Reminder: bedrijven betalen geen belastingen

Nu het seizoen van de discussies over rijken- en woekertaksen is aangebroken, moeten we blijven herhalen: bedrijven betalen geen belastingen, mensen betalen belastingen.

Een bedrijf dat hogere belastingen moet betalen op zijn winst, kan dat geld uit drie en slechts drie bronnen halen. Hogere prijzen voor klanten; lagere lonen voor werknemers; of lagere dividenden voor aandeelhouders. Daar is geen weg rond.

Hoe het juist zal uitdraaien, hangt af van bedrijf tot bedrijf. De juiste verdeling tussen klanten, werknemers en aandeelhouders is op voorhand onmogelijk te berekenen. Zelfs achteraf zouden we voor de volledige economie slechts heel ruwe schattingen kunnen doen.

Laat ons dan via bedrijfsbelastingen vooral de aandeelhouders pakken? Maar via hogere bedrijfsbelasting is dat een omweg. En het zou een louter eenmalige maatregel zijn. De prijs van de aandelen zou dalen met het percentage van de hogere belasting. Aandeelhouders die de aandelen kopen na de maatregel, stappen dus lager in, en zien hun rendement niet aangetast worden door de maatregel.

Persistente woekerwinsten zijn wel degelijk een teken van een mankement in de economie. In veel gevallen verdwijnen ze vanzelf doordat ze nieuwe concurrenten aantrekken. De consumenten zullen profiteren door lagere prijzen.

Als de overheid een taak heeft, dan is het te zorgen dat die vrije concurrentie kan spelen. Maar het afschaffen van regels en ingaan tegen lobbygroepen is minder populair en klinkt minder daadkrachtig dan wilde voorstellen voor nieuwe belastingen lanceren.

De vraag is dan: besteedt de overheid het geld dat ze afroomt door hogere bedrijfswinsten efficiënter, met meer effect op de welvaart dan onder elkaar concurrerende bedrijven dat zouden doen? Het antwoord op die vraag is deels ideologisch, maar deels ook een feitenkwestie. Het minste dat we kunnen zeggen, is dat de feiten en bewijzen voor een positief antwoord op die vraag gemengd zijn.

Dan pakken we de rijken rechtstreeks? Klinkt goed, en is zelfs onder bepaalde voorwaarden verdedigbaar vanuit rechtvaardigheidsbeginselen.

Maar decennia van pogingen hebben aangetoond dat we daar vandaag op Belgisch niveau niet de informatie of de instrumenten voor hebben.

Als zo’n maatregel snel en slordig wordt ingevoerd, waar het op lijkt in de huidige Belgische discussie, kan ze tot perverse effecten leiden. Met een zo’n pervers effect wordt de Nederlandse overheid geconfronteerd. Ze zoekt op dit ogenblik enkele miljarden om onterecht geheven belasting op vermogens uit het verleden terug te betalen.

Overigens, volgens Statbel (tweet Wouter Duyck) betalen de rijkste 10 procent van de Belgen nu 48 procent van de belastingen. Qua sterkste schouders is dat toch al behoorlijk.

Er is wel degelijk ruimte voor een substantief analytisch debat over een hervorming van belasting die tegelijk efficiënt en rechtvaardig is. Maar wat we vandaag meemaken, is de zoveelste oefening in elkaar overtroevend drama.

Fijne 1 mei!


Dinsdag quote

While those who are superstitious may avoid walking under ladders, the scientific mind who wants to defy the superstition may choose to look for ladders and delight in passing under them. But if you keep looking for and walking under the ladders long enough, something is going to happen to you.

James Thurber (1937). Quoted in Amartya Sen, The Idea of Justice (2009), p xviii

Eindelijk bewezen: Management werkt

Over management wordt veel floue onzin verteld en geschreven. Zelf ben ik een jaar of zeven geleden gestopt met managementboeken te lezen, op een enkele uitzondering na. Af en toe passeer ik nog langs de blog van de Strategic Management Society of langs nieuwe edities van het Strategic Management Journal om inspiratie te zoeken voor deze blog, tot nu toe telkens onverrichter zake.

In vergelijking met literatuur uit de school van industriële organisatie, theory of the firm en transactiekosten (Ronald Coase, Oliver Williamson) ontbreken in de management “wetenschap” toch vaak stevige theoretische kaders en mogelijkheden tot empirisch werk.

Het punt is: de studie van die eerste literatuur (industriële organisatie, theory of the firm, transactiekosten) vind je in departementen Economie; het flouere werk vind je in managementscholen, in MBA-opleidingen en, bij uitstek, in een lawine van managementtrainingen.

Neem bijvoorbeeld wat een redelijk fundamentele vraag lijkt: Werkt management wel? Of precieser geformuleerd: In welke mate leiden verschillen in management tot verschillen in bedrijfsprestaties?

Het “eindelijk bewezen” uit de titel van deze post is een beetje overdreven. De conclusie – management werkt! – is gebaseerd op studies uit 2011, 2016, en een follow up uit 2020. De studies zijn interessant door hun degelijke empirische aanpak over een langere periode – elk met een verschillende methodologie.

De in Italië geboren Michela Giorcelli werkt nu aan het Department of Economics van de University of California. Ze verwerkte haar PhD thesis uit 2016 aan Stanford University tot een artikel The Long-Term Effects of Management and Technology Transfers.

Haar aanpak is gebaseerd op een natuurlijk experiment: in het kader van het Marshallplan konden Italiaanse KMO’s in de 1950’s een Productivity Program volgen, waarbij hun managers in de VS een training gingen volgen (managementtransfer), en de bedrijven geavanceerde machines kregen (technologietransfer). Sommige bedrijven kozen enkel voor de training, anderen voor de training én de machines, nog anderen enkel voor de machines.

Door een budgetbeperking in de VS konden net voor de start van het programma een aantal bedrijven hun gekozen programma niet volgen; andere wel. Giorcelli had dus twee groepen die ze kon vergelijken: de bedrijven die de gekozen programma’s konden volgen, en een controlegroep die zich wel had aangediend, maar die door de budgetbeperking uitgesloten werd.

Om de impact van de management- en technologietransfers te analyseren, verzamelde ze voor beide groepen data uit hun boekhouding en andere historische data van 1946 tot 1973. Ze vergeleek dan hun overlevingskansen, werkgelegenheid en productiviteit.

Dit zijn de belangrijkste conclusies:

  • Bedrijven die deelnamen aan het programma hadden 20 procent meer kans om te overleven dan bedrijven die zich wel kandidaat hadden gesteld, maar uitgesloten werden.
  • Het managementtransfer programma leidde tot een betekenisvolle stijging in werkgelegenheid en omzet, die bleef duren tot minstens 15 jaar na het programma. Over de 15 jaar bedroeg de cumulatieve productiviteitsgroei 52 procent, onder meer door grotere investeringen en vervanging van arbeid door kapitaal, en door meer training voor de werknemers.
  • Bedrijven die enkel de technologietransfer ontvingen, en dus geen managementtraining, zagen ook hun omzet en werkgelegenheid groeien, maar die effecten waren van veel kortere duur.

De studie is onder meer interessant om historische redenen. Ze geeft inzicht in de bijdrage van het Marshallplan aan het spectaculaire herstel van de Europese economie na de Tweede Wereldoorlog.

De hedendaagse relevantie ligt onder meer in ontwikkelingseconomie. Sommige ontwikkelingslanden bevinden zich vandaag op het niveau van Italië in 1950. Op welke manier kan de overdracht van wat economisch historicus Joel Mokyr “nuttige kennis” noemt, best bijdragen tot ontwikkeling?

Die tweede vraag wordt deels beantwoord door een studie van Nicholas Bloom en anderen uit 2011: Does Management Matter? Evidence from India.

Bloom en collega’s onderzochten met de hulp van een management consulting bedrijf managementtransfers in een aantal grote Indische textielbedrijven.

Het uitgangspunt was dat er grote productiviteitsverschillen waren tussen Indische bedrijven in een nochtans redelijk homogene textielsector, maar vooral tussen Indische bedrijven en Amerikaanse bedrijven.

Voor hun studie deelden de auteurs de bedrijven ook in in twee groepen. Een groep kreeg een introductie van een maand tot best practices in management. Een tweede groep werd daarna ook nog intensief begeleid gedurende vier maanden bij de implementatie van die best practices. Daarna werden de bedrijven nog opgevolgd gedurende twee jaar.

De consultants gingen niet aan de slag met vage managementconcepten, maar focusten op 38 heel concrete en meestal eenvoudige ingrepen. In de groep “Factory Operations” bijvoorbeeld ging het over regelmatig onderhoud van de machines en het nauwgezet registreren van pannes, maar ook over het netjes houden van de werkvloer om ongelukken te vermijden en de flow van grondstoffen te optimaliseren. De foto’s bij het artikel tonen dat daar wel degelijk werk aan de winkel was.

Veel nadruk werd gelegd op systematische meting en registratie, bijvoorbeeld in de dagelijkse registratie van garenvoorraden.

De resultaten:

  • Bedrijven die zowel de introductie als de hulp bij implementatie kregen, zagen hun productiviteit met 11 procent toenemen en hun jaarlijkse winst met 230,000 dollar.
  • Door de verplichting tot systematische meting en registratie nam over het algemeen het gebruik van informatietechnologie toe, en konden managers in principe meer taken delegeren naar hun middle management.

Als het zo eenvoudig is, zo vroegen de auteurs zich af, hoe komt het dan dat er nog slecht geleide bedrijven bestaan? In hun onderzoek vonden ze twee hoofdoorzaken. Managers bleken niet te beschikken over de juiste informatie. Of ze vonden dat ze te weinig tijd hadden en stelden evidente ingrepen uit.

In een recente follow-up studie, Do Management Interventions Last? Evidence from India (2020) onderzochten de auteurs negen jaar na de originele ingreep of de effecten blijvend waren.

De bedrijven in de experimentele groep hadden ongeveer de helft van de maatregelen die ze destijds hadden aangeleerd, laten vallen. Toch was er nog een grote kloof tussen de bedrijven uit de experimentele groep en die uit de controlegroep. Bij een aantal bedrijven waren de best practices verpreid geraakt over het hele bedrijf.

De twee meest aangehaalde redenen voor het laten vallen van de best practices waren tijdsgebrek bij het topmanagement en verloop bij het middle management.


Conversations with Tyler: Thomas Piketty

Boeiend interview van Thomas Piketty door Tyler Cowen in zijn onvolprezen Conversations with Tyler, waarin Cowen zich, over de hele reeks gezien, een bijna onwaarschijnlijke polymath toont.

Je voelt doorheen dit interview dat de affiniteit tussen interviewer en geïnterviewde niet fantastisch groot is. Tyler maakt er wel een correct interview van.

Piketty komt af en toe gepikeerd en contrair over. En hij onderschat Cowen: “I would put myself more in the tradition of the Annales school. I don’t know if this rings a bell for you or not.” En “I don’t know if you know Céline …“. Voor dit soort interview hoort ook de interviewee zich een beetje voor te bereiden.

Interessant inzicht over de grote rol van het verschil in onderwijsparticipatie tussen de VS en Europa als verklaring voor de economische voorsprong van de VS. In de 1950’s was de participatiegraad aan middelbaar onderwijs in de VS 90 procent, tegenover 20 tot 30 procent in Frankrijk en Duitsland. De VS bereikten op het einde van de 19de eeuw al een participatiegraad van 90 procent aan het lager onderwijs, bijna een eeuw vóór Europa.

Piketty klaagt ook de ongelijke toegang tot de topscholen in Frankrijk aan, en de hypocrisie in zijn land over ongelijkheid.

In vergelijking met zijn boek Capital in the Twenty-First Century (2013) lijkt Piketty me pragmatischer geworden.


Maandagse gevarieerde links

  • Slimste Russische economist pleit voor olie- en gasembargo. Oleg Itshkoki, een in Moskou geboren maar in de VS werkende economist, is de jongste winnaar van de John Bates Clark Medal. De American Economic Association kent die prijs jaarlijks toe aan de Amerikaanse economist jonger dan veertig die een betekenisvolle bijdrage heeft geleverd aan de ontwikkeling van de economische wetenschap. Bates Clark wordt wel eens de mini-Nobelprijs genoemd en heel wat eerdere winnaars kregen nadien ook de echte Nobel. Op Twitter houdt Itshkoki vurige pleidooien voor een embargo op Russisch olie- en gas.
  • Classicus en auteur Patrick De Rynck schreef in De Standaard een boze brief aan Van Dale over het verdwijnen van een aantal Latijnse uitdrukkingen uit het Aanhangsel “Gevleugelde woorden, titels en citaten”. Onder meer Si vis pacem, bellum para, redelijk toepasselijk vandaag, is verdwenen. De Rynck is oprichter en hoofdredacteur van Hic en Nunc, een knappe website met artikels, beeldmateriaal en geluidsfragmenten over de verwevenheid van onze tijd met de oudheid. Bij de liefhebbers wellicht al gekend; voor mij een schaamtelijk late ontdekking.
  • Nog over de oudheid. Orbis, Het Stanford Geospatial Network Model of the Roman World, heeft een Google maps-achtige toepassing voor het Romeinse Rijk, met onder meer reisroutes en reistijd tussen steden in het Romeinse Rijk naargelang het seizoen.
  • Amusant en aandoenlijk verhaal uit The Intellectual Life of the British Working Classes (2001) van Jonathan Rose, via nostalgebraist. Arbeiderszoon Thomas Carter, geboren in 1792, las het Nieuwe Testament als vier verhalen die na elkaar gebeurden, met dus vier kruisigingen, vier verrijzenissen en een hoop andere gebeurtenissen die erg op elkaar leken. Hij vond het wat verwarrend, maar had niemand die hij om uitleg kon vragen. Veel van zijn tijdgenoten, die vaak maar toegang hadden tot een of enkele boeken, konden ook moeilijk vatten dat er zoiets als fictie bestond. Als het in een boek stond, was het waar. Waarom zou iemand zich bezighouden met dingen op te schrijven die verzonnen waren? Robinson Crusoe en Paradise Lost werden dus gelezen als waargebeurde verhalen.
  • Goed interview met de beste Belgische oorlogsjournalist. Tevens echte Ruslandkenner.

Zaterdag quote

Dans la sphère économique, un acte, une habitude, une institution, une loi n’engendrent pas seulement un effet, mais une série d’effets. De ces effets, le premier seul est immédiat ; il se manifeste simultanément avec sa cause, on le voit. Les autres ne se déroulent que successivement, on ne les voit pas; heureux si on les prévoit.
Entre un mauvais et un bon Économiste, voici toute la différence : l’un s’en tient à l’effet visible ; l’autre tient compte et de l’effet qu’on voit et de ceux qu’il faut prévoir.
Mais cette différence est énorme, car il arrive presque toujours que, lorsque la conséquence immédiate est favorable, les conséquences ultérieures sont funestes, et vice versa. — D’où il suit que le mauvais Économiste poursuit un petit bien actuel qui sera suivi d’un grand mal à venir, tandis que le vrai économiste poursuit un grand bien à venir, au risque d’une petit mal actuel.

Frédéric Bastiat (1850). Ce qu’on voit et Ce qu’on ne voit pas, Introduction

Het Frankrijk van Le Pen: basse-classe veramerikanisering

De Poolse journalist Krzysztof Tyszka-Drozdowski maakt in Unherd een goede analyse van de sociologische achtergronden van de Franse presidentsverkiezingen. Hij baseert zich daarbij op de Franse socioloog en peilingenspecialist Jerôme Fourquet, en de analyse in zijn boek L’Archipel français, une nation multiple et divisée (2019).

Fourquets bevindingen lijken in grote lijnen dezelfde als de analyses die we lazen over Brexit. De scheidingslijnen liggen veel minder tussen traditioneel links en rechts, maar tussen de winnaars en de vergeten verliezers van de globalisering, met daar tussenin een verdwijnende middenklasse.

Nieuw voor mij waren de waarnemingen van Fourquet over hoe verstrekkend de veramerikanisering van Frankrijk is. Waar globalisering een splijtzwam is, lijkt die veramerikanisering een gemeenschappelijk kenmerk voor zowel winnaars als verliezers van de globalisering.

Het zijn wellicht vooral de Macron-kiezers die ook Engels spreken en lezen. Maar de culturele impact is toch breder.

Meer dan drie kwart van de Fransen onder 35 jaar bezocht al Disneyland. Als indicator van wat Fourquet (of Tyszka-Drozdowski?) kitschy low-status Americanisation noemt, wijst hij onder meer nog op de blijkbaar immense populariteit van country music clubs en van vintage Amerikaanse wagens.

Fourquet deed ook analyses op de geografie van voornamen in Frankrijk. De kaart van Amerikaanse voornamen heeft een merkwaardige grote overlap met gemeenten waar Le Pen de meeste steun heeft.

Zelfs het oerfranse instituut van de gastronomie ontsnapt er niet aan. De Buffalo Grill keten (“American bbq mais french charolais!”) is vandaag volgens Wikipedia de grootste themaketen in Frankrijk. De keten werd in 1980 opgericht door de Fransman Christian Picart, telt vandaag 360 restaurants, serveert 31 miljoen maaltijden per jaar en is door de Fransen al drie keer uitgeroepen tot favoriete restaurantmerk, de laatste keer in 2018.

Zijn een aantal inzichten ook relevant voor Vlaanderen en België?

Via marginalrevolution.


Subsidies voor e-bikes kosten meer dan ze opbrengen

Men mag hopen dat in debatten over het toekennen van steun en subsidies voor groene technologieën enige vorm van kosten-batenanalyse een rol speelt.

Hoeveel kosten de steunmaatregelen en subsidies? En hoeveel brengen ze op in termen van positieve maatschappelijke effecten voor het milieu? Die eerste vraag is meestal redelijk eenvoudig te beantwoorden. Het antwoord op de tweede vraag is vaak moeilijk te berekenen en wordt daarom, en omdat het antwoord soms ongemakkelijke waarheden aan het licht brengt, nogal eens uit de weg gegaan.

Neem nu elektrische fietsen. Zij zijn een van de betere voorbeelden van hoe we allemaal ons steentje kunnen bijdragen om de CO2-uitstoot te verminderen. Transport tekent voor zowat 30 procent van de uitstoot van broeikasgassen; het autogebruik neemt daarvan de helft voor zijn rekening.

In zijn jongste klimaatrapport promoot zelfs het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) de e-bike, in een nieuwe focus op mogelijke individuele acties.

“Van de zestig individuele acties die we onderzochten, kan de grootste bijdrage komen van een switch naar stappen en fietsen, en naar elektrisch transport,” zei vice-voorzitter Diana Ürge-Vorsatz van het jongste IPCC-rapport.

Enkel al een overstap naar wandelen en fietsen kan CO2-emmissies met 10 procent doen dalen volgens het IPCC. Wat we dan nodig hebben, is slimme stadsplanning en een fair street allocation voor alle weggebruikers in steden.

De recente beslissing van de Belgische regering om de btw-verlaging op gewone en elektrische fietsen te schrappen, riep de voorspelbare en begrijpelijke emotionele reacties op.

Vergelijk dat met gidsland Zweden. Zij startten in 2017 een subsidieprogramma voor e-bikes ter waarde van bijna 100 miljoen euro. Bij fietslobbygroepen in Nederland en België werd het programma als voorbeeld gesteld.

Het programma subsidieerde de aankoop van een e-bike voor 25 procent van de aankoopprijs, met een limiet van 1,000 euro. Het was succesvoller dan op voorhand berekend en na een regeringswissel werd het stopgezet.

Anders Anderson van de Stockholm School of Economics en Harrison Hong van Columbia University onderzochten in een uitgebreide studie de welvaartseffecten van de Zweedse e-bike subsidies. Ze combineerden daarvoor data van de administratie, van een fietsverzekeringsmaatschappij en van surveys bij aankopers van e-bikes.

Hun bevindingen:

  • Tussen de start van het programma en 2018 groeide de verkoop van e-bikes van 67,000 tot 103,000
  • Ongeveer een derde van de huishoudens zou ook zonder de subsidie een e-bike gekocht hebben
  • Bij autogebruikers daalde het aantal gereden kilometers met 1,870 kilometer per jaar, wat resulteerde in een vermindering van CO2-uitstoot met 260 kg
  • Rekening houdend met de kosten van de subsidie, met mensen die sowieso een e-bike zouden gekocht hebben, met de werkelijke vermindering in autogebruik, met de CO2-kost van de productie van de fiets, met de levensduur van de fiets, en met de huidige geschatte maatschappelijk kost van CO2-uitstoot is de conclusie ontnuchterend:

Combining these estimates, an E-bike subsidy program can only be justified with a social cost of carbon that is several hundred dollars higher than what is typically used.

Social cost of carbon, of de maatschappelijke kost van CO2, is in zulke kosten-batenanalyses het sleutelbegrip. Het wordt te weinig gebruikt in algemene discussies over klimaateconomie.

In die social cost of carbon zitten alle kosten, ook de impact op het milieu en de gezondheid, van CO2. Wat we echt betalen, aan de pomp of voor onze huishoudens, is vele malen lager dan die social cost.

Als een klimaatsubsidie effectief wil zijn in een kosten-batenanalyse, dan zal de opbrengst van die subsidie, in termen van verminderde CO2-uitstoot, en berekend tegen een “correcte” social cost of carbon, hoger moeten zijn dan het bedrag van de subsidie.

De berekening van een “correcte” social cost of carbon is een heikele zaak. Nobelprijswinnaar en klimaateconoom William Nordhaus, die al van begin de jaren 1970 pioniert met onder meer social cost of carbon modellen, schat die kost op ergens tussen 50 en 100 dollar (per ton CO2).

Wat vonden Anderson en Hong?

  • Tegen een social cost of carbon van 100 dollar is minder dan 3 procent van de gesubsidieerde e-bikes “winstgevend”. Tegen die prijs zou de vermindering in autokilometers 7,600 km per jaar moeten bedragen (in plaats van de werkelijke 1,870 km), of zou de e-bike 48 jaar moeten meegaan.
  • Enkel tegen een social cost of carbon van 600 dollar wordt het subsidieprogramma in totaal winstgevend. Tegen die prijs zou nog maar een derde van de subsidies winstgevend zijn.
  • De conclusie van de kosten-batenanalyse is dus dat het subsidieprogramma maatschappelijk meer kostte dan het opbracht.

Wikipedia meldt dat de jongste berekeningen van de social cost of carbon op meer dan 300 dollar uitkomen. Het IPCC vindt dat de prijs naar ergens tussen 135 dollar en 5,500 dollar moet tegen 2030, en naar 245 tot 13,000 dollar tegen 2050 als we de klimaatopwarming beneden 1.5 graad willen houden.

Mensen, de klimaattransitie gaat ons geld kosten.


Dinsdag quote

(The) capitalist process produced that atmosphere of almost universal hostility to its own social order. … (The capitalist order) is unwilling and unable to control its intellectual sector effectively. … Freedom of public discussion involving freedom to nibble at the foundations of capitalist society is inevitable in the long run. The intellectual group cannot help nibbling, because it lives on criticism and its whole position depends on criticism that stings; and criticism of persons and of current events will … fatally issue in criticism of classes and institutions.

Joseph Schumpeter (1943). Capitalism, Socialism and Democracy, ch 13 II. The Sociology of the Intellectual

Meer arbeidsmobiliteit, hogere loongroei

In landen met mobielere arbeidsmarkten, waar werknemers vaker van job veranderen, stijgt het loon van die werknemers meer over hun loopbaan.

Niklas Engbom van New York University toonde het verband aan in een grondig en gesofisticeerd onderzoek van arbeidsmarkt- en loondata (lang artikel met wiskundige modellen; hier een korte samenvatting) van 23 OESO-landen over een periode van meer dan twintig jaar.

In een mobielere arbeidsmarkt zijn werknemers in Engboms model meer geneigd hun kennis en vaardigheden te ontwikkelen. Ze zullen immers gemakkelijker jobs vinden waar hun vaardigheden het nuttigst zijn, en dat gaat vaak gepaard met loonstijging. Maar een groot deel van de grotere loonstijging over de loopbaan in mobielere arbeidsmarkten vindt ook plaats binnen dezelfde job.

Landen met de grootste arbeidsmobiliteit (VS en UK) zijn 2.5 meer “fluïde” dan landen met de laagste arbeidsmobiliteit. Het verschil in loongroei over een loopbaan van 25-54 jaar is opvallend (zie grafiek).

arbeidsmarktmobiliteit loongroei

België prijkt op de grafiek samen met Griekenland en Oostenrijk opvallend links onderaan. Een deel van de verklaring is wellicht het aandeel van werknemers in de publieke sector, dat voor België met 27 procent het hoogste is van de onderzochte landen. Een ander deel van de verklaring is de stroeve arbeidsmarktregulering.

Engbom haalt in zijn onderzoek de interessante case van Spanje aan. Dat land voerde midden de jaren 1990 een grondige versoepeling in van de arbeidsmarktregulering, waardoor het in een klap van een van de strengste reguleringen in Europa naar een van de soepelste ging. Na een aanpassingsperiode waarin de lonen van nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt daalden, steeg de arbeidsmarktmobiliteit en meteen ook de loongroei over de loopbaan aanzienlijk.


Update jacht op Russische oligarchen: ACLU keldert idee

De oproepen van president Biden en andere Westerse leiders om de jachten en andere luxe van Russische oligarchen in beslag te nemen, konden rekenen op populaire bijval, soms om dubieuze redenen, maar riepen ook fundamentele juridische vragen op.

De American Civil Liberties Union (ACLU), de invloedrijke non-profit die in de VS waakt over burgerrechten en vrijheden, hielp nu volgens een artikel in The Washington Post (ht Tyler Cowen) het hele idee te kelderen.

ACLU wijst vooral op het juridische drijfzand: de inbeslagname zou gebeuren door de overheid maar de slachtoffers ervan zouden die beslissing niet kunnen aanvechten bij een rechtbank. Dat druist in tegen fundamentele eigendomsrechten en principes van de rechtsstaat.


Zaterdag quote

All systems, either of preference or of restraint, therefore, being thus completely taken away, the obvious and simple system of natural liberty establishes itself of its own accord. Every man, as long as he does not violate the laws of justice, is left perfectly free to pursue his own interest his own way, and to bring both his industry and capital into competition with those of any other man, or order of men. The sovereign is completely discharged from a duty, in the attempting to perform which he must always be exposed to innumerable delusions, and for the proper performance of which, no human wisdom or knowledge could ever be sufficient; the duty of superintending the industry of private people, and of directing it towards the employments most suitable to the interests of the society.

Adam Smith (1776). The Wealth of Nations, book IV, chapter IX

Het winkelkarprobleem. Opgelost

Zo, dat is dan geregeld.

Op Twitter en Reddit circuleert al een tijd The Shopping Cart Theory. Het zou een test moeten zijn of mensen ultiem capabel zijn om voldoende burgerzin te tonen en in staat zijn tot zelfbestuur.
Zie hieronder.

shopping cart theory

Waarom is het dan geregeld? Omdat het aan de hand van deze test duidelijk is dat er vijf soorten mensen zijn. De overlap tussen de vijf groepen is bijzonder klein.

  1. Mensen die vaak hun winkelkar laten staan
  2. Mensen die, zoals iemand op Twitter, volhouden dat ze 100 km zouden omlopen om hun winkelkar terug te brengen. Diezelfde mensen zouden wellicht ook eender welke achtergelaten winkelkar terugbrengen.
  3. Mensen die de winkelkarvraag aangrijpen om de slechte toestand van de wereld en de mensheid aan te klagen, die hun medeburgers erop wijzen dat de winkelkar maar een symptoom is van een breder maatschappelijk probleem en die denken dat het uiten van hun opinie iets bijbrengt om het probleem op te lossen:
    If you leave a shopping cart in the middle of the parking lot, you are the scourge of the Earth and I hope a shopping cart dents your fender
    Yes I return the shopping cart. Cause I’m not a psychopath.
    Het zijn duidelijk vooral Republikeinse stemmers die hun winkelkar laten staan.
    Of:
    I’ve come to the conclusion that not flattening your cardboard boxes for the recycling bin is the equivalent of not putting your shopping cart in the corral.
  4. Economisten, die, reluctantly, beseffen dat je om problemen op te lossen best uitgaat van de mens zoals hij is, in al zijn variëteiten, en niet van de mens zoals je vindt dat hij zou moeten zijn.
    Die economisten weten dat mensen doorgaans, meestal, in de regel reageren op incentives en in een institutioneel kader. Dus gaan ze op zoek naar de juiste incentives en het juiste institutioneel kader om het probleem op te lossen. Voor winkelkarren hebben we die incentive en dat kader gevonden. Het muntstuk. En het werkt.
    De echte economist zal zich nooit ergeren aan groep 1; wel occasioneel aan groep 3. Groep 2 zou hij moeten meenemen in zijn modellen.
    Een van de redenen waarom economisten nogal eens tegen wrevel aanlopen, is dat ze met hun pragmatische oplossingen de bestaansreden en de diepe motivaties van groep 3 ontmaskeren en onderuit halen.
  5. Grapjassen, creatievelingen en anarchisten, die tonen dat de bestaande incentives en het institutioneel kader ook niet perfect zijn.
shopping cart circle

RAAS: robots aan minder dan het minimumloon

Wereldwijd stonden in 2020 iets meer dan 3 miljoen industriële robots geïnstalleerd, of 126 per 10,000 werknemers in de maakindustrie.

Azië is veruit het grootste robotwerelddeel, zowel in geïnstalleerd park als in verdere groei. Europa, met Duitsland veruit op kop, telde in 2020 een park van zowat 650,000 industriële robots. De VS lopen wat achter, met ongeveer 320,000 robots.

Productinnovatie gaat wellicht hard in robots. Innovatie in distributie en verkoop kon niet uitblijven.

Bloomberg heeft een verhaal van een Amerikaanse KMO, Thomson Plastics, die niet het kapitaal had om te investeren in robots a 125,000 dollar per stuk, maar die anderzijds de vraag niet kon volgen door een tekort aan werkkrachten.

Enter Formic, dat zichzelf adverteert als Robots By The Hour. Robotics as a service (RAAS) dus, net zoals heel wat software nu ook in een SAAS-model verkocht wordt.

Thomson Plastics betaalt Formic 10 tot 12 dollar per uur per robot. Die vervangt een arbeider die 15 tot 18 dollar per uur kost.

In België denkt de Kortrijkse robotontwikkelaar Tractonomy ook in de richting van een RAAS-model.

De krapte op de arbeidsmarkt zal de evolutie naar robotisering alleen maar versnellen. Deze week nog nam de West-Vlaamse machinebouwer LVD de Belgische automatiseringsafdeling van de Duitse robotbouwer Kuka over.

“Het tekort aan arbeidskrachten creëert onze markt,” verantwoordde CEO Carl Dewulf de overname.

De maakindustrie is de voorbije decennia, op zoek naar lagere lonen, voor een deel verhuisd van Europa (en de VS) naar Azië. Brengen robots die maakindustrie terug naar Europa?

En welke impact zullen modellen als RAAS hebben op het debat over minimumlonen en arbeidsomstandigheden?