* The Future of Capitalism* (2)

Tweede deel van de bespreking van The Future of Capitalism van Paul Collier. Hier is het eerste deel. Nog een drietal boeken te gaan in de reeks Kapitalisme: Is het einde nabij?

The Future of Capitalism presenteert zich als een pragmatisch en “coherent package of remedies that address our new anxieties”. (p 18) Het hoofdprogramma is een herstel van de ethiek van wederkerige verplichtingen. Collier wijdt aparte hoofdstukken aan voorstellen om die ethiek te herstellen in de drie arena’s die ons leven domineren: staat, bedrijven en families.

Voor elk van die drie arena’s betekent het herstel volgens Collier een terugkeer naar een (veronderstelde) ideale, of alleszins alles-was-betere toestand.

Voor de staat is dat de sociaaldemocratie van de drie decennia na de Tweede Wereldoorlog. Die sociaaldemocratie is echter gekaapt door het front van Utilitaristen en Rawlsiaanse advocaten (zie deel 1 van de bespreking), waardoor de ethische staat geleidelijk veranderde in de paternalistische staat. (p 49-50)

In die paternalistische staat ging het gevoel van gedeelde identiteit verloren dat noodzakelijk is voor een structuur van wederzijdse verplichtingen. We moeten dus weer op zoek naar een gevoel van gedeelde identiteit. Een terugkeer naar het nationalisme? Dat zal niet werken. Want de argwaan, en zelfs het misprijzen van Utilitaristen en Rawlsianen voor nationalisme is ten dele terecht: het kan soms toxisch zijn; en het wordt ook misbruikt door de populisten.

Dus is de vraag:

Is it possible to forge bonds that are sufficient for a viable polity yet not dangerous? This is the central question that has to be addressed in social science. On its answer rests the future of our societies.” (p 62)

Kunnen we die gedeelde identiteit opbouwen rond gedeelde waarden? Dat lijkt de weg die veel politici en beleidsmakers gekozen hebben (bijvoorbeeld in het immigratiedebat). Maar in de moderne samenleving zijn er zoveel verschillende waarden dat je ofwel een dunne spoeling krijgt, ofwel een basis voor uitsluiting.

De oplossing ligt volgens Collier in een revival van het patriotisme, als een gevoel van aanhankelijkheid aan een plaats, een regio. Met deze tactiek, die de Franse president Macron succesvol toepaste in 2017 (door zich te profileren als patriot in plaats van als nationalist – Collier schreef het boek in 2018, toen Macron nog niet teveel van zijn pluimen verloren had), kunnen we de sense of belonging heroveren op de nationalisten.

Voor bedrijven vindt Collier de alles-was-betere toestand in de coöperatieven en mutualiteiten van eind 19de, begin 20ste eeuw. In het huidige systeem van corporate governance zijn het enkel de eigenaars (aandeelhouders) die de wettelijke controle over een bedrijf uitoefenen. De weg naar ethischer bedrijven ligt in de uitbreiding en het opnieuw in evenwicht brengen van de diverse belangen die de wettelijke controle over bedrijven uitoefenen. Het algemeen belang zou op een of andere manier een vertegenwoordiging moeten krijgen in het bestuur van bedrijven.

Maar bovenal, vindt Collier, ligt er een taak bij de burgers: “Once a society has enough citizens who understand the proper purpose of companies, and have accepted is as a norm, we ourselves become the anchors of good corporate behaviour.” (p 93)

De alles-was-betere toestand van families lag in de uitgebreide ethische familie, waarin normen van wederzijdse verplichtingen stevig verankerd waren. Die is echter in een paar generaties geleidelijk vervangen door de nucleaire familie, het modelgezin dat we nu kennen.

In die nucleaire familie zijn er grote verschillen tussen families van hoogopgeleiden, waar normen van wederkerigheid vaak wel nog gelden, en families van laagopgeleiden. De verschillen, die doorgegeven worden van generatie op generatie, uiten zich in wijd uiteenlopende percentages van eenoudergezinnen, echtscheidingen en buitenechtelijke geboorten. Ze worden nog versterkt doordat laagopgeleiden vaak het slachtoffer zijn van de creative destruction en de globalisering, die wel de economie doen groeien, maar hen achterlaat met jobs zonder voldoening, of zonder job.

Collier beseft wel dat het wellicht niet doenbaar is de uitgebreide ethische familie te herstellen. Een deel van de oplossing komt misschien wel uit het feit dat we langer leven. Families zijn wel horizontaal gekrompen, maar groeien nu verticaal, door de generaties. De familiepatriarchen en -matriarchen zouden een rol kunnen spelen in het herstel van normen van wederzijdse verplichtingen.

Moedertje Staat

Met de (herstelde) praktische gemeenschapsethiek als fundament doet Collier in het derde deel van het boek (Restoring the Inclusive Society) een reeks praktische voorstellen om de kloven die onze maatschappij verscheuren te dichten.

Voor de Utilitaristen en Rawlsianen waartegen Collier in het boek ten strijde trekt, liggen de oplossingen voor de kloof tussen de having it all families en de falling apart families in wat Collier sociaal paternalisme noemt. Maar dat heeft gefaald: de staat kan niet in de plaats van de familie komen.

Collier stelt als alternatief sociaal maternalisme voor (p 21, 155, 190): een beleid waarbij de staat zorgend inspringt waar het het meest toe doet: gratis voorschoolse opleiding, mentorschap voor kinderen, ondersteuning van gestresste gezinnen. De ingrepen zullen vaak gebeuren in samenwerking met of zelfs op initiatief van sociaal ondernemers en middenveldorganisaties.

Maar dat sociaal maternalisme komt wel met a hard edge (p 190): het vraagt redelijke inspanningen van de having it all. Niet met blinde herverdeling door steeds toenemende belastingen; die zou het tekort aan (inkomen uit) zinvolle jobs enkel accentueren. De hard edge bestaat onder meer uit pragmatische belastingingrepen die vooral rente (onverdiende en onnodige winsten) wegbelasten.

Een interessante piste is het voorstel dat Collier uitwerkte om de kloof tussen de bloeiende metropolis en de achtergebleven provincie te dichten. Eigenaars van gronden in de metropolis “profiteren” van een metropolis-effect waarvoor ze niet gewerkt hebben: hun gronden worden meer waard naarmate de metropolis aantrekkelijker wordt. Het wegbelasten van die meerwaarde is een belasting die zowel efficiënt is (het wegbelasten van rente heeft als voordeel dat het doorgaans geen invloed heeft op de beslissing om te werken of te ondernemen) als ethisch verantwoord.

Dit zal echter niet voldoende zijn. Het positief metropolis-effect vloeit tegenwoordig voor een groot deel naar hoogopgeleide jongeren die, vaak nog single, hun loopbaan starten in de metropolis, waar ze het meest kunnen verdienen. Maar dat surplus (tegenover wat ze in de provincie zouden kunnen verdienen) is niet enkel hun eigen “verdienste” (hoe graag ze dat ook verdedigen). Het wordt mee mogelijk gemaakt door de publieke goederen die de metropolis biedt. Als we de metropolis-rente kunnen afromen met belastingen, zouden de hoogopgeleiden nog altijd meer verdienen (omdat ze productiever zijn), maar zou het “onverdiende” deel van hun inkomen kunnen dienen om te investeren in de achtergestelde provincie.

Een toekomst voor het kapitalisme?

Hebben we nu wat de titel van het boek belooft? Een toekomst voor het kapitalisme?

Mwa …

Collier belooft een coherent package of remedies that address our new anxieties, met het uitgangspunt dat “capitalism needs to be managed, not defeated” Maar betekent dit dat hij op 231 pagina’s een volledige, de enige juiste lijst aanbiedt waarmee we het kapitalisme niet alleen kunnen redden en managen, maar het ook ethisch maken? Het ultieme recept? Of is het een onvolledig Chinees menu? Dat wordt nergens echt duidelijk.

Men kan zeggen dat Collier moedig is, omdat hij tenminste met een lijst van haalbare voorstellen komt. Zelf gaat hij prat op zijn pragmatisme, waarmee hij naar eigen zeggen uit het vaarwater van zowel ideologen als populisten blijft. Maar, zoals Branko Milanovic terecht opmerkt in een goede bespreking van het boek (deel 2): pragmatisme is een ideologie als een ander. Het is ook misplaatst om te beweren dat je als pragmatist wars bent van elke ideologische invloed.

En als je dan pragmatist bent (én academicus), dan onderbouw je dat toch beter dan door enkele schaarse verwijzingen naar Charles Peirce of Adam Smith en David Hume (geen John Dewey of Richard Rorty, die als pragmatisten veel meer te zeggen hebben dan Peirce over politieke economie?).

Het zijn misschien detailopmerkingen, gegeven het doel van Collier om een kort boek te schrijven voor een groot publiek over een zeer breed onderwerp. Maar de keuzes die Collier maakte, leiden wel meer tot nogal dunne redeneringen, nauwelijks gestaafde beweringen, en karikaturen van het hedendaags kapitalisme, die enkel moeten dienen om zijn punt te maken.

Wellicht in zijn doel om het boek kort en bevattelijk te houden, heeft Collier bijvoorbeeld heel weinig gezegd over globalisme, of over de opkomst van China. Dat is verbazend gezien zijn achtergrond als ontwikkelingseconoom. Het heeft geleid tot een verhaal dat Euro- en VS-centrisch is.

De gebeten honden in het verhaal van Collier zijn de Utilitaristen en de “Rawlsiaanse advocaten”. Als we hun invloed kunnen counteren, zijn we op weg naar een betere wereld.

Daarom is het bizar dat Collier eigenlijk nergens goed uitlegt waar die Rawlsiaanse advocaten nu juist voor staan. Hij verwijst ergens (p 203) naar Hillary Clinton als archetype van zo’n Rawlsiaan. Maar ik vermoed dat dat voor de gemiddelde lezer niet veel verheldering brengt. (En voor de academici: de link die Collier legt tussen Rawls en identity politics is problematisch, niet?)

Het sociaal maternalisme dat Collier voorstelt als alternatief voor het sociaal paternalisme van de Utilitaristen en Rawlsianen blijft toch ook wat vaag en zelfs wollig. Voor zover ik kan nagaan, is het begrip na het verschijnen van het boek ook niet erg wijd opgepikt.

Het leidmotief van het boek is “herstel”. Impliciet, en vaak ook expliciet verwijst Collier daarmee naar een veronderstelde betere tijd. Maar wanneer was die tijd dan? En waarin was die dan beter?

Voor de sociaaldemocratie zoals Collier die zou willen herstellen, zijn dat de Trente Glorieuses, de periode van dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog. Maar alvast voor Groot-Brittannië, dat Collier toch het meest gebruikt als referentie, en louter op basis van economische groei, was die periode toch niet zo glorieus.

Groot-Brittannië begon die periode als een van de rijkste landen in West-Europa, gemeten in BBP per capita. Dertig jaar later was het land gegroeid met 112 procent. Niet slecht, maar het had zich wel laten bijbenen of voorbijsteken door België (+ 186%), Frankrijk (+ 227%), Duitsland (+321%) en zelfs Italië (386%).

Collier zou tegenwerpen dat het niet louter om de cijfers gaat, maar vooral om het sociale en politieke klimaat. De periode 1945-1975 was er inderdaad een waarin veel mogelijk leek en was. Maar was het toen op alle vlakken echt zoveel beter? Veel mensen voelden zich misschien inderdaad meer geborgen in de uitgebreide ethische familie. Maar er was toch ook veel onderhuidse en openlijke onderdrukking. In zijn hunkering naar de idyllische uitgebreide ethische familie zegt Collier nog net niet dat we zouden kunnen overwegen om moeder weer aan de haard te laten.

De ongelijkheid tussen landen in de wereld is in de periode waarin het volgens Collier allemaal is beginnen mislopen, net hard afgenomen.

Citizens ceased to be moral actors with responsibilities” (p 11) Maar wanneer en hoe waren ze dat dan wel in zo onvergelijkbaar betere mate? Als we de ethics of community moeten herstellen, naar welke historische toestand moeten we dan volgens Collier terugkeren?

En hoe?

In het hoofdstuk over het herstel van het ethisch bedrijf komt Collier met een ultiem recept: “We need to build a critical mass of ethical citizens” (p 95)

Ja, zo kan ik ook een toekomst uittekenen voor een weldadig kapitalisme. We moeten dus gewoon allemaal ethische burgers worden. Dat we daar nog niet aan gedacht hadden.


Dinsdag quote

(T)he economist frequently finds himself in disagreement in regard to means with those with whom he is in agreement with regard to ends; and in agreement in regard to means with those whose views regarding ends are entirely antipathetic to him – men who have never felt the urge to reconstruct the world and who frequently support the forces of stability only for reasons of selfishness. In such a situation, it is perhaps inevitable that he should become the object of dislike and suspicion.

Friedrich von Hayek (1933). The Trend of Economic Thinking, p 136-137

Zaterdag quote

Thinking that the invisible hand of the market eliminates the need for ethical conduct in business is like thinking that the competitive structure of sport eliminates the need for good sportsmanship. The market is not a free-for-all, any more than a competitive team sport is. Making a profit is the goal of business in the same way that winning is the goal of competitive sport. But the point is not to achieve this goal by any means possible; it is to achieve it in a fair and honest way.

Joseph Heath (2007). An Adversarial Ethic for Business: or, When Sun-Tzu Met the Stakeholder, p 369

De economie van klimaatmaatregelen: risico’s en trade-offs

Suppose you do believe that there is a “climate risk” to the financial system, a “tipping point” that can happen in the next 5-10 years. Suppose you believe that all our forest fires and floods are the result only of climate change, and might engulf the economy in the next decades. If so, none of the currently advocated policies will do anything about it, especially those implemented by financial regulation. The best the most aggressive climate policies hope to do is to limit the further increase in temperature by 2100.

Natuurlijk moet de economist beginnen met “Ik ben geen klimaatspecialist, maar …“. Maar dat betekent niet dat economisten niets te zeggen zouden hebben over klimaatmaatregelen die vele honderden miljarden gaan kosten.

Een van de economisten die zich de jongste tijd op de kwestie geworpen hebben, is John Cochrane, Senior Fellow aan het Hoover Institution in Stanford, en blogger op The Grumpy Economist.

(Een andere is Nobelprijswinnaar William Nordhaus, wiens zopas uitgekomen boek The Spirit of Green op mijn plank ligt (coming soon)).

Het citaat hierboven komt uit een langere post waarin Cochrane de klimaatmaatregelen van financiële overheden zoals de Amerikaanse Federal Reserve en de Securities and Exchange Commission bekijkt en bekritiseert. In Europa presenteerde de Europese Centrale Bank begin deze maand haar klimaatactieplan.

Vanuit klimaat-alarmistische posities worden maatregelen vaak bekritiseerd omdat ze te weinig zouden doen.

De economist, die maatregelen beoordeelt vanuit een kosten-batenanalyse standpunt, mag de vraag stellen of sommige maatregelen niet te veel doen.

Cochrane:

The mantra … that each disaster is the result of climate change does not mean that any currently envisioned climate policy is the best, or even vaguely effective, way to combat the chance of such disasters in our lifetimes. Or those of our great-grandchildren.

De maatregelen die de financiële autoriteiten in de VS en Europa voorstellen, gaan ervan uit dat klimaatverandering een (groot) risico betekent voor het financiële systeem. Maar dat is een fout begrip van risico, probeerde Cochrane duidelijk te maken in zijn getuigenis voor het Amerikaanse Senate Committee on Banking, Housing and Urban Affairs:

Climate change is an important challenge. But climate change poses no measurable risk to the financial system. This emperor has no clothes. “Risk” means unforeseen events. We know exactly where the climate is going over the horizon that financial regulation can contemplate. Weather is risky, but even the biggest floods, hurricanes, and heat waves have essentially no impact on our financial system.

Ook over de bredere impact op de economie werd er volgens Cochrane tot nu toe te weinig (economisch) nagedacht, en worden kosten en baten niet genoeg afgewogen:

How much does climate change actually affect GDP? How much will currently-envisioned climate policies reduce that damage, and thereby raise GDP? As we prepare to spend trillions and trillions of dollars on climate change, this certainly seems like the important question that economists should have good answers for. I’m looking in to what anyone actually knows about these questions. The answer is surprisingly little.

Worst-case scenario’s voorspellen dat de wereldeconomie als gevolg van de klimaatverandering in 2100 tussen 5 en 10 procent kleiner zou zijn. Als we dat zouden kunnen vermijden door nu verstandige (op kosten-batenanalyse gebaseerde) uitgaven te doen, zouden we dat zeker moeten doen. Maar dan moeten we die 5-10 procent krimp afwegen tegen de zowat 160 procent die de wereldeconomie groter zou zijn in 2100 als we nog maar tegen de huidige 2 procent per jaar blijven groeien.

Klimaatmaatregelen zijn een antwoord, maar op welke vraag?

Hoe kunnen we het lot van de armsten in de wereld verbeteren (bijvoorbeeld in de veronderstelling dat zij disproportioneel zouden getroffen worden door klimaatverandering)?” Dat is toch wel een zeer legitieme vraag. Maar het beste antwoord op deze vraag is: economische groei. En dat wijzen heel wat klimaatactivisten af.

Dan maar de Grote Vraag: “Hoe kunnen we een tipping point vermijden, dat ons naar een wereldvernietigende catastrofe zou leiden?” Dan zegt de economist: OK, maar dan moeten we dat risico (een voorspelbare verandering in klimaat, die zich traag ontwikkelt, in een race met mogelijke technologische oplossingen) eerst afwegen tegenover andere wereldbedreigende risico’s zoals een volgende pandemie, een nucleaire oorlog, of een botsing met een asteroïde.

En vervolgens kan de economist niet anders dan het meest irriterende economische argument bovenhalen. Er is een trade-off. Wat we hier uitgeven, kunnen we daar niet uitgeven.


*The Future of Capitalism*

Tweede boek in een reeks over het einde van het kapitalisme, vraagteken, die hier bijna een jaar geleden veelbelovend startte. Tot nu toe was ik dus niet verder geraakt dan het eerste boek op de lijst, How Will Capitalism End? van Wolfgang Streeck (deel twee van de bespreking).

Het is alvast tekenend voor de staat van het denken over het kapitalisme dat twee gestudeerde mensen, de Duitse economische socioloog Streeck, en de auteur van The Future of Capitalism (2018), de Oxford-economist Paul Collier, tot zulke uiteenlopende conclusies en perspectieven komen.

Streeck is de bittere (onheils)profeet, die het kapitalisme sociologisch analyseert vanuit het ideologische machtsspel tussen groeps- en klassenbelangen. In de traditie van Marx dus. Voor Streeck is er geen hoop en is welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Het kapitalisme is gedoemd, omdat het altijd al gedoemd was. Het zal sterven aan een overdosis van zichzelf.

Collier’s The Future of Capitalism vertrekt niet alleen vanuit een veel positievere visie op het kapitalisme en zijn historische verwezenlijkingen – “(F)ar from being the barrier to mass prosperity, capitalism was essential for it … accepting capitalism is not doing a deal with the devil … (T)hat is the agenda: capitalism needs to be managed, not defeated.” (p 17-18 (verwijzingen zijn naar de 2019 Penguin editie)). En: “Modern capitalism has the potential to lift us all to unprecedented prosperity“. (p 25) – het boek wil ook een hoopvol perspectief bieden – “We can do better: we once did so, and we can do it again” (p 215, de laatste zin van het boek)

Maar dat hoopvol perspectief kan enkele gerealiseerd worden als we op een slimme manier herstellen wat stuk is aan het kapitalisme.

De analyse die Collier maakt van wat hij de crisis van het kapitalisme noemt, is niet nieuw, al legt hij wel eigen accenten. Hij vat zijn analyse samen onder de uitdrukking New Anxieties: de nieuwe angsten die ontstaan door de diepe en groeiende kloven die onze maatschappij verscheuren.

De kloven gapen tussen laagopgeleiden en hoogopgeleiden (en hun families), tussen de metropolis en de provincie, tussen de overheid en de burgers, en tussen rijke en arme landen.

Collier geeft zijn analyse een persoonlijke toets door op enkele plaatsen in het boek het verhaal te vertellen van zijn nichtje Sue. Paul en Sue zijn op dezelfde dag geboren. Beiden waren ze kinderen van laagopgeleide ouders. Sue’s vader stierf toen zij veertien was. Zij werd tienermoeder. Paul studeerde en bouwde een succesvolle loopbaan uit. De dochters van Sue zijn ondertussen ook tienermoeder. Pauls dochter haalde een beurs voor een van de topscholen in Groot-Brittannië.

Die verschillen in levensloop tussen hoogopgeleid en laagopgeleid vind je miljoenen keren terug in Europa en de VS.

De hoogopgeleiden zijn geen kapitalisten, noch gewone werknemers. Dankzij hun kennis, vaardigheden en netwerken hebben ze zich wel geïnstalleerd als de nieuwe klasse die nog profiteert van het kapitalisme. Ze voelen zich niet alleen cultureel en sociaal superieur aan de laagopgeleiden, maar ook moreel: zij kunnen het zich immers veroorloven om begrip en zelfs bezorgdheid op te brengen voor minderheids- en achtergestelde groepen. Ze vertrouwen elkaar en de overheid. (p 3-4)

De laagopgeleiden hebben zinvolle jobs verloren zien gaan en zien soms zelfs hun levensverwachting dalen. Voor hen “capitalism’s core credential of steadily rising living standards for all has been tarnished.” (p 4)

De onvermijdelijke reacties van wrok en angst, en het verlies aan vertrouwen, hebben geleid tot de politieke muiterijen van Brexit en Trump. Die populisten sprongen in het politieke gat dat ontstond doordat de sociaaldemocratie, die ontstaan was op het einde van de 19de eeuw en haar hoogtepunt kende in de Trente Glorieuses van 1945 tot 1975, haar ziel verkocht aan middenklasse intellectuelen.

De ziel van de sociaaldemocratie was de ethiek van praktische wederkerigheid van rechten en plichten van mensen die zich herkenden in gemeenschappen.

De denkbeelden van middenklasse intellectuelen kwamen in twee versies, die elkaar voor een goed deel versterkten.

Enerzijds waren er de Utilitaristen. Onder invloed van de Britse filosoof Jeremy Bentham (1748-1832) koppelden zij ethiek los van individuele en communautaire waarden en gevoeligheden en stelden ze het rationeel principe “het grootste geluk voor het grootste aantal” in de plaats. Economisten hielpen hen door een calculus voor dat grootste geluk en het grootste aantal voor te stellen, vertrekkend van de individueelste homo economicus.

Het gevolg was dat: “All moral obligations floated up to the state … Citizens ceased to be moral actors with responsibilities.” (p 11) Het communitarisme van wederkerige rechten en verplichtingen werd vervangen door het sociaal paternalisme van de staat.

De tweede groep middenklasse intellectuelen heeft ook haar filosoof: de Amerikaan John Rawls (1921-2002). Zijn rationeel principe is dat een samenleving moreel moet worden beoordeeld op basis van de vraag of haar wetten werken ten behoeve van de meest achtergestelde groepen. Op basis van dat principe ontstonden bewegingen voor inclusie, bevoorrechte behandeling en positieve discriminatie die, aldus de analyse van Collier, verhardden in groepsidentiteiten die elkaar als vijanden zagen. (p 13)

Overigens kwam zowel Links als Rechts onder invloed van deze denkbeelden, elk met andere accenten:
(T)he morally meritocratic elite of the left [eerder Rawls] vied with the productively meritocratic elite of the right [eerder Bentham]. The superstars of the left became the very good; those of the right became the very rich.” (p 15)

Dus: ja, kapitalisme heeft het potentieel om ons allen ongeziene welvaart te brengen, maar “it is morally bankrupt and on track for tragedy. Human beings need a sense of purpose and capitalism is not providing it.” (p 25)

Gegeven deze analyse liggen Collier’s oplossingen voor de hand:

  • De nieuwe kloven en nieuwe angsten zijn anders dan die van vroeger. Het zijn complexe fenomenen waarvoor de oude ideologieën geen oplossingen hebben
  • We moeten naar een herstel van de ethiek van wederkerige rechten en plichten vanuit het collectieve, in plaats van het individuele
  • Daarbij moeten we ten strijde trekken tegen wat Collier steevast het front (vanguard) noemt van Utilitaristen en Rawlsiaanse advocaten
  • De oplossingen liggen niet in ideologie, maar in het pragmatisme van Adam Smith en David Hume. “All the policies proposed in this book are pragmatic.” (p 6)

Collier’s programma is dus een (pragmatische) herstelbeweging: een herstel van de ethiek in het algemeen (hoofdstuk 2), en van de ethische staat, het ethisch bedrijf, de ethische familie en de ethische wereld (hoofdstukken 3-6); van de inclusieve samenleving, door de kloven te dichten tussen metropolis en provincie, tussen klassen, en tussen arme en rijke landen (hoofdstukken 7-9); en uiteindelijk, het herstel van een inclusieve politiek (hoofdstuk 10).

Volgende post: Collier’s oplossingen; en enkele kritieken.


Woensdagse gevarieerde links

  • Bijzonder amusant interview, in de reeks Conversations with Tyler, van economist Tyler Cowen met Alexander The Grate (geen typo, maar een woordspeling op “rooster”), een dakloze (zelf preferereert hij de term NFA, No Fixed Address) in Washington DC. Over de dagelijkse economie van de daklozengemeenschap, zeg maar.
  • Lucy Kellaway was al meer dan twintig jaar een van de ster- (en een van mijn favoriete) columnisten van de Financial Times toen ze op haar 56ste, na de schok en de burnout bij de dood van haar vader, besloot haar job bij de FT op te zeggen om wiskundelerares te worden (later switchte ze naar economie), en Now Teach op te richten, een organisatie die mensen van in de vijftig aanmoedigt hetzelfde te doen. In The Guardian publiceert ze een extract uit haar boek dat haar ervaringen beschrijft: Re-educated: How I Changed My Job, My Home, My Husband and My Hair. Ze kon het schrijven niet laten, blijkbaar. Het boek komt deze maand uit. Vakantielectuur voor wie tegen een burnout aanloopt?
  • De autoindustrie is met een jaarlijkse productie van 73 miljoen personen- en bedrijfswagens en met een geïnstalleerd park van 1.3 miljard wagens een van de grootste industrieën ter wereld.
    Autoindustrie-analist en expert over de toekomst van mobiliteit Horace Dediu merkt op:
    De marktwaarde van Tesla (623 miljard dollar) bedraagt nu ongeveer het dubbele van die van alle andere automakers samen. Tesla heeft daarmee in de voorbije jaren de waarde van de autoindustrie verdubbeld. Dat moet volgens Dediu één (of een combinatie van) volgende dingen betekenen: binnenkort zijn er twee keer zoveel auto’s; auto’s worden twee keer zo duur; auto’s maken wordt twee keer zo winstgevend; alle concurrenten van Tesla zijn waardeloos.
  • Wat is de waarde van online ratings? Kunnen ze het succes van een film, een boek, of een restaurant voorspellen?
    Onderzoekers Matthew Rocklage van de University of Massachusetts Boston en Derek Rucker van Northwestern University stelden vast (vrij toegankelijke versie) dat 80 tot 100 procent van ratings positief zijn. Wat heb je daar dan aan?
    Ze onderzochten ratings en verkoop van 2,400 films, 1.6 miljoen boeken, 1,000 restaurants, en merkvolgers na tweets over twee jaar Super Bowl reclames. Ze stelden vast dat (overwegend) positieve ratings op zich niet veel voorspellende waarde hebben voor het succes van een film, boek of restaurant. Dan onderzochten ze met behulp van computerlinguistiek de emotionaliteit van de reviews. Die maatstaf bleek wel te werken: emotionelere reviews voorspelden meer succes.
    Mijn bedenkingen: als ik observeer hoe jonge mensen reviews gebruiken, merk ik dat ze vaak op de eerste plaats afgaan op het aantal reviews. Computerlinguistiek is een domein van de toekomst.

Dinsdag quote

The neighbourhood that is constructed by our relations with distant people is something that has pervasive relevance to the understanding of justice in general. … We are linked with each other through trade, commerce, literature, language, music, arts, entertainment, religion, medicine, health-care, politics, news reports, media communication and other ties. … No theory of justice can ignore the whole world except our own country.
There are few non-neighbours left in the world today.

Amartya Sen, The Idea of Justice (2009), p 172-173

Maatschappelijke zorgplicht (aka MVO, CSR, sustainable value creation, …)

In het Nederlandse FD (registratie verplicht) geeft journalist Pieter Couwenbergh vandaag een inkijk in de discussies in Nederland over een code voor maatschappelijke zorgplicht voor Nederlandse bedrijven.

In België en andere Europese landen zouden we deze discussie best in het oog houden. Vroeg of laat wordt ze ook hier gevoerd.

De Nederlandse code zou bedrijven min of meer verplichten om “meer rekenschap te geven van de maatschappelijke effecten van hun handelen. Het gaat dan niet alleen om klimaat, maar ook om sociale vraagstukken zoals ongelijkheid, diversiteit, werk- en inkomenszekerheid en inclusiviteit.”

Nederlandse beursgenoteerde bedrijven verzetten zich. De FD citeert secretaris Sven Dumoulin van de vereniging voor beursgenoteerde bedrijven Veuo: “een brede open norm in de code waarvan niemand weet wat die betekent (zou) niemand helpen, zeker niet als die ook kan leiden tot onbedoelde (juridische) neveneffecten.”

De grotere Nederlandse beursbedrijven willen ook liever wachten tot Europa met wetgeving komt, zodat er een gelijk speelveld is.

Loopt Nederland voor op België met de discussie over corporate social responsibility (CSR)? Dit is de onlangs aangepaste Belgische code voor corporate governance voor beursgenoteerde bedrijven.

Dit heeft die Belgische code te zeggen over sustainable value creation:

The board should pursue sustainable value creation by the company, by setting the company’s strategy, putting in place effective, responsible and ethical leadership and monitoring the company’s performance. In order to effectively pursue such sustainable value creation, the board should develop an inclusive approach that balances the legitimate interests and expectations of shareholders and other stakeholders.

Maar die code is geen wet. En de indruk is toch dat de Nederlandse discussie breder gevoerd wordt. Al heeft het Belgisch Instituut voor Bestuurders Guberna ook een Research Theme rond Sustainability.

In een veelbesproken artikel, Naar een zorgplicht voor bestuurders en commissarissen tot verantwoordelijke deelname aan het maatschappelijk verkeer, stelde een groep van 25 Nederlandse hoogleraren op initiatief van professoren ondernemingsrecht Jaap Winter (Universiteit Amesterdam) en Matthijs de Jongh (Erasmus School of Law) vorig jaar voor om in de wet op te nemen dat bedrijfsbestuurders zich als verantwoordelijke burgers moeten gedragen.

Volgens FD ontraadde de Expertgroep Vennootschapsrecht onder voorzitterschap van de Nijmeegse hoogleraar Claartje Bulten het Nederlandse kabinet om dit idee over te nemen “omdat het niet voor de hand ligt de taak van het bestuur uit te breiden met gedragsnormen“.

Enkele bedenkingen:

  • Op een of andere manier vind ik maatschappelijke zorgplicht een betere term dan Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO) of Corporate Social Responsibility (CSR)
  • Wat ik zelf vind over CSR is in grote mate gebaseerd op het toch wel heel stevige framework dat de Canadese filosoof Joseph Heath bouwde. Ik heb dat framework uitgelegd in een vierdelig reeksje, Corporate Social Responsibility: Triviaal, naïef of contra-productief
  • Kort samengevat:
  • De ethische rol van bedrijven in een markteconomie is op de eerste plaats efficiëntiebevordering. Via het winstmechanisme en het dictaat van echt vrije concurrentie zorgen bedrijven ervoor dat ons aller welvaart optimaal bevorderd wordt
  • De overheid houdt toezicht via een wettelijk kader. Maar dat kader is vaak een redelijk bot en ontoereikend instrument. Daarom kunnen de overheid en de maatschappij ook een beroep doen op een – breder, en “goedkoper” – ethisch kader. De algemene richtlijnen die de ethische rol van bedrijven moeten vrijwaren, zijn duidelijk; we mogen dus van bedrijven (managers) verwachten dat ze zich maximaal aan die regels houden
  • Ik volg ook Branko Milanovic: It is very wrong for the left-wing economists to fall for the idea that there are such things as “stakeholders” and that companies can be self-regulating. … A correct approach is to see them [companies] in fully Friendmanite terms and precisely because of that to regulate or tax them so that social outcomes can be improved.
  • Moeilijk te zeggen, natuurlijk, maar zover ik kan nagaan hebben alleszins de initiatiefnemers van het Nederlandse artikel (Jaap Winter noch Matthijs de Jongh) het framework van Heath niet meegenomen in hun denken. Dat is volgens mij een mankement. Het zou het debat verrijken.

Zaterdag quote

An identity of being ‘on the left’ has become a lazy way of feeling morally superior; an identity of being ‘on the right’ has become a lazy way of feeling ‘realistic’. … The morally meritocratic elite of the left vied with the productively meritocratic elite of the right. The superstars of the left became the very good; those of the right became the very rich.

Paul Collier (2018). The Future of Capitalism, p 22, 15

Dinsdag quote

When the Irish were illiterate and the Italians superstitious, a masterful state seemed to make sense.

Deirdre McCloskey (2019). Why Liberalism Works: How True Liberal Values Produce a Freer, More Equal, Prosperous World for All, p 14

Lant Pritchett: Focus op welvaart, niet op armoede

Interessant interview met de Amerikaanse ontwikkelingseconoom Lant Pritchett.

Zijn recept voor ontwikkeling:

Development is a process that happens at the level of countries. The four transformations a country should make are: (1) to a productive economy, (2) to a capable state, so that it is able to do what it sets out to do, (3) to a government responsive to the needs and wishes of citizens, and (4) to a society where equal treatment of all before the law and of each other is a bedrock principle. I think those four characterise the transformation that takes a country from chaos and poverty to the levels of prosperity and well-being that we see in developed countries.

Het komt neer op: “I strongly favour a focus on prosperity over a focus on poverty.”

Dat lijkt misschien evident, maar is het minder als je kijkt naar de klassieke aanpak in ontwikkeling, die Pritchett kinky development, en prutsen in de marge noemt.

Yet the current focus in development is on what I call ‘kinky development’, which involves tinkering on the margins to help the poorest of the poor. That is the wrong focus. If you achieve national development, you will solve poverty and provide prosperity for the general population, whereas focusing on poverty alone often is at odds with getting you to desirable levels of prosperity.

Verder nog boeiende inzichten over onderwijs, ook relevant buiten ontwikkelingseconomie:

“‘Schooling ain’t learning’ [naar de titel van een boek van Pritchett: The Rebirth of Education: Schooling Ain’t Learning] … ‘spending ain’t investment’. It is only ‘investment’ if it works.
I think people have confused ticking the box of spending money on a budget item called ‘Education’, with true investment in human beings.

En over best practices (in ontwikkeling en onderwijs): Het is geen toeval dat de (minderwaardige) AK47 het meest populaire automatische geweer is.

The first thing is you [South-Africans] should not adopt best practices. Evolve your own organic South African practice that is tailored to South African conditions. A lot of countries sent their education experts to Finland because they had wonderful education results. That is why I say: “If you learn from the Finnish, you’re finished.”

Het interview is het jongste in een reeks die in 2000 startte ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van het Zuid-Afrikaanse Centre for Development and Enterprise. In de reeks nog veelbelovende interview met onder meer Paul Romer, Francis Fukuyama, Martin Wolf en Paul Collier (links onderaan het interview met Pritchett).


Zaterdag quote

Look, for example, at V.S. Naipaul’s great novel of economic development, A House for Mr. Biswas. … (M)easured by the cultural distance between Mr. Biswas’s parents and his children, his life is a story of amazing progress. …
Biswas himself is no Horatio Alger figure. His talents are modest, and his willingness to ingratiate himself with those who might advance his career is nonexistent. He passes from one mediocre, limited job to another. But his unwillingness to accept the limits of each current situation as permanent, to make the best of it, turns out to be his strength. Through all his misfortunes and setbacks Mr. Biswas is able to maintain the sense of himself as a man with possibilities, with options, a man who is in a position to set limits what he will put up with. And equally important, he lives in a society that will let him survive with this attitude. An African slave with these attitudes, working the same sugar cane fields as Biswas’s father and brothers did, would have been beaten to death, or starved as an outcast … But in the Trinidad of the interwar and World War II periods, options were available.

Robert Lucas (2002). Lectures on Economic Growth, p 16

België, het 1-procent-land

Hoe groot is België eigenlijk? Wat stellen we voor?

Er was een tijd dat het gemakkelijk was. Het Belgische Bruto Binnenlands Product (GDP) vertegenwoordigde in de jaren 1970 en tot 1981 min of meer exact 1 procent van het wereld-GDP. Dat was handig rekenen en een goede benchmark.

Sinds begin de jaren 1980 is dat aandeel gestaag afgenomen, onder meer door de opkomst van nieuwe groeiers zoals China, maar ook door de fors hogere groei in de Verenigde Staten (650% groei van 1980 tot 2019, tegenover 320% voor België over dezelfde periode!).

Vandaag vertegenwoordigt België, met 0.15 procent van de wereldbevolking en 0.02 procent van de wereld-landoppervlakte, nog 0.6 procent van het wereld-GDP.

In de tabel hieronder komen de de cijfers van de Wereldbank en van Eurostat.

Wereld België%
GDP2019 (lopende $)87,734,574,390,000533,097,460,0000.61%
Bevolking20197,673,533,97411,484,0550.15%
Landoppervlakte (km2)148,940,00030,6890.02%
GDP19601,369,443,925,01211,658,722,5910.85%
GDP198011,227,787,361,930126,829,314,3881.13%
GDP200033,623,637,910,869236,204,532,8910.70%
Internationale inkomende toeristen2,280,131,0889,343,0000.41%
Marktwaarde beursgenoteerde bedrijven68,893,043,867,461321,093,542,9830.47%
CO2-emissies (kt)34,041,04693,4700.27%
Mobiele telefoons (verkopen)504,238,000,0002,134,000,0000.42%
Mobiele telefoon (abonnementen)7,979,956,60911,509,5730.14%
Strijdkrachten27,642,29531,5000.11%
HIGH-INCOME
GDP201955,140,634,990,000533,097,460,0000.97%
Bevolking20191,235,852,838 11,484,0550.93%
Patent applications817,7238760.11%
EU
GDP201915,626,448,480,000533,097,460,0003.41%
Bevolking2020447,671,04611,507,3382.57%
New car registrations202011,634,409516,8634.44%
Varkens geslacht23,0401,0994.77%
Varkens 146,204,3206,219,1604.25%
Researchers20173,110,91078,8672.54%

Die 0.6 procent is dan de nieuwe vuistregel om andere macro-grootheden aan af te meten. Als je grootheid teveel afwijkt van die 0.6 procent, dan zit er ofwel een fout in je statistiek, ofwel heb je een verhaal.

Dat lukt voor macro-economische grootheden (lukraak gekozen: internationale inkomende toeristen, marktwaarde van beursgenoteerde bedrijven, CO2-emissies), maar ook voor business-gerelateerde marktgegevens (mobiele telefoons en abonnementen) en voor politiek-sociologische data (strijdkrachten).

België is nog wel het 1-procent-land als we vergelijken met de high-income landen (zoals gedefinieerd door de Wereldbank), zowel in GDP als in bevolking. Ook dit is voor sommige vergelijkingen een handige benchmark. Achter het feit dat België maar 0.11 procent van de patentaanvragen van de high-income landen vertegenwoordigt, schuilt wellicht een verhaal.

De meest gangbare vergelijking is wellicht die met de EU. Daar vertegenwoordigt België, met 2.6 procent van de bevolking, 3.4 procent van het GDP. In vergelijking met die benchmark scoren we beter op auto’s en varkens en minder goed op onderzoekers.


Donderdagse gevarieerde links


Dinsdag quote

It is sometimes said that “knowledge is power”. Hayek showed that a strong reading of this claim – that knowledge and power always go together – is profoundly false. While knowledge often confers power, the reverse is not true. Centralizing power over an economy, or any other large-scale cooperative system, does nothing to centralize knowledge of how that system works or could be made to work better. Knowledge remains dispersed, being passed around in small quantities by people’s ability to signal to each other, through prices. In a working economy, nobody knows everything but everybody knows something. And things work best when it’s kept that way.

Daniel Halliday and John Thrasher (2020). The Ethics of Capitalism. An Introduction, p 66