Dieren drijven wel handel; contra Adam Smith

Adam Smith schreef, welbekend, dat “there exists a certain propensity in human nature, which is the propensity to truck, barter, and exchange one thing for another”. Hij voegde daar voor de duidelijkheid zelfs aan toe: “Nobody ever saw a dog make a fair and deliberate exchange of one bone for another with another dog. … Indeed, nobody ever saw one animal by its gestures and natural cries signify to another, this is mine, that yours; I am willing to give this for that”.

Jean-Baptiste Leca, professor Psychologie aan de University of Lethbridge in Canada, slaat nu in een recent onderzoek een bres in de illusie dat mensen de enige wezens zijn die economisch handelen.

Leca filmde 273 dagen lang de interacties tussen makaak-apen en bezoekers van de Uluwatu tempel in Bali. Hij observeerde dat de makaken geleerd hadden dat ze voorwerpen met een hoge waarde moesten stelen van de toeristen, zoals gsm’s en camera’s. Meer zelfs: de makaken wisten ook dat ze langer konden onderhandelen met de toeristen, voor een grotere beloning in voedsel, over voorwerpen met een hogere waarde.


Bloody Well Pay Them

De Canadese professor Business Ethiek Peter Jaworski, verbonden aan de Georgetown University McDonough School of Business in Washington, DC, publiceerde zopas een studie over (betaalde of niet-betaalde) plasmadonatie. (via Alexander Tabarrok)

Alvast geen academische voorzichtigheid in de titel: Bloody Well Pay Them. The case for Voluntary Remunerated Plasma Collections.

De discussie, die ook relevante elementen bevat voor als we binnenkort gaan praten over de kostprijs van een Corona-vaccin, is een klassieker tussen economen en ethici, en is dus een kolfje naar de hand van de reluctant economist.

Het spanningsveld in de discussie ligt tussen efficiëntie en ethische waarden.

Een bekende proponent uit het “zuivere ethische” kamp is de Amerikaanse ethicus Michael Sandel. In zijn bestseller What Money Can’t Buy: The Moral Limits of Markets (2012; 9.99€ in de paperback editie, geen geld) verwerpt hij betaalde bloeddonatie omdat ze van bloed een verhandelbaar goed maakt (commodificatie) en omdat bij het betalend maken van iets dat ook vrijwillige gebeurt, markten de moraal verdringen en de ruimte voor altruïsme verkleinen.

Sandel wijst ook op het risico dat armere mensen in dit systeem zouden geëxploiteerd worden.

Jaworski wijst erop dat landen die rekenen op niet-betaalde plasmadonatie (de officiële aanbeveling van de Wereld Gezondheidsorganisatie overigens) in toenemende mate plasma importeren uit landen waar plasmadonatie betaald wordt. Het Verenigd Koninkrijk importeert 100 procent van zijn bloedplasma, Canada 84 procent, Australië 52 procent.

Een handvol landen (de VS, Duitsland, Oostenrijk, Hongarije en Tsjechië) die wel betalend doneren toelaten, zorgen samen voor 90 procent van het wereldwijde aanbod van plasma. De VS alleen al voor 70 procent.

Deze situatie zorgt ervoor dat plasma onbetaalbaar wordt voor armere landen. Door de afhankelijkheid van een klein aantal leverancierslanden creëert ze ook een groot gezondheidsrisico.

Jaworski toont ook aan dat niet-betaalde donatie twee tot vier keer duurder is dan betaalde, vooral door de hogere kosten van rekrutering van vrijwilligers.

Er is wereldwijd een stijgende vraag naar plasma. Volgens Jaworski kan het tekort dat aan het ontstaan is, enkel opgelost worden door betalend doneren op veel bredere schaal toe te passen.

Tegenstanders van betalend doneren zouden elk van de vier volgende argumenten moeten kunnen beantwoorden. Volgens Jaworski lukt hen dat niet; de meeste tegenstanders geraken zelfs niet voorbij stap 1.

  1. Er is een redelijke en legitieme morele bezorgdheid
  2. Die bezorgdheid wordt ondersteund door stevige empirische gegevens
  3. Er zijn geen eenvoudige beleidsaanpassingen waarmee we de morele bezorgdheid kunnen elimineren
  4. De morele bezorgdheid is zwaar genoeg om op te wegen tegen het morele belang om levens te redden

Het argument van commodificatie verwerpt Jaworski, onder meer door te stellen dat alle andere stappen in de bloedketen, van verplegers over bloedzakjes en naalden tot de accommodatie, wel betalend zijn. Waarom leidt de betaling van donoren tot commodificatie en zouden alle andere stappen in de ketting immuun zijn voor dit verwijt?

En als betalend doneren de ruimte voor altruïsme verkleint, waarom verbreden we die dan niet door te vragen aan verplegers en dokters dat ze gratis werken? Het tegenargument dat we dan wellicht een tekort aan dokters en verplegers zouden hebben, gaat niet op, want het gelijkaardige argument dat we nu een tekort aan plasma hebben, is blijkbaar niet overtuigend voor de tegenstanders.

Kortst mogelijke conclusie: Incentives matter.