele betalingen in China.
  • Ant (mier) is een metafoor voor “geen enkele transactie of investering is te klein”. Vele kleintjes maken een groot.
  • Ant Group, dat zich posioneert als the future of money, is vandaag actief in betalingen, investeringen, leningen, kredietscoring en verzekeringen. De groep dankt haar waarde in grote mate aan de synergieën in dat ecosysteem. Meer dan 80 procent van haar klanten gebruikt drie of meer diensten; 40 procent gebruikt ze alle vijf.
  • Xiang Hu Bao is een ziekteverzekeringsplatform dat zich richt tot Chinese werknemers met lage lonen voor wie ziekteverzekering te duur is. Het is gratis toegankelijk en klanten betalen alleen als ze ziek zijn. In het eerste jaar na de lancering won het 100 miljoen klanten.
  • Vorig jaar realiseerde Ant Group een winst van 2.6 miljard dollar op een omzet van 17.5 miljard dollar.
  • Ant Group verwacht dat verdere groei vooral van uitbreiding buiten China zal komen.
  • Alibaba-oprichter Jack Ma heeft met het uitstellen van de beursgang door de Chinese overheid, wellicht met meer dan zes maanden, een signaal gekregen dat hij iets teveel aan het ontsnappen is aan de controle door die overheid.

*Amerikanen*; *De Lengte van een Oceaan*

Je zal maar Amerikacorrespondent zijn en nu nog geen boek over Amerika geschreven hebben.

Steven De Foer en Björn Soenens zijn beide Amerikacorrespondent, de ene meestal vanop afstand, soms reizend, de andere ter plaatse, met New York als uitvalsbasis. Het zijn ook twee van Vlaanderens beste journalisten. Dit voorjaar brachten ze nagenoeg gelijktijdig (De Foer klopte Soenens op de meet) hun Amerikaboek uit.

De Foer schreef Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn; Soenens De Lengte van een Oceaan. Stemmen en stemmingen in Amerika.

Om de verdienste van zowel hun boeken als hun dagelijks werk meteen in perspectief te zetten: De Financial Times heeft ter plaatse een US Pharma and Biotech correspondent (Hannah Kuchler). De Foer (voor De Standaard) en Soenens (voor VRT) worden geacht heel Amerika uit te leggen, inclusief de achtergrond en analyse van wat een van de belangrijkste presidentsverkiezingen in de Amerikaanse geschiedenis is, op een historisch keerpunt dat in het ergste geval zelfs volgens anders behoorlijk nuchtere commentatoren tot een burgeroorlog kan leiden.

Heel Amerika uitleggen is in zekere zin geen dankbare taak. Hoe leg je een zo groot, divers en complex land uit, dat zichzelf zelfs niet meer lijkt te begrijpen? En hoe leg je het uit aan een publiek dat over dit onderwerp steevast al een oordeel en een analyse klaar heeft, zeker in deze gepolariseerde tijden?

Zowel De Foer als Soenens verwijzen in hun boek naar giftige reacties die ze van lezers en kijkers “van beide kanten” krijgen op hun analyses over de Trump-jaren en dat ze het daar soms moeilijk mee hebben.

Anderzijds zijn ze beide journalist genoeg om een fameuze kick te krijgen van dit wonderjaar voor Amerikaverslaggevers en -analisten. They’re having the time of their life!

Als verslaggevers en analisten van het dagelijks nieuws weten De Foer en Soenens dat ze the first rough draft of history aan het schrijven zijn. Met het boek hebben ze zichzelf de taak gegeven een stap verder te zetten en van die first rough draft een ietwat coherenter totaalbeeld te maken. Een reportage is altijd “maar” een tessera, een steentje uit een mozaïek.

In beide boeken, en voor Soenens geldt dat nog straffer dan voor De Foer, verdwijnt dat mozaïek-gehalte nooit helemaal. Dat is een bewuste ingreep geweest van de auteurs en hij werkt ook. Als je genoeg afstand neemt van de mozaïek, krijg je een coherent beeld en zie je wat de auteur bedoeld heeft. Maar ook: soms zie je enkel de steentjes en voel je dat de auteurs “uit hun genre” zijn.

De Foer maakt in Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn zijn mozaïek aan de hand van een combinatie van anekdotische reportages, interviews, zijn diepe kennis van de Amerikaanse cultuur, en de neerslag van heel grondige research in de literatuur.

Een bonus aan het boek is dat De Foer op het einde, in een hoofdstuk “Verantwoording”, bij elk hoofdstuk een bronnen- en literatuurlijst opgeeft. De dankbare lezer kan enkel onder de indruk geraken van de belezenheid en zich afvragen waar deze drukke journalist de tijd gevonden heeft om te lezen wat moet gelezen worden.

De Foer heeft in de design van zijn boek ook de kunst gevonden om relevante feiten en inzichten op de juiste plaats te laten doorsijpelen, soms zij aan zij met een anekdote uit een ontmoeting of interview. Zo bijvoorbeeld de Levittowns, die vlak na de Tweede Wereldoorlog de geboorte inluidden van de voorsteden die het kloppende hart van de VS zouden worden (p 153).

Of de korte geschiedenis van het stadje Flint (p 154), dat we kennen van de documentaire Roger & Me van Michael Moore, en waarvan het dynamisme tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog zo sterk contrasteert met de lethargie waaraan de VS nu ten prooi zijn gevallen.

Dat Lincoln en Marx nog met elkaar correspondeerden (p 200) is meer dan een handig wist-je-datje, maar geeft een perspectief op de Amerikaanse geschiedenis dat je nog niet had. De analyse van de voormalige Franse president Valéry Giscard d’Estaing over verschil tussen EU en VS (p 148) is een trouvaille.

De Foer heeft er, veel meer dan Soenens, voor gekozen om in zijn mozaïek ook de historische achtergrond mee te nemen zonder dewelke je Amerika niet kan begrijpen (en waarvan je je afvraagt hoeveel Amerikanen hem kennen).
Zijn hoofdstukken over de historische achtergronden van het Amerikaanse racisme tegenover zwarten en de oorspronkelijke indianen kunnen zo op de verplichteliteratuurlijst van het middelbaar onderwijs.

Minder voor de hand liggend (maar evident voor wie Alfred Chandler heeft gelezen – niet in De Foers bibliografie, gotcha) is misschien het enorme belang van de industriële ontwikkeling in het laatste derde van de 19de eeuw, die enorm boeiende periode, met de groeispurt (p 149) waarmee de VS de basis legden van hun economische dominantie tot, wel, ongeveer nu, en het Eerie Canal (p 141) als exemplarisch industrieel erfgoed.

Het is een willekeurige en bijlange geen volledige opsomming, die onvoldoende recht doet aan de eruditie waarmee De Foer zijn verhaal lardeert zonder dat het een geschiedenisles wordt (beetje reserve voor het hoofdstuk over de Indianen).

Verliefd

De ondertitel van De Foers boek, (Het had zo mooi kunnen zijn) behoeft enige uitleg, omdat hij zeer goed het “programma” weergeeft van waaruit De Foer geschreven heeft.
De uitleg komt op pagina 283:

Het jonge Amerika van na de Revolutie droeg de kiemen in zich van een utopia, een ideale staat – vanuit het standpunt van blanke mannen althans. Zijn mix van gelijke kansen en meritocratie was zijn tijd ver vooruit. In de jaren na 1776, op het einde van de Burgeroorlog (1861-1865), en na de Great Societyhervormingen (1964-1965) hebben de Amerikanen diverse kansen gehad om die belofte van een droomland in de praktijk om te zetten. Ze hebben het telkens weer verknald, vandaar de teleurstelling.

En dan meteen daarna; het is sterker dan hemzelf:

En toch blijft de VS een land van belofte.

De Foer is, net zoals Soenens trouwens, verliefd op Amerika en de (meeste) Amerikanen. Maar beiden zijn ze ook zwaar teleurgesteld in het onbereikbare object van hun liefde.

De Foer doet het minste moeite om dat te verbergen. Hij maakte er de ondertitel van zijn boek van. Het is een keuze die veel verder gaat dan die voor een invalshoek voor een boek.

De grootste worsteling van beide auteurs is ongetwijfeld geweest wat ze nu juist, als finale analyse, over Trump moesten zeggen. De lezer moet de intellectuele keuze respecteren die elke auteur gemaakt heeft; dat is alleszins wat deze recensent doet. De Foer gooit, na rijp beraad (zo ken ik hem), alle reserves overboord. “De eerste en hopelijk enige termijn van president Trump is een ramp van formaat geweest voor de VS en de rest van de wereld.” (p 284)

Het heeft het voordeel dat we weten waar hij staat.

Jean-Luc Dehaene

Maar we kunnen niet anders dan de vergelijking maken. We willen niet alleen bevestigd worden in onze wellicht gegronde afkeer van het fenomeen Trump. We willen ook begrijpen waarom nagenoeg de helft van een bevolking die we waarderen op dit fenomeen gestemd heeft en het deze week weer zal doen, ondanks de enorme ogenschijnlijke handicap van de Coronacrisis (Jean-Luc Dehaene zou jaloers geweest zijn: hij werd in 1999 naar huis gestuurd omdat er gedurende enkele weken wat minieme hoeveelheden motorolie in wat kippen werden gevonden).

Die poging tot begrip vinden we meer bij Soenens dan bij De Foer. Ze heeft het voordeel dat we meegenomen worden op een zoektocht naar evenwicht. Bij Soenens vinden we eerlijker en iets meer verwoede pogingen om “de andere helft” (de titel van het vierde hoofdstuk) te begrijpen.

Hij gunt, in tegenstelling tot De Foer, Trump zelfs zijn successen, zoals dat met de Noord-Koreaanse leider Kim Jung-Un (p 204) en zijn wrevels, zoals die over de te lage bijdrage aan de NATO van andere landen (p 205). Soenens wijst er ons terecht op: “We vergeten vaak dat Donald Trump niet de oorzaak is van de turbulentie en de problemen van Amerika. Donald Trump is een symptoom ervan.” (p 206) Hij analyseert ook heel duidelijk de slimme maar verderfelijke symbiose tussen Trump en de media.

De mozaïek die Soenens maakt, lijkt qua constructie en stijlkeuzes soms merkwaardig hard op die van De Foer. Beide hebben ze bijvoorbeeld de keuze gemaakt om citaten uit Amerikaanse muziek als een soort rode draad door hun verhaal te weven.

De bijzonderste ingreep die Soenens doet, en die ik na enige aarzeling wel geslaagd vind, is dat hij zijn Amerikaverhaal regelmatig onderbreekt met heel persoonlijke overpeinzingen over het correspondentschap en over de fysieke en soms mentaal pijnlijke afstand die hem scheidt van de meeste van zijn geliefden (“De Lengte van een Oceaan” uit de titel).

Die aanpak geeft het boek een heel speciaal ritme. Dat en zijn eerlijke pogingen om de andere helft te begrijpen, liggen in het verlengde van het (omstreden) constructive journalism dat Soenens al predikte toen hij nog hoofdredacteur was van Het Journaal.

New York

Niet alleen die ingrepen maken van De Lengte van een Oceaan een veel persoonlijker boek dan Amerikanen. Soenens’ boek gaat voor ongeveer een derde (mijn ruwe inschatting) over zijn woonplaats New York. De liefde voor de stad spettert van de pagina’s. We leren van Soenens dat goede adresjes er snel komen en gaan, maar wie in het kort naar New York gaat, heeft met het boek voldoende plekken en adressen voor een gevuld tiendaags verblijf.

Er zit logica en richting in de opbouw van het boek, maar Soenens (of zijn uitgever, die ook op andere vlakken zijn werk niet goed gedaan heeft) had er misschien toch goed aan gedaan wat te schrappen. Hoewel het boek op geen moment verveelt, is het met zijn 488 pagina’s gewoon te dik.

Ook op het vlak van stijl vergt De Lengte van een Oceaan soms inspanningen. Te vaak kortademig. Teveel zinnen zonder werkwoord. Leidt tot een staccato dat op tv of radio beter werkt dan in een boek. Vooral naar het einde van het boek begint Soenens zich ook soms te herhalen. Ook dit had een beetje eindredactie kunnen verhelpen.

Beide boeken zijn grondig geresearched. Maar deze recensent kan het, reluctantly, niet nalaten wat economische spijkers op laag water te zoeken, omdat dat in de “algemene” journalistiek toch nog te vaak nodig is.

Intussen richt (sic) de vernieuwing en innovatie van de economie elke dag ravage aan,” schrijft Soenens (p 256). De ravage is een zijde van wat vaak creative destruction wordt genoemd. Maar als we de VS een ding moeten gunnen, dan toch wel de erkenning van de keerzijde van die creative destruction, die honderdduizenden jobs heeft gecreëerd en die van de Amerikaanse economie nog altijd een van de meest dynamische ter wereld maakt.

Soenens schrijft (p 45) dat “de lonen van ongediplomeerde arbeiders met 40 procent gedaald zijn sinds de jaren zeventig.” Het is niet waar (ze daalden hooguit met 12 a 13 procent voor sommige groepen; sinds 2000 stijgen de lonen van de laagst geschoolden zelfs het derde snelst van alle opleidingscategorieën). Maar het zet wel de foute toon.

De Foer beweert plompverloren dat het trickledowneffect “in veel economische studies al is gelogenstraft” (p 184). Wat is “veel”? Ik had dan graag minstens een autoritaire verwijzing. En zijn het er meer dan die waarin trickledown wordt aangetoond? I don’t think so.

De huizencrisis in Californië heeft volgens De Foer (p 190) alles te maken met het goede weer daar en met de lokroep van Silicon Valley. Dat is een te eenzijdige economische analyse, die voorbijgaat aan de inspanningen van de huidige bewoners om via zoning wetten de bouw van nieuwe woningen tegen te houden.

Nog een spijkertje: Beide auteurs besteden terecht voldoende aandacht aan de opioidencrisis. Die crisis is tot nader order een heel typisch only-in-America fenomeen, dat in 2018 alleen al 49,000 levens eiste, vooral van blanke mannen.

Het is in dit verhaal een mankement dat geen van beide auteurs verwijst naar Deaths of Despair and the Future of Capitalism van Nobelpijswinnaar Angus Deaton en Anne Case, dat echt wel een striemend standaardwerk is over deze onverkwikkelijke kwestie. De analyse van Deaton en Case is ongenadig en vertelt haarscherp en feitengebaseerd wat er mis is met het Amerikaanse gezondheidssysteem. Misschien een interviewtip? Ik denk dat Deaton nogal benaderbaar is.

En nog een laatste, een taalkundige. De Standaard – ik heb nog eens gecheckt of ze het veranderd hadden – hanteert als redactionele regel dat VS als meervoud moet worden geschreven. De Foer (en zijn eindredacteur) zondigen in het boek tegen die regel.

The New Yorker

Zowel Amerikanen als De Lengte van een Oceaan zijn het ideale “Amerika voor beginners” boek, en dat is hoegenaamd niet denigrerend bedoeld.

God weet dat we het na vannacht nodig zullen hebben. Wij Europeanen staan immers te vaak en te snel klaar met ons oordeel over de wonderlijke natie die de VS zijn. Dat wonderlijke blijkt onder meer uit de vaststelling dat de eerlijkste, scherpste en slimste kritiek op de VS meestal van Amerikanen zelf komt. De Amerikanen verstaan beter dan wij de kunst om zulke kritiek niet alleen te tolereren, maar zelfs te cultiveren. Met De Foer en Soenens hebben ze nu twee auteurs van het Oude Continent die, vanuit dezelfde liefde voor het land, even scherp en genuanceerd hun kritiek hebben durven neerschrijven.

Uitsmijter1: Voor zover ik kon nagaan, hebben noch Humo, noch De Morgen tot nu toe een signalement, laat staan een bespreking gepubliceerd van het boek van De Standaard redacteur De Foer. Arm Vlaanderen! Foei DPG!

Uitsmijter2: The New Yorker maakte een zeer bekijkenswaardige documentaire van 13 minuten waarin ze zeven Amerikacorrespondenten, onder wie de Nederlander Arjen van der Horst, aan het woord laten over de presidentsverkiezingen.


Zaterdag quote

Under the rule of individual property, the division of the produce is the result of two determining agencies: Competition, and Custom. It is important to ascertain the amount of influence which belongs to each of these causes, and in what manner the operation of one is modified by the other.
Political economists generally, and English political economists above others, have been accustomed to lay almost exclusive stress upon the first of these agencies; to exaggerate the effect of competition, and to take into little account the other and conflicting principle.

John Stuart Mill (1848). Principles of Political Economy, Book II, Chapter IV