Coronaschok voor werknemers: welvaartsstaat werkt (vrij goed)

Belgische werknemers die getroffen werden door tijdelijke werkloosheid als gevolg van Corona, zagen gemiddeld 80 procent van hun inkomensverlies gecompenseerd door verhoogde uitkeringen. Het gemiddeld verlies werd daarmee teruggebracht van 15 procent tot 3 procent van hun beschikbaar jaarinkomen, of 858 euro.

KULeuven onderzoekers Bart Capéau, André Decoster, Jonas Vanderkelen en Stijn Van Houtven brengen in een nieuw Leuvens Economisch Standpunt voor het eerst voor het volledige jaar 2020 het inkomensverlies van werknemers in kaart.

In de eerste drie maanden van de lockdown waren telkens meer dan 900,000 werknemers tijdelijk werkloos, gemiddeld een kwart van alle werknemers; in april piekte het aantal op 1.1 miljoen. De versoepelingen deden het percentage tijdelijk werklozen dalen tot 257,000, of 6.5 procent in september. Daarna nam het aantal weer toe in de tweede golf.

Uiteindelijk leed 36 procent van de werknemers inkomensverlies. Bij de getroffen werknemers bedroeg het gemiddeld bruto-inkomensverlies gemiddeld 5,630 euro. Maar door verhoogde uitkeringen werd dat verlies beperkt tot een verlies in beschikbaar inkomen van gemiddeld € 858.

Horecawerknemers werden (bruto) dubbel zo hard getroffen als werknemers uit andere sectoren. Zij leden een bruto-inkomensverlies van 11,750 euro. Het verlies aan beschikbaar inkomen werd gemilderd tot 1,496 euro.

In het algemeen waren de grootste verliezers werknemers aan de onderkant van de inkomens, met kwetsbare statuten, die langdurig werkloos bleven. De effecten van de langdurigheid werden gedeeltelijk, maar niet helemaal, gemilderd door de bijkomende premie voor langdurig tijdelijk werklozen.

De zwaarst getroffen groep waren werknemers die langer dan 156 dagen werkloos bleven. Zij verloren 3,075 euro aan beschikbaar inkomen, of 11 procent. Mensen die tijdelijk werkloos waren én een flexi-job verloren, keken aan tegen een gemiddeld verlies van 2,457 euro aan beschikbaar inkomen. Extreme gevallen verloren zelfs 8,842 euro, of bijna een derde van hun beschikbaar inkomen.

Over de flexi-jobs zeggen de onderzoekers: “De lagere lasten, gebruikt als lokmiddel om deze – vroeger vaak informele – vormen van tewerkstelling te regulariseren of ‘verwitten’ komen op die manier als een boemerang terug in het gezicht van de betrokken werknemers.”

Ik lees in deze cijfers toch vooral goed nieuws.

De onderzoekers hebben het in de titel van hun paper over “de demper van de welvaartsstaat en de gaten in het vangnet”. De demper van de welvaartsstaat blijkt toch vrij goed gewerkt te hebben voor het overgrote deel van de getroffen werknemers. De gaten in het vangnet bestaan wel degelijk, maar zijn redelijk klein. Voor de zwaarst getroffen groep, zij die langer dan 156 dagen tijdelijk werkloos bleven, gaat het om (mijn berekening) ongeveer 20,000 werknemers, of 0.6 procent van de totale werkgelegenheid.


“Het Mattheuseffect is niet langer een wenselijk kenmerk van een effectieve verzorgingsstaat”

Dat is de conclusie die Wim Van Lancker, professor in sociaal werk en sociaal beleid aan de KULeuven, trekt in een recent artikel.

Het Mattheuseffect is genoemd naar een vers uit de parabel van de talenten uit het evangelie van Mattheus: “Want wie heeft zal nog meer krijgen, en wel in overvloed, maar wie niets heeft, hem zal zelfs wat hij heeft nog worden ontnomen.”

Doordat uitkeringen in de sociale zekerheid universeel zijn (niet gebonden aan inkomen; gericht op iedereen) is het resultaat dat de midden- en hogere klassen er meer van profiteren dan armere mensen. Universalisme, en dus het Mattheuseffect, werd lang verdedigd omdat het bijdroeg tot een brede steun voor de sociale zekerheid.

Het alternatief voor een universele sociale zekerheid is een sociale zekerheid die probeert zich exclusiever te richten op de armen. Maar, zoals Amartya Sen zei: “Benefits meant exclusively for the poor often end up being poor benefits.”

Van Lancker pleit in het artikel niet voor het afschaffen van het universalisme, maar voor een beter evenwicht tussen universalisme en meer doelgerichte uitkeringen. Hij geeft als voorbeeld kinderbijslag – die zou meer doelgericht moeten worden ingezet, zoals in Vlaanderen sinds kort het geval is – en kinderopvang, waar het Mattheuseffct nu heel sterk speelt, en die echt universeel zou moeten worden gemaakt.