Antwerpen lag (kortstondig) aan de basis voor buitengewone groei London 1550-1700

In het midden van de 16de eeuw telde heel Groot-Brittannië 3 miljoen inwoners, van wie maar 4 procent in steden leefde. London had toen een bevolking van 50,000 a 70,000 mensen.

Tegen 1700 was London ontploft tot een bevolking van 575,000 mensen, en de derde grootste Europese stad, na Parijs en Constantinopel. De snelle groei bleef aanhouden. Tegen 1800 had London 1 miljoen inwoners en van 1820 tot 1910 was het de grootste stad ter wereld.

In zijn zeer lezenswaardige blog Age of Invention, over de oorzaken van de Britse Industriële Revolutie en de geschiedenis van innovatie, gaat economisch historicus Anton Howes op zoek naar de oorzaken van de steile groei van London tussen 1500 en 1700.

Howes vindt dat de groei van London, zeker in de beginjaren, een verhaal is van concentratie. De Londense groei was in het begin bijna uitsluitend gebaseerd op de uitvoer van wol. In de jaren 1550 was textiel goed voor 90 procent van de Engelse export en 90 procent van die export gebeurde uit London.

Maar niet alleen qua product was er concentratie, ook qua bestemming. In het begin van de tweede helft van de 16de eeuw ging bijna de volledige export van London naar Antwerpen, dat toen het kruispunt en het entrepot was voor de hele Europese handel.

De belangrijkste handelsader van en naar Antwerpen was de landroute naar Italië, die veel minder risico’s inhield dan de zeeroute. Italië gebruikte Antwerpen als hub om zijn eigen goederen en luxewaren uit onder meer Turkije en Perzië, die via Venetië Europa binnenkwamen, te verdelen in Noord-Europa.

De Duitsers verkochten in Antwerpen hun koper, metaal en zilver, dat de Portugezen, in ruil voor hun ivoor, suiker en kruiden, dan weer gebruikten om er handel mee te drijven in Afrika en de gebieden rond de Indische Oceaan.

De rol van Antwerpen in de explosieve groei van Londen was echter kortstondig. De Nederlandse opstand tegen de Spaanse koning Filips II leidde in 1585 tot de val van Antwerpen. Protestanten in Antwerpen verhuisden massaal naar Amsterdam maar ook naar Londen. Antwerpen zag zijn bevolking terugvallen van 100,000 naar 40,000 inwoners. Tot overmaat van ramp blokkeerde de jonge Nederlandse republiek de monding van de Schelde.

Londense handelaars bleven na de val van Antwerpen niet bij de pakken zitten. Door innovaties in navigatietechnieken en scheepsbouw konden ze snel zelf de langere routes aan, eerst naar onder meer Marokko, Rusland en de havens in de oostelijke Middellandse Zee; later over de Atlantische oceaan en naar de Indische oceaan.

Lees het volledige artikel, en Arts and Minds: How the Royal Society of Arts Changed a Nation, zijn boek dat vertelt hoe de Royal Society for the Encouragement of Arts, Manufactures and Commerce vanaf het midden van de 18de eeuw het leven in Groot-Brittannië verbeterde.


Voeding in blik: een innovatieverhaal

Het innovatieverhaal over voeding in blik en de blikopener is in verschillende opzichten interessant.

Het verhaal start in 1795, wanneer Napoleon Bonaparte een prijs van 12,000 franc uitloofde, een fortuin in die dagen, voor wie een methode vond om voeding veilig en gedurende lange tijd te bewaren voor zijn soldaten. Europese overheden gebruikten in die tijd vaker prijzen als stimulans voor innovatie.

De Franse chef Nicholas Appert won de prijs in 1810 met een methode waarbij hij voeding in dichtgekurkte glazen flessen liet koken. Dat was vijftig jaar vóór Pasteur de pasteurisatie uitvond. Appert publiceerde in 1810 zijn boek L’Art de conserver les substances animales et végétales.

Aan de overkant van het Kanaal kreeg de Engelse handelaar Peter Durand in 1810 van King George III het eerste patent voor een procédé met blik. Durand verkocht zijn patent in 1812 aan twee andere Engelsen, maar in 1818 herpatenteerde hij zijn Brits patent in de VS.

In de eerste decennia werden blikken met voeding geproduceerd a rato van zes per uur. In de jaren 1840 werd dat zestig per uur.

Voeding in blik brak niet echt door, onder meer omdat de blikken zo moeilijk te openen waren. Je had er een hamer en beitel voor nodig. In de supermarkten deed het personeel de blikken open voor de klanten.

Pas vanaf 1858 ontstond er een “ecosysteem” rond voeding in blik. In dat jaar patenteerde de Amerikaan Ezra J. Warner de eerste blikopener. In 1870 patenteerde William Lyman een variant met een roterende snijder.

blikopener Lyman

In 1926 vond Charles Arthur Bunker de blikopener uit met een tandwiel. Die innovatie zorgde voor de grote doorbraak van voeding in blik en blijft de standaard tot op vandaag.

blikopener bunker

Voor innovatie kan je al eens gaan lenen

Een zopas gepubliceerde paper, A Calculation of the Social Returns to Innovation (betalende toegang), van de Amerikaanse economisten Benjamin Jones en Lawrence Summers biedt interessante achtergrond bij het debat dat de Gentse economist Gert Peersman gisteren opende met een column in De Standaard en een interventie in De Afspraak.

Peersmans punt is dat de prioriteit van het relancebeleid zou moeten zijn om de productiviteit (productie per werknemer) op te krikken. Dus niet enkel werkzaamheidsgraad, want daarmee alleen komen we er niet, en ook geen “investeringen” (die geen investeringen zijn, maar uit de lopende inkomsten, dus belastingen, zouden moeten komen) in gezondheidszorg en pensioenen.

Immers: “Productiviteitsgroei is met voorsprong het belangrijkste voor de financiering van onze welvaart.”

De productiviteitsgroei in België bedroeg de jongste twintig jaar 0.5 procent per jaar. Peersman berekent dat België met een productiviteitsgroei van 1.1 procent per jaar (het OESO-gemiddelde) de crisis zou zijn ingegaan met een overschot op de begroting dat groter was dan dat van Nederland en Duitsland samen. De koopkracht per gezin na belastingen zou ongeveer 7,000 euro hoger zijn.

Productiviteitsgroei bereik je door investeringen in innovatie, fundamenteel onderzoek, digitalisering, mobiliteit en klimaat, aldus Peersman (hij vergeet de belangrijke investeringen in organisatorische innovatie). Daarnaast spelen het wegwerken van overregulering en van toetredingsbarrières tot beroepen en sectoren die lobbygroepen door de jaren heen hebben afgedwongen een cruciale rol.

Wat Jones en Summers bijbrengen in dit debat, is dat ze met een merkwaardig eenvoudige formule het maatschappelijk rendement berekenen van innovatie-investeringen (in eerste instantie louter investeringen in onderzoek en ontwikkeling, R&D). Productiviteitsgroei is (in een herberekening van de formule) immers een resultante van onder meer dat rendement op R&D-investeringen.

In een eerste berekening komen Jones en Summers uit op een opzienbarend rendement van 13.3 dollar maatschappelijke opbrengst per 1 dollar aan R&D-investeringen.

Ze berekenen dan twee alternatieve scenario’s, een waarin het rendement afgezwakt wordt door onder meer de timelag tussen R&D-investeringen en de opbrengst, en een waarin het rendement hoger wordt, onder meer door de gunstige effecten op gezondheid en levensverwachting en door het effect van internationale verspreiding van innovaties.

Zo komen ze tot een vork van tussen 4 en 20 dollar maatschappelijk rendement per geïnvesteerde dollar. Daar kan je al eens voor gaan lenen.

En terwijl we bezig zijn: In een andere recente paper, voor het Mercatus Center van de George Mason University, doen Richard Fullenbaum en Tyler Richards een poging om de kosten van (over)regulering op de economie te berekenen, een notoir moeilijke en hachelijke becijfering.

In hun model stijgen de operationele kosten per geproduceerde eenheid 3.3 procentpunt per jaar door de gemiddelde groei van regulering (in de VS) . Stel dat het volume van regulering vandaag zou teruggedrongen worden tot het niveau van 1998, dan zouden de operationele kosten van bedrijven nagenoeg gehalveerd worden.

Dit heeft hetzelfde maatschappelijke effect als innovatie die economische groei stimuleert.