Inflatie? Welke inflatie?

Terwijl heel Europa onder de inflatie zucht, kende Zwitserland, onverzettelijke-Galliërs-gewijs, in september een inflatie van 3.3 procent, tegenover 3.5 procent in september 2021.

Economist GianLuigi Mandruzzato van de EFG Bank verklaart dat door de lage afhankelijkheid van olie en gas. Minder dan 1 procent van de Zwitserse elektriciteit konmt van gas of olie; 58 procent van hydroelektriciteit en 34 procent van nucleair.

Volgens een andere onderzoeker, chief economist Henrique Schneider van de Zwitserse Federatie van KMO‘s en professor aan de Nordakademie universiteit in Duitsland, ligt de oorzaak dan weer bij het nefaste beleid van de Zwitserse centrale bank, die er onder meer niet in slaagde de Zwitserse franc te laten devalueren.

Dat beleid heeft wel degelijk invloed op de echte koopkracht van de Zwitsers. Door de negatieve rente verminderde de waarde van hun pensioenfondsen; huis- en huurpijzen stegen fors.

Inflatie, je krijgt er je hoofd niet rond! Zegt Scott Sumner over monetaire theorie en inflatie: “Before trying to teach students how monetary policy affects interest rates, we should start with something easier, like quantum mechanics.”


Zaterdag quote

This is why liberalism is an unintuitive political arrangement, and why it has always been necessary to make the case for it. Perfectionism and perfectionist ideas are in many ways much more natural. In fact, around the world, in every major civilization, some form of perfectionism represents the older, indigenous strain of political thinking. This may be because perfectionism takes the resources that we use to organize small-scale communities and attempts to scale them up, to apply them at the level of the nation-state. Liberalism, by contrast, has no correlates at the small-scale or community level, and so it is extremely non-obvious as a template for the organization of human society.

Joseph Heath (2020). The Machinery of Government. Public Administration and the Liberal State. p 115-116

Vrijdagse gevarieerde links

  • Carolyn Bertozzi, die deze week de Nobelprijs Chemie won samen met twee collega’s, krijgt felicitaties van Rage Against The Machine guitarist Tom Morello. Bertozzi en Morello zaten tijdens hun Harvard-tijd samen in een band, Bored Of Education, die in 1986 de Ivy League Battle of the Bands won. Bertozzi op de keyboards.
  • Tim Harford doet een poging om uit te leggen dat de huidige prijsstijgingen geen echte, echte inflatie zijn. “In Inflation World, inflation is a monetary phenomenon and needs a monetary response such as higher interest rates. In Energy Crunch World, the rise in prices needs a real-world response in the form of support for struggling households, and every effort to reduce demand and to find new sources of supply.”
  • Eén schilderij voor elk jaar van de 20ste eeuw.
  • Kunnen bedrijven en organisaties hun DNA en cultuur doorgeven naar andere bedrijven? Een studie (gated) vond dat stichters van bedrijven die daarna een ander bedrijf opstarten wel degelijk een stuk van de cultuur en praktijken kunnen overplanten. Auteur en Wharton professor innovatie en entrepreneurship Ethan Mollick ziet twee stambomen in Silicon Valley: The Traitorous Eight, die in 1957 hun toenmalige start-up verlieten om Fairchild Semiconductor op te richten, dat dan weer aan de basis lag van onder meer Intel. De PayPal Mafia is een groep ex-PayPal werknemers die aan de basis of verdere ontwikkeling liggen van onder meer Tesla, LinkedIn, SpaceX, YouTube en Yammer.
  • Voor een Master thesis project maakte de Britse designer Thomas Thwaites een toaster from scratch. Interview in The Prepared (via The Browser). Om zich voor te bereiden, gooide hij eerst de goedkoopste toaster die hij kon vinden (3.94 pond) uit elkaar en ging dan aan de slag om iets gelijkaardig in elkaar te steken zonder vooraf gemaakte onderdelen of materialen. Het eindresultaat – de foto is hilarisch – kostte negen maanden werk, van het maken van staal (mislukt) tot het delven van koper, en uiteindelijk 1,187.54 pond. Het idee voor The Toaster Project komt wellicht van het essay I, Pencil, van Leonard Read, waarin een eenvoudig potlood uitlegt welke kennis en materialen nodig zijn om een potlood te maken. “Not a single person on the face of this earth knows how to make me“.
  • De Conscience bibliotheek in Antwerpen selecteerde 6,000 boeken die door Google Books gedigitaliseerd zullen worden.
  • Het Bruegel onderzoeksintstituut heeft een dataset die de evolutie van de vraag naar gas van alle Europese landen trackt, onderverdeeld naar de vraag vanuit energie-opwekking, industrie en huishoudens. Voor België daalde de vraag naar gas met 14 procent in september 2022 vergeleken met september 2021: energie (-18 procent), industrie (-18), huishoudens (-10). Finland kon zijn gasvraag in dezelfde periode drukken met 53 procent; Frankrijk met maar 1 procent.

De vermaledijde markt

Twee fijne opiniestukjes over marktwerking, geschreven vanuit eenzelfde verontwaardiging, en die eigenlijk tot dezelfde conclusies komen:

Schrijver Jeroen Olyslaegers is een verstandig mens, die als een van de weinige Vlaamse intellectuelen boven het clandenken kan uitstijgen.

Begin september schreef hij in zijn vaste column in De Morgen een stuk onder de titel “Marktwerking“. (Foto op Facebook)

“De markt prefereert aandeelhouders in plaats van mensen, cijfers in plaats van samenleving. …
Sinds de jaren tachtig hebt ge die steeds driestere zever over de marktwerking mogen aanhoren met alleen maar protest in de marge.”

Het klinkt goed, Jeroen; het ontlokt goedkeurend gebrom bij de achterban (“Boenk erop” was een van de commentaren; “Smeerlappen zijn het, allemaal. Geldzuchtige maffia” een andere), en de ontreddering is heel begrijpelijk. Maar het is niet waar.

Het is niet zo dat “de markt” aandeelhouders prefereert. Sommige aandeelhouders zullen aandeelhouders prefereren, dat wel. “Sinds de jaren tachtig“? De historicus die gij zijt, moet toch beter weten. We doen al aan markt sinds enkele eeuwen voor Christus. Eerst in het klein, toen we discussieerden of mijn bever twee konijnen waard was of drie; dan op steeds grotere schaal: The Company of Strangers.

Markten werken met cijfers, ja. Dat vergemakkelijkt de bever-konijn discussie. Maar ze prefereren en vereisen zelfs vriendschap en vertrouwen om goed te kunnen werken: The Bourgeois Virtues.

De markt is geen instantie die ons leven dicteert. Ze is een resultante van miljoenen beslissingen die leiden tot een instelling die niemand bedacht heeft en die als vanzelf werkt. Als gij, Jeroen, op een zaterdag besluit een nieuw wit hemd te gaan kopen, dan ligt dat hemd, waar tientallen mensen aan gewerkt hebben, pasklaar voor jou in de winkel. Dat is de markt. Het is een wonder en het werkt. Meestal.

… alleen maar protest in de marge“. Dat is ook niet waar, Jeroen. De hoofdstroom onder intelligentsia zoals gijzelf is, al sinds het einde van de 19de eeuw, anti-markt. Ge preekt omwille van het applaus bij de clan, en dat is een val waarin ge niet zou mogen trappen. Noem mij één intellectueel of opiniemaker die gij waardeert en die pro-markt is.

Hier is er alvast een. Comedian Michael Van Peel, die ook zijn taak als publiek intellectueel ter harte neemt, schreef op dezelfde dag als Jeroen Olyslaegers een column onder de titel “Het sprookje van de vrije markt“.

Van Peel schrijft vanuit dezelfde verontwaardiging en komt eigenlijk tot dezelfde conclusie. Maar hij demoniseert de markt niet en legt geduldig, voor de zoveelste keer sinds Adam Smith, uit hoe ze werkt, en soms niet werkt, en wat we dan daaraan kunnen doen.

“Dit (de hoge energieprijzen) is precies het omgekeerde van een vrije markt.
Dit is een voorbeeld van een oligopolie met maar twee aanbieders die in dat geval inderdaad de prijs kunnen vragen die zij willen aan de vele vragers met hongerige magen zonder alternatief. In een echte vrije markt zou Sofie haar prijs 1 cent onder die van André laten zakken en hem uit de markt prijzen om zijn marktaandeel in te nemen. André gaat failliet, Sofie heeft een monopolie en kan haar prijzen nog opdrijven. De grote overwinsten trekken intussen een hoop nieuwe producenten aan. Die komen op de markt waardoor de prijs zakt (ze passen onderling dezelfde tactiek toe als Sofie bij André) tot er een evenwicht gevonden wordt tussen aanbod en vraag. Dàt is de marktprijs.”

“Boenk erop” vind ik dat.

Er is, zo blijkt in deze crisis, wel degelijk ruimte voor overheidsoptreden wanneer de markt ontspoort of niet naar behoren werkt. Dat geldt zeker voor strategische publieke diensten onderwijs, openbaar vervoer, gezondheidszorg of energie.

Maar laat ons voorzichtig blijven. De markt heeft automatische feedbackloops, die door een hogere intelligentie lijken bedacht te zijn, maar die in realiteit vanzelf werken en redelijk snel.

De overheid, op wiens goedaardige intelligentie we nu rekenen om de verondersteld kwaadaardige intelligentie van de markt te counteren, dat zijn individuen. Zijn we er gerust in dat goedaardigheid hun enige drijfveer is? Hoe intelligent zijn ze? In een verschrikkelijk complexe materie als deze energiecrisis is de kans op vergissingen en onbedoelde neveneffecten groot. Dat is menselijk. Maar de feedbackloop na vergissingen, als die er al is, werkt hier minder snel en trefzeker dan in de markt.

In complexe tijden zoals deze is het ontzettend moeilijk om als overheid een evenwicht te vinden tussen wat je nog wel aan de markt kan toevertrouwen en wat je zelf kan en mag doen. Of laten! Het is een weinig benijdenswaardige taak.

Opiniemakers hebben dan vanop de zijlijn twee keuzes: de complexiteit vereenvoudigen en de volkse verontwaardiging mennen om beleidsmakers aan te sporen “iets” te doen; of de complexiteit proberen te duiden om beleidsmakers aan te manen tot uiterste voorzichtigheid en terughoudendheid.

Misschien hebben we beide nodig?

ADDENDUM: Koop en lees natuurlijk allemaal het nieuwe boek van Jeroen, Willem en mijn wellust.


*Gambling on Development. Why Some Countries Win and Others Lose*

Is dit het beste boek over ontwikkelingseconomie van de jongste jaren? Ik denk het wel, al kan ik niet beweren dat ik ze allemaal gelezen heb.

De auteur is Stefan Dercon, met wie ik, voor de anekdote, samen Economie gestudeerd heb in Leuven, destijds.

Een van de redenen dat dit misschien het beste boek is over ontwikkelingseconomie, is het bijzondere curriculum van Dercon. Na zijn studies en een professorschap in Leuven trok hij naar Oxford, waar hij onder meer Economic Policy doceert en Director is van het Centre for the Study of African Economies. Van 2011 tot 2017 was hij chief economist van het Britse Department for International Development (DfID), wellicht de hoogste Britse ambtenarenpost die een Belg ooit bekleedde. Dercon bracht ruime tijd door op het terrein. Het boek is gelardeerd met anekdotes over vergaderingen en ontmoetingen met eerste ministers, hoge ambtenaren, specialisten en gewone mensen uit de landen waarover hij schrijft. En dat zijn er nogal wat.

Die combinatie van academische kennis, inkijk in de coulissen van de politiek en terreinervaring is zeldzaam onder ontwikkelingseconomen; wellicht uniek.

Met Gambling on Development wil Dercon een model voorstellen voor ontwikkelingseconomie. Hij begeeft zich daarmee op een terrein dat al redelijk drukbezet is. Als academicus geef je dan een overzicht van de bestaande modellen en theorieën. Dercon heeft daar iets voor klaarliggen. In 2012, toen hij een jaar in dienst was als topambtenaar bij het Department for International Development, had de aantredende Britse Staatssecretaris voor Internationale Ontwikkeling ootmoedig bekend dat ze eigenlijk niets wist over het domein waarvoor ze verantwoordelijk zou worden. “This ministers’s mental model of how the world of development works was somewhat empty.” Een van zijn collega’s had een stapel boeken klaargelegd die ze misschien tijdens het weekend kon lezen. “Maar ik kan u ook een korte briefing geven over die boeken,” flapte Dercon eruit.

Aldus geschiedde. En Dercon laat ons over zijn schouder meeluisteren in een paragraaf “My advice to the boss“.

Hij legt uit dat elk van de denkers een interessante lens biedt om naar ontwikkelingseconomie te kijken, maar dat ze het oneens zijn, onder meer over waar de diepere oorzaken van onderontwikkeling liggen, over waar te beginnen, over wie het roer in handen zou moeten nemen en op welk niveau. Het is, zo herhaalt hij voortdurend in het boek, “hardly a matter of spending money or finding a silver bullet“.

De modellen waar Dercon zich tegen afzet, stellen ofwel, minstens impliciet, een “beste” oplossing voor die dan, om te kunnen werken, een tabula rasa zou moeten maken van de bestaande instellingen en machthebbers in een land. Ofwel wijzen die modellen naar externe factoren – de wereldmarkt, de geschiedenis – waarop een individueel land geen vat heeft.

Maar “they all miss the boat on a clear explanation of why a diverse set of countries have changed for the better and why others have not.” (p 33)

De krachtlijnen van Dercons eigen model, waarvan hij dus ook de Staatssecretaris probeert te overtuigen, gaan vaak diametraal in tegen de krachtlijnen van minstens een van de modellen die hij samenvat voor zijn baas.

  • De belangrijkste uitdagingen voor ontwikkelingslanden liggen in het land zelf, niet in de wereldmarkt
  • Recepten voor specifieke maatregelen voor economisch beleid kunnen inspireren, maar het gaat in de eerste plaats om hoe landen vandaag worden bestuurd door de mensen die de macht al in handen hebben
  • De geschiedenis van een land is een factor maar is niet determinerend. Landen met gelijkaardige historische achtergronden hebben heel verschillende resultaten bereikt
  • Ontwikkelingshulp kan wel degelijk nuttig zijn, maar dan enkel in die landen waar de mensen met de macht in handen een deal hebben om te evolueren in de richting van groei en ontwikkeling

Ietwat kort door de bocht: Dercon kijkt veel minder naar een of ander geïdealiseerd einddoel of naar een beste aanpak, maar vertrekt van de situatie zoals ze is. Zijn aanpak is radicaal pragmatisch: het beste is er de vijand van het goede of betere.

Wat is dan die Development Gamble of Development Bargain, de termen waarin Dercon zijn model samenvat?

Een staat en de manier waarop ze beheerd wordt, zijn in zekere zin altijd het resultaat van een deal die gesloten wordt door een elite en die in hoge mate economisch is. Het is de elite, de vaak floue groep van mensen met de macht om de politiek, de economie en de samenleving vorm te geven, die bepaalt hoe de economie zich ontwikkelt en hoe de vruchten ervan verdeeld worden.

Elk land heeft een elite bargain. Ze komen in vele vormen: van roofzuchtig, waarin de elite er alles aan doet om zich de rijkdom van een land toe te eigenen, tot meer inclusief en verdelend.

Een development bargain is dan een van de vele bargains die de elite in een land kan sluiten. Het is een breed gedragen verbintenis van de elite om te streven naar groei en ontwikkeling die de hele bevolking ten goede komt en die de armoede zal doen dalen.

Er zijn geen “zuivere” development bargains. Elke concrete development bargain die Dercon bespreekt in het boek, is onvolmaakt. En een succesvolle development bargain in het ene land kan niet zomaar gekopieerd worden naar een ander land.

Hij ziet wel drie gemeenschappelijke kenmerken. De bargain wordt gedreven door echte, geloofwaardige en langdurige politiek. Ze wordt ondersteund door een stevige staat, die tegelijk vermijdt om meer te doen dan ze aankan. En de staat heeft de politieke en technische bekwaamheid om te leren van fouten.

Dit concept van een development bargain is nog steeds geen recept voor ontwikkeling. Maar dat is net het punt, en waarin Dercon verschilt van de andere modellen. Er is geen recept; er zijn enkel ingrediënten. En als er geen recept is, is succes niet gegarandeerd. Vandaar dat elke development bargain altijd ook een development gamble zal zijn. Vandaar ook de noodzaak om te kunnen en willen leren van fouten en zo nodig de mix van ingrediënten aan te passen.

Wie wat thuis is in de ontwikkelingsliteratuur, zegt nu misschien: Wat Dercon voorstelt, is eigenlijk een herformulering van de kerngedachten van de bijzonder invloedrijke institutionele school in ontwikkelingseconomie (Acemoglu en Robinson, Why Nations Fail), die onderscheid maakt tussen landen met extractieve instellingen en landen met inclusieve instellingen.

Neen, zegt Dercon, mijn model is geen herformulering van “good institutions matter“. De bestaande politieke en economische elite heeft veel meer keuzevrijheden en invloed dan het historisch deterministische model van de institutionele school laat vermoeden. Kijk onder meer naar Bangladesh en China: zij vertrokken beide van een situatie met abominabele instellingen, maar wisten door een development bargain de eerste stappen naar brede ontwikkeling te zetten.

Maar waarom juist? Waarom en wanneer zou een elite die volop baat heeft bij het status quo van een roofzuchtige bargain plots besluiten een development bargain te sluiten?

Dercon ziet vier mogelijke drivers.

De eerste, die hij min of meer afwijst, is het optreden van een verlichte leider. Singapore’s Lee Kuan Yew, die zijn land van midden de jaren 1960 tot midden 1990 op een groeipad van gemiddeld 6 procent per jaar zette, en de armoede nagenoeg uitroeide, is hier het archetype. Paul Kagame claimt in Rwanda een gelijkaardige rol. Dercon vindt dat die nadruk op verlicht leiderschap te weinig aandacht heeft voor de brede consensus die nodig is onder de volledige elite.

Een tweede mogelijke driver is dat omstandigheden de elite dwingen een bredere legitimiteit te zoeken dan ze tot nu toe had, al is het om instabiliteit of opstand te vermijden. China na de Culturele Revolutie is een voorbeeld. In Ethiopië en Rwanda zoeken leiders van een bepaalde bevolkingsgroep legitimiteit bij de volledige bevolking.

Dercons realisme blijkt nog eens uit de derde driver, die wellicht altijd samengaat met een van de drie andere. De elite kan inschatten dat een bredere ontwikkeling ook haarzelf ten goede zal komen, meer nog dan een elite bargain waarin ze enkel zichzelf verrijkt.

Een laatste driver haalt Dercon uit de studie van de chronologie van het ontstaan van development bargains. In landen zoals Indonesië na 1965, Bangladesh na 1972, Ethiopië na 1991 en Rwanda na de genocide in 1994 zijn (kiemen van) development bargains ontstaan na een verwoestend conflict.

Peace is a business deal“, zegt hij hierover, in een treffende echo van het dit jaar ongeveer gelijktijdig verschenen Why We Fight. The Roots of War and the Paths to Peace, van Chris Blattman, met wie Dercon overigens heel wat gezamenlijke studies en experimenten heeft gedaan en die samen met Dercon een anti-silver bullet, pragmatische school kan vormen.

De eerste stap in Dercons model en aanpak bestaat er dus in te achterhalen onder welke elite bargain een staat bestuurd wordt. Daar is geen vaste methode voor. Een elite bargain staat nergens neergeschreven; net zoals de elite zelf is ze flou, impliciet en informeel.

Als buitenstaander ben je daar niet zoveel mee. De gemeenschappelijk kenmerken en drivers van development bargains die Dercon aanbiedt in het “theoretisch” hoofdstuk bieden ook niet echt een methode of handvatten om elite bargains, laat staan development bargains, te herkennen.

Hoe het in het echt gaat, vertelt Dercon in een dubbelanekdote aan het begin van het theoretisch hoofdstuk en in de vele gevalstudies verder in het boek.

In de dubbelanekdote contrasteert hij twee vergaderingen die hij had met topambtenaren, een in de Democratische Republiek Congo (DRC), een in Ethiopië.

De vergadering in de DRC vond plaats in 2013 in Kinshasa. Aanwezig: de economische adviseur van president Kabila en een dertigtal andere hoge ambtenaren. Alle (10!) presentaties die Dercon kreeg, waren deskundig en legden de nadruk op de juiste hervormingen die de DRC nodig had, van macro-economische stabiliteit, over stimulering van de particuliere sector en kleinschalige landbouw en belastinghervormingen, tot investeringen in de gezondheid- en onderwijssector.

Maar “walking out of the long meeting, I felt I was coming out of a play performed by committed character actors. They put on a good show, but I was sure that not a single plan of those woven into the dialogue would ever be implemented. They probably knew it, too, but no doubt had worked on these plans with the utmost sincerity.” (p 36)

Enkele maanden later had Dercon een gelijkaardige vergadering in Ethiopië. De groep was daar iets kleiner en iets meer senior, inclusief de minister van Financiën. De discussie ging onder meer over de resultaten van het Growth and Transformation Plan dat Ethiopië aan het implementeren was. Wat was goed gelopen, wat kon verbeterd worden?

De ideeën en voorstellen die op tafel kwamen, waren minder gepolijst dan die in de presentaties in de DRC. Ze waren ook minder geïnspireerd door wat in die tijd opgang maakte in kringen van internationale ontwikkeling.

Maar “I had no doubt they would do all they could to implement them … As I had worked by then with Ethiopian academics and policy-makers on and off for two decades, my sense of the situation didn’t suprise me, and it stood in stark contrast to the earlier spectacle in the DRC.” (p 36-37)

Terugkijkend naar die twee vergaderingen in 2013 spreken de feiten voor zich. Ethiopië groeide de voorbije vijftien jaar met meer dan 7 procent per jaar in per capita termen, driemaal sneller dan de DRC.

Dat is dus wat er nodig is om de aan- of afwezigheid van een development bargain te herkennen: jarenlange ervaring in een land en contacten op hoog niveau met technocraten, die Dercon herhaaldelijk opvoert als de stille helden van ontwikkeling.

We blijven daarmee nog op onze honger zitten, want uiteindelijk lijkt het neer te komen op ellebogengevoel van de technocraat die Dercon ook is – “I was sure that not a single plan would ever be implemented” en “my sense of the situation” – en op de cijfers achteraf.

Die honger wordt voor een groot deel gestild in het tweede deel van het boek, veruit het meest uitgebreide, waarin Dercon land per land en vaak heel gedetailleerd het ontwikkelingsverhaal vertelt.

De poging om dat deel wat te structureren door een halve dierentuin treffende equivalenten te vinden voor de emblematische Aziatische tijgers, vond ik niet helemaal geslaagd en blijft niet echt hangen. Maar de lijst landen die Dercon laat passeren, en waarover hij uit de eerste hand vertelt, is indrukwekkend:

China, Indonesië en Indië (goed op weg); Sierra Leone en Malawi (on hold); Kenia, Oeganda en Ghana (in de startblokken?); Nigeria en de DRC (voorlopig hopeloos); Zuid-Soedan, Afghanistan, Nepal, Libanon, Somaliland (peace as a business deal?); Bangladesh (merkwaardig maar pril groeiverhaal); Ethiopië en Rwanda (Afrikaanse mirakels in de maak?).

Uit de concrete verhalen wordt duidelijk wat Dercon bedoelde als hij zei dat geen enkele development bargain perfect is en dat elke development bargain anders is.

Het groeiverhaal van Bangladesh is merkwaardig, maar ver van al een echt succes. In Bangladesh speelt de NGO BRAC (Bangladesh Rural Advancement Committee), de grootste NGO ter wereld, een heel belangrijke rol. Maar daarnaast is er niet echt een groot plan: “Progress is not at all the result of a grand design. Instead it is, almost coincidentally, a matter of politics and economics not doing the wrong thing.” (p 219) Anders dan in andere ontwikkelingsverhalen heeft de overheid in Bangladesh een bescheiden rol: een combinatie van “a form of laissez-faire where organisations fill the gaps left by the state” (p 227) en simpelweg “not doing the wrong thing“.

Dercon sluit het boek af met een hoofdstuk over ontwikkelingshulp.

In tegenstelling tot een aantal andere ontwikkelingseconomen is hij geen scepticus van ontwikkelingshulp. Het beeld dat ontwikkelingshulp simpelweg dient om de zakken van corrupte leiders te vullen, is een karikatuur. Anderzijds geeft hij toe dat de balans van ontwikkelingshulp tot nu toe allesbehalve indrukwekkend is.

Van de Millennium Development Goals en de Sustainable Development Goals, die sinds 2000 voor een heel deel van de internationale gemeenschap de bakens zetten voor ontwikkeling, is hij een zeer koele minnaar. “Goals and targets do not lead to development.”

Ontwikkelingshulp wil hij, hoe kan het anders, enten op het bestaan van een development bargain. Net als de landen zelf zullen donors dan moeten gokken om kiemende development bargains te steunen. Landen waar duidelijk geen development bargain aanwezig is, zouden geen of minder steun moeten krijgen.

Belangrijk, en tekenend voor de grondhouding van Dercon: met ontwikkelingshulp, en met advies van internationale experten zoals hijzelf, is het zoals met de tango: je moet met twee zijn om hem te dansen en, vooral, een van de twee moet leiden. De leider in die tango kan niet anders zijn dan het ontvangende land. Zij moeten uitmaken of de hulp past in hun development bargain.


Dienstmededeling

Dit blogje heeft enkele maanden stilgelegen: afwikkelen van het vorige academiejaar, opstarten van het nieuwe academiejaar en, vooral, de keuze om me tijdens de lange warme zomer te werpen op de studie van twee onderwerpen: Business Process Management (BPMN) en Unified Modelling Language (UML). Van het eerste heb ik al het examen afgelegd en het certificaat behaald; voor het examen van het tweede zoek ik nu een datum.

Het was buitengewoon aangenaam nog eens echt te studeren. Bedenking: er is een verschil tussen Life Long Learning (dat doe je eigenlijk sowieso altijd) en Life Long Studying.

Nu gaan we dus deze blog nieuw leven inblazen.

Coming up:


Zaterdag quote

It is not a correct deduction from the Principles of Economics that enlightened self-interest always operates in the public interest. Nor is it true that self-interest generally is enlightened; more often individuals acting separately to promote their own ends are too ignorant or too weak to attain even these. Experience does not show that individuals, when they make up a social unit, are always less clear-sighted than when they act separately.

John Maynard Keynes (1926). The End of Laissez-Faire, in Essays in Persuasion (2009), p 169.

Vervolg: Structureel racisme of arbeidsattitude?

We waren met deze blogpost blijkbaar niet de enige die geschrokken waren van het ontzettend hoge percentage inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit in België in de recente paper van Stijn Baert en @UGentAtWork. Met 44.2 procent bekleedt België daar een weinig benijdenswaardige toppositie in Europa.

Stijn Baert en @UGentAtWork kregen er veel vragen over. In een knap staaltje van kort op de bal maatschappelijke dienstverlening publiceerden ze deze week een vervolgpaper die sommige vragen verder uitdiept: Inactiviteit onder migranten in België: uitgediept via cijfers en studiewerk.

Ter herinnering: inactieven zijn niet-werkenden die ook niet op zoek zijn naar een baan; zij worden dus niet bij de werklozen geteld. Maar willen we ooit een werkzaamheidsgraad van 80 procent bereiken, dan zullen we een deel van die inactieven ook aan werk moeten helpen.

In de vervolgpaper zetten Baert en co in een eerste deel het cijfer van 44.2 procent in perspectief met andere cijfers. In een tweede deel van de paper bekijken ze kort tien wetenschappelijk artikels die aspecten van de kwestie de voorbije jaren onderzochten, en vatten ze de beleidsaanbevelingen samen.

Enkele bevindingen:

  • In absolute cijfers vormen de 44.2 procent inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit een groep van 123,000 inactieven. Dat is 9.5 procent van de 1.3 miljoen inactieven in België, terwijl het algemeen aandeel van 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit maar 4.6 procent is.
  • In absolute aantallen zijn er in Wallonië onder de 25- tot 64-jarigen met een nationaliteit van buiten de EU meer inactieven dan werkenden en werkzoekenden samen.
  • Maar de onevenredigheid tussen het aandeel in de bevolking en het aandeel bij de inactieven is het grootst in Vlaanderen. Aandeel in de bevolking: 3.4 procent. Aandeel bij de inactieven: 7.4 procent.
  • Aan de scholingsgraad ligt het niet. België scoort daar beter dan het Europese gemiddelde. “Dit suggereert dat de hogere inactiviteit onder niet-Europese migranten in België zich vooral op de arbeidsmarkt zelf ontwikkelt,” concluderen de auteurs.

In het tweede deel van de paper overlopen ze tien recente wetenschappelijke artikels en vatten ze de beleidsaanbevelingen samen. De vraag in de titel van deze en vorige post – “Structureel racismes of arbeidsattitude?” – wordt bij Baert en co “We delen op naar verklaringen aan de werkgeverszijde, werknemerszijde en beleidszijde.”

  • Aan werkgeverszijde blijkt etnische discriminatie wel degelijk een drempel bij aanwerving, in België en internationaal, al lijkt die discriminatie af te nemen. De discriminatie is er omdat werkgevers vrezen dat klanten en werknemers liever niet met personen met migratieachtergrond samenwerken, eerder dan dat ze geloven dat migranten minder productief zouden zijn.
  • Mogelijke beleidsmaatregelen zijn praktijktesten op sectorniveau, kosten van discriminatie verhogen, minder eerste selectie op basis van CV-screening, en training van selectieverantwoordelijken. Hogere concurrentie op een krappe arbeidsmarkt zal ook helpen.
  • Aan werknemerszijde vinden onderzoekers dat culturele factoren zoals vroeger huwen de moeilijke overgang van school naar werk onder vrouwen met een migratieachtergrond mee verklaren. Intensievere contacten met arbeidsbemiddelingsbureaus en sollicitatiecursussen verhogen de kans op werk. Migranten die op hun CV vrijwilligerswerk kunnen toevoegen, zien de gunstige reacties op sollicitaties verdubbelen.
  • Op vlak van het beleid blijkt er eerder positieve discriminatie te zijn bij overheidsjobs, al hangt dat nog teveel af van de politieke kleur van de (lokale) beleidsmensen.
  • De nadruk op het snel leren van de taal, snelle professionaliseringstrajecten en andere inburgeringscursussen, waar bij politici nogal wat heil van wordt verwacht, blijkt vaak averechts te werken. Die trajecten lijken migranten in laaggeschoolde, onzekere banen te duwen.

Nog deze week voegde een andere wetenschapper, Dries Lens, in zijn zopas verdedigd doctoraat aan UAntwerpen, Is labour migration hurting migrant labour? (DS), enkele elementen toe aan het debat.

Lens wijst in het algemeen op de rigide arbeidsmarkt in België en op de nefaste rol van minimumlonen voor arbeidsinstromers.

Hij onderzocht ook de rol van gedetacheerden, werknemers uit andere EU-landen en zelfs niet-EU-landen zoals Oekraïne. Gedetacheerden blijken zeer populair bij werkgevers omdat de socialezekerheidsbijdragen in het zendland betaald worden. Bij hen is ook geen sprake van al dan niet verplichte inburgeringscursussen.

In 2019 ging het om 275,000 gedetacheerden, van wie 35.000 uit een niet-EU-land. Ook hier staat België aan de Europese top.

In zijn doctoraat toont Lens aan dat werkgevers liever via detachering werken dan migranten aan te nemen. Zijn besluit: “Via detachering omzeilen werkgevers de rigide en overgereguleerde arbeidsmarkt. Net daardoor stellen ze interventies uit om de arbeidsreserve op de Belgische arbeidsmarkt in te ­zetten.”


Zaterdag quote

When you cast policy issues in moral terms, you degrade the character of public discourse. You lead people to see conflicting priorities as an occasion for battle, rather than an occasion for compromise. You send the message that policy is best decided by appeals to one’s inner conscience (or, more likely, to the polemics of demagogues), rather than by appeals to impersonal cost-benefit analysis.
… If we’re determined to instill blind moral instincts that make people behave better most of the time, I’d like to nominate a blind moral instinct to respect price signals and the individual choices that underlie them—an instinct, for example, to recoil from judging and undercutting other people’s voluntary arrangements.

Steven E. Landsburg (2013). Don’t cast recycling as a moral issue

Structureel racisme of arbeidsattitude?

In een recente paper die Stijn Baert en @UGentAtWork schreven op basis van de zopas door Eurostat gepubliceerde cijfers over de arbeidsmarkt in de Europese landen voor 2021 is er één cijfer dat om meer aandacht schreeuwt.

Baert vergeleek de inactiviteitsgraad tussen verschillende Europese landen en gewesten. Hij doet dat in navolging van het “ijsbergmodel” dat hij onlangs lanceerde, waarin hij voorstelt om in plaats van de werkloosheidsgraad en de werkgelegenheidsgraad als richtindicatoren het percentage werklozen ten opzichte van de totale 25-64 populatie en het percentage inactieven ten opzichte van de totale populatie te gebruiken. Die twee samen geven een beter beeld van de toestand van de arbeidsmarkt, ook voor het beleid.

De inactiviteitsgraad in België bedraagt 21.8 procent, tegenover bijvoorbeeld 15.2 procent in Nederland en 10.9 procent bij Europese koploper Zweden. In de EU zijn er maar 4 van de 27 landen die het slechter doen dan België.

In absolute cijfers betekent dit dat 1.3 miljoen Belgen tussen 25 en 64 noch werken, noch werk zoeken. Het betekent ook dat, zelfs wanneer in België alle werkzoekenden morgen aan de slag zouden gaan, we nog niet de vooropgestelde 80 procent werkzaamheidsgraad zouden halen.

Het ene cijfer dat om aandacht schreeuwt, en dat meteen de hoge inactiviteit in België nagenoeg volledig voor een stuk verklaart, is het percentage inactieven onder 25 tot 64-jarigen met een niet-EU nationaliteit. In België bedraagt dat een kolossale 44.2 procent. België spant daarmee veruit de kroon in Europa. Het EU-gemiddelde is 29 procent. De enige drie landen met percentages boven de 30 zijn Nederland (36), Duitsland (34) en Frankrijk (33).

Onder vrouwen met een niet-EU-nationaliteit bedraagt het percentage in België zelfs 59.3 procent. Geen enkel ander Europees land scoort daar boven de 50 procent.

inactiviteit niet-EU-nationaliteit

Zowat alle problemen op de Belgische arbeidsmarkt, maar ook de mogelijke oplossingen, zijn eigenlijk terug te voeren tot dat ene ontstellende cijfer: 44.2 procent. Dat zijn twee generaties migranten die we verloren laten gaan.

Is het te kort door de bocht om te stellen dat die hoge inactiviteit onder mensen met een niet-EU nationaliteit twee en slechts twee oorzaken kan hebben: structureel racisme of arbeidsattitude? Ik denk het niet. Ongetwijfeld is het een combinatie van beide. Maar hoeveel van het ene en hoeveel van het andere? Wat is oorzaak en wat gevolg? Is er een opmerkelijk verschil tussen de gewesten? Hoe is de spreiding over kleinere leeftijdscohorten? Wordt de situatie beter, of net slechter?

Overheid, werkgevers en vakbonden mogen deze lastige vragen niet meer uit de weg gaan. Zolang we er door verder onderzoek, zonder taboes, geen antwoorden op vinden, en concrete oplossingen, blijven het vooropstellen van een doel van 80 procent werkzaamheidsgraad, discussies over arbeidsdeals, en uitspraken als “het ligt aan de Walen”, eigenlijk geleuter in de marge.


Maandagse gevarieerde links

  • Amusante en bijzonder leerzame quiz. Op basis van een grafiek met de belangrijkste exportproducten van een land raad je over welk land het gaat. Zo bijvoorbeeld: 20 procent van de totale export van 10.8 miljard dollar Ethyleen polymeren, 11 procent ruwe olie en 8.5 procent “andere noten”. Welk land? Via Chris Blattman.
  • “Hoe werken dingen?” is een beproefd genre. Maar op deze blog drijft de Californische programmeur Bartosz Ciechanowski het tot het uiterste. De definitieve uitleg, schermen lang, met zeer zorgvuldige grafieken, over de werking van een mechanisch uurwerk, GPS, scheepsbouw en wat nog. Via de onovertroffen The Browser.
  • De jaarlijkse lijst met “wijsheden die ik had willen weten toen ik jong was” van Kevin Kelly, oprichter van Wired en uitgever van The Whole Earth Review, op zijn zeventigste verjaardag. Het zijn er 103 dit jaar.
    Kleine bloemlezing:
    “Anything you say before the word “but” does not count.”
    “Productivity is often a distraction. Don’t aim for better ways to get through your tasks as quickly as possible, rather aim for better tasks that you never want to stop doing.”
    “The biggest lie we tell ourselves is “I don’t need to write this down because I will remember it.”
    “To keep young kids behaving on a car road trip, have a bag of their favorite candy and throw a piece out the window each time they misbehave.”
    “We tend to overestimate what we can do in a day, and underestimate what we can achieve in a decade. Miraculous things can be accomplished if you give it ten years. A long game will compound small gains to overcome even big mistakes.”
    “Take note if you find yourself wondering “Where is my good knife? Or, where is my good pen?” That means you have bad ones. Get rid of those.”
  • Kunnen mobiele telefoons levens redden? Research toont aan dat een toename van 10 procentpunt in mobiele dekking in Afrika samengaat met een daling van 0.45 procentpunt in kindersterfte.
  • Economists for Ukraine. Een wereldwijd collectief van economen en academici die werken aan een einde aan de Russische invasie en de wederopbouw van Oekraïne.

Zaterdag quote

(T)he use of incentives can signal our fellow citizens’ lack of enthusiasm for the public good, and so damage the norms of civil behavior and be counterproductive. To the extent that we all want to retain the illusion that the society in which we live is virtuous, this also sheds light on the widespread resistance to what economists have to say, because economists are often the bearers of bad empirical news concerning how virtuous people are.

Jean Tirole (2017). Economics for the Common Good, p 149

Weg met alle experten, behalve één?

Proficiat Ewald Engelen! De Nederlands financieel geograaf, politicus en publicist blikt in zijn jongste column voor de Groene Amsterdammer terug op dertien jaar en 361(!) columns voor het tijdschrift.

Uit de terugblik blijkt dat hij in de voorbije dertien jaar vrijwel niemand heeft gespaard, en dus veel mensen tegen zich in het harnas heeft gejaagd. Dat is een deel van de rol van een goede columnist en Engelen heeft dat voortreffelijk gedaan. De terugblik gaat, geheel in eigen stijl, “met soms veel retorisch geweld”, zoals hij het zelf uitdrukt, onder de titel “Het falen van de experts”.

Ik heb twee problemen met die column, en dus ook met heel wat andere van Engelen.

“Het falen van de experts”, zo schrijft Engelen, “is een van de thema’s die als een rode draad loopt door columns, essays en interviews die ik voor De Groene Amsterdammer schreef.”

Het begon, in 2008, met een aanklacht tegen de economen die de financiële crisis niet hadden zien komen en haar ook niet konden of wilden repareren.

Onder corona kreeg het thema natuurlijk een nieuwe schwung.

“Een betere wereld begint bij wat minder slaafs gehoorzamen aan de inzichten en aanbevelingen van economen en andere zelfbenoemde experts.”

Akkoord, in principe. Maar maakt Engelen voldoende onderscheid tussen een rechtmatige rol voor experts, en de rol die hen toegedicht en opgedrongen wordt door media, politiek en het grote publiek?

“Niet respect en bewondering zijn hier op hun plaats, maar scepsis.” Akkoord, maar ik denk dat de experten de eersten zullen zijn om dat toe te geven en aan te moedigen. Zo werkt wetenschap.

De vreemdste zwenking komt echter nadat Engelen alle experten van tafel heeft geveegd. Hij eigent zich dan de positie toe van “expert van experten” en schrijft: “Ik meende namelijk dat het de taak van de staat was om zijn balans als financiële paraplu te gebruiken en kwetsbare burgers te beschermen. Precies zoals Keynes in 1936 in zijn General Theory had beschreven.”

Wacht even. Alle experten falen, behalve een?

Ver van mij om hier Keynes te bekritiseren. Maar hij was wel, heel zijn loopbaan lang, de expert par excéllence van politieke machthebbers.

Schuilt hierin niet het ultieme gevaar: dat het beleid zich laat adviseren door een en slechts een expert?

Als econoom moet Engelen toch weten dat er sinds Keynes nieuwe inzichten zijn gegroeid en geformuleerd in de economie. Sommige daarvan zijn een aanvulling op Keynes, anderen gaan frontaal tegen hem in. Het is nu eenmaal de staat van de economische wetenschap.

“Ik wil een lans breken voor meer sociologen, antropologen, politieke economen, historici en geografen in de economiepanels van morgen,” schrijft Engelen. Maar het opentrekken van de economische wetenschap naar die disciplines is nu net een van de interessantste en vruchtbaarste ontwikkelingen in de economische wetenschap van de voorbije decennia.

Maar misschien zeggen zij te vaak net niet wat Engelen wil horen, en gaan ze onvoldoende samen met hem in tegen de gemeenschappelijke vijand?

Dat is mijn tweede probleem.

Engelen trekt ten strijde tegen het neoliberalisme. Zijn goed recht, en vaak doet hij het met scherpe argumenten.

Maar het is zoals met veel aanvallen op die zogezegde hoofdstroming in onze politieke economie. Neoliberalisme wordt een stroman: Een opzettelijk verkeerd weergegeven positie die is opgezet omdat ze gemakkelijker te verslaan is dan het echte argument van een tegenstander.

Engelen hanteert het etiket als een vlag die enkel door medestanders op afkeurend gebrom wordt onthaald.

Zoals het overgrote deel van de auteurs die de term gebruiken, definieert hij hem nergens. Ik overdrijf misschien, want ik heb niet alle 361 columns nagekeken. Hier is er wel een minieme aanzet.

Maar doorgaans gaat het van “het gladde, elitaire neoliberalisme dat Macron vertegenwoordigt”, over “Ondertussen zucht de gemiddelde Nederlandse burger al dertig jaar onder de knoet van het neoliberalisme”, “Want neoliberalism rules.” en “neoliberale economen (zijn) geen wetenschapper meer maar gelovige in een ontwrichtend economisch systeem” tot “vakmensen zonder ziel en hedonisten zonder hart. Het is de metafysische leegte van het neoliberalisme.”

Daar ben je niet veel mee opgeschoten, behalve dat je blijkbaar knoflook en kruis moet bovenhalen. Er zijn ook nauwelijks door Engelen en co verklaarde neoliberalen die zich als dusdanig uiten.

Full disclosure: Ja, als neoliberaal betekent dat je als econoom je inspiratie haalt bij onder meer Smith, Hume, Bastiat en Mill; als je, net als hen, erkent dat er in de economie een belangrijke rol is weggelegd voor een efficiënte overheid, dan ben ik misschien ook een neoliberaal, al vind ik dat etiket te vernauwend omdat het enkel nog als scheldwoord wordt gebruikt.

Fuller disclosure: Ja, als ik in Nederland zou wonen, zou ik wellicht voor het door Engelen verfoeide D66 stemmen (en zeker niet voor de Partij van de Dieren, waar Engelen in militeert).

Het is ook vreemd dat Engelen geen aandacht heeft (nogmaals, voor zover ik kon nagaan) voor een toch wel stevig argument tegen de stelling dat Nederland en de EU “al dertig jaar onder de knoet van het neoliberalisme” leven.

Als er een basisprincipe is dat zogeheten neoliberalen bij vriend en tegenstander verenigt, dan is het hun pleidooi voor een kleinere rol van de staat.

Welnu, over de periode die Engelen aanschouwt, zijn de Nederlandse overheidsuitgaven als percentage van het BBP geëvolueerd van 43 procent (in 2007) tot 46 procent (in 2021), met weliswaar een dieptepunt in 2019, vlak voor de coronacrisis (42 procent).

Heeft Nederland daarmee het overheidsbeslag op de economie afgebouwd? Er zijn pogingen geweest. En het land presteert beter, of slechter, nargelang je visie, dan het EU gemiddelde (52 procent) en België (bijna 60 procent).

Maar in mijn hoofd alleszins gaan een (niet fors dalend) overheidsbeslag van boven de 40 procent en “onder de knoet van het neoliberalisme” leven niet echt samen.

Maar ik ben dan ook geen expert …


Retail: het eindspel?

De Belgische retailketen Inno zette twee weken geleden de helft van zijn zowat duizend personeelsleden op tijdelijke werkloosheid. Deze week mogen ze even terugkomen om de 125ste verjaardag van de keten te vieren.

Voor de maatregel maakt Inno gebruik van het overheidskader voor tijdelijke werkloosheid door corona. Jawel! Volgens Inno is het shopgedrag van consumenten door de opeenvolging van crisissen (Corona en Oekraïne) gewijzigd.

Hallo Inno, kijken jullie even mee naar de grafiek hieronder?

Detailhandel-maart-2022

Het shopgedrag is al structureel aan het wijzigen sinds 2015 of vroeger. Elke Belgische shopper had jullie dat ook kunnen vertellen. De “twee crisissen” hebben alleen versterkt wat al aan de gang was.

Wat er nu dus gebeurt, is dat Inno de belastingbetaler laat opdraaien voor strategische fouten die het management van Inno gemaakt heeft.

Inno is maar een top van de ijsberg overigens.

Het percentage leegstaande handelspanden in Vlaanderen is de voorbije tien jaar bijna verdubbeld, van 6.6 procent in 2011 tot 11.1 procent in 2021. Van de leegstaande panden is bijna een derde “langdurige leegstand”. Het eindspel van de retail creëert een gigantisch probleem voor onze binnensteden.

Wat er aan het gebeuren is in de retail, is onomkeerbaar. Schumpeter (1942, voortbouwend op Marx) noemde het creatieve destructie; Clayton Christensen (1995) disruptieve innovatie.
Creatieve destructie gaat zo goed als altijd over het verdringen van oude bedrijven door nieuwe. Volgens Schumpeter was het de belangrijkste drijfveer van economische groei.
Disruptieve innovatie start altijd als een aanbod dat kwalitatief minderwaardig lijkt tegenover het bestaande aanbod, maar dat na verloop van tijd dat bestaande aanbod verdringt (denk aan pc’s en minicomputers).

Sinds Christensen de term lanceerde in de managementliteratuur pijnigen gevestigde bedrijven zich het hoofd over hoe ze zichzelf kunnen disrupteren. Het lukt bijna nooit.

Er is bijvoorbeeld geen enkele logische reden, buiten klassieke kortzichtigheid, waarom gevestigde mediabedrijven ergens einde jaren 1990 niet Google of Facebook hadden kunnen uitvinden en groot maken, en zo hun grootste inkomstenbron hadden kunnen veiligstellen. Drie niet-afgestuurde studenten deden het in hun plaats.

Hoe komt dat en hoe moet het dan wel? Op de eerste vraag heeft bij mijn weten nog niemand een steekhoudend antwoord kunnen geven.

Ahold en Bol.com geven wellicht een stuk van het antwoord op de tweede vraag.

De Nederlandse retailer Ahold zag rond 2010, net als Inno had kunnen zien, dat e-commerce in opkomst was. In plaats van zelf een webshop in elkaar te knutselen, nam Ahold in 2012 Bol.com over. Ze lieten het bedrijf bestaan als een zelfstandige eenheid, die op internet-tempo kon werken en groeien.

Bol groeide sinds de oprichting in 1999 tot meer dan 11 miljoen klanten en 3,000 werknemers. Take that Inno.

Gisteren maakte Bol.com bekend dat het de Nederlandse pakjesdienst Cycloon volledig overneemt. De overname is niet enkel een wellicht slimme innovatie in de waardeketting van Bol.com, maar ook een sociale innovatie. Cycloon werkt met 600 mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, die hun pakjes met de fiets afleveren.

Ach, die Nederlanders …