Tien grootste steden ter wereld, 1500-2018

Enkel en alleen aan de hand van deze bar chart race zou je een heel dik en razend interessant geschiedenisboek kunnen schrijven. De bar chart race toont de tien grootste steden ter wereld, van 1500 tot 2018.

In 1500 was Beijing de grootste stad ter wereld, met 672,000 inwoners. Antwerpen vandaag dus. Beijing bleef de grootste stad van 1500 tot 1600 en daarna weer van 1700 tot 1820, toen ze ingehaald werd door London. In 1770 werd Beijing de eerste miljoenenstad in de geschiedenis. Rond 1900 verdwijnt Beijing uit de top tien, om er pas in 2008 terug te keren.

Manchester was begin 20ste eeuw de zesde grootste stad ter wereld; Birmingham de achtste.

Steden uit de top 10 van 1500-2018 waar ik nog niet of nauwelijks over gehoord had: Vijayanagar (Indië); Tabriz (Iran); Pegu (Myanmar); Mashhad (Iran).

In Triumph of the City. How our Greatest Invention Makes us Richer, Smarter, Greener, Healthier and Happier (zou mijn boek van het jaar geweest zijn in 2011) vertelt Harvard economist Edward Glaeser, die heel zijn loopbaan al steden bestudeert, dat er rond het jaar 1000 in Europa maar vier steden waren met meer dan 50,000 inwoners: Constantinopel, Sevilla, Palermo, Cordoba. De drie laatste waren toen Islamitisch.


COVID-19 oversterfte: enkel bij 65+ers; nauwelijks toenemend verband met inkomen

André Decoster (KULeuven) en Thomas Minten en Johannes Spinnewijn (London School of Economics) onderzochten het verband tussen oversterfte als gevolg van COVID-19 en inkomensklasse en socio-economische status.

Heel wat eerdere studies hadden al aangetoond dat lagere inkomens onevenredig zwaar getroffen werden door de epidemie.

Op basis van gedetailleerde cijfers voor België, waarin ze sterfteratio’s in de periode maart-mei 2020 vergelijken met sterfteratio’s in dezelfde maanden in 2015-2019, vinden de auteurs dat:

  • Enkel de groep 65+ oversterfte heeft gekend
  • Het verschil in mortaliteit tussen lagere en hogere inkomens is groot, ook in normale tijden. In de leeftijdsgroep 40-64 bijvoorbeeld, is de sterfteratio bij mannen 5.3 keer hoger voor de laagste inkomens dan voor de hoogste. Bij vrouwen is dat 3.9.
  • Ook tijdens de epidemie is er een verschil in oversterfte tussen lagere en hogere inkomens: voor 65+ers waren er 326 oversterftes per 100,000 in de laagste inkomensklasse, tegenover 131 per 100,000 voor de hoogste inkomensklasse.
  • Maar dit verband tussen inkomen en sterfteratio is nauwelijks toegenomen tijdens Corona, vergeleken met de periode 2015-2019.
  • Bij mensen in rusthuizen is er geen verband tussen inkomen en sterfteratio, niet tijdens en niet vóór Corona.
  • De Corona-oversterfte bij Belgische inwoners die geboren zijn in Italië, Turkije en Polen ligt gevoelig hoger dan bij Belgen geboren in België.

Dinsdag quote

(B)asic principles of economics are neglected in development today, starting with the idea beloved by Bill Gates, [World Bank President, 2012-2019] Jim Yong Kim, and the United Nations Development Goals: setting goals and then finding evidence-based ways to reach them.
This is not the way the “association of problem-solvers” solves problems. The decentralized system finds the cheapest solutions to problems, through markets and democratic feedback from individuals. Which problems get solved – which goals get met – are among the many choices that emerge from this decentralized system. The problems that get solved are those where individuals perceive the highest benefits relative to the costs.

William Easterly (2013). The Tyranny of Experts. Economists, Dictators, and the Forgotten Rights of the Poor, p 254-255

Mijn nominaties voor de Federale Prijs Armoedebestrijding

De programmatorische federale overheidsdienst (POD) Maatschappelijke Integratie maakt de lijst kandidaten bekend voor de Federale Prijs Armoedebestrijding 2020.

Hier zijn mijn nominaties:

  • Belgische overheid en quartaire sector +/- 1.7 miljoen werknemers
  • Zelfstandigen 690,000 zelfstandigen
  • BPost 34,000 werknemers
  • NMBS 18,000 werknemers
  • BNP Paribas Fortis 18,000 werknemers
  • Proximus 14,000 werknemers
  • KBC België 14,000 werknemers
  • Delhaize België 13,000 werknemers

Beetje flauw, ik geef het toe …


Zaterdag quote

The capitalist process rationalizes behavior and ideas and by so doing chases from our minds, along with metaphysical belief, mystic and romantic ideas of all sorts. Thus it reshapes not only our methods of attaining our ends but also these ultimate ends themselves.

Joseph Schumpeter (1943). Capitalism, Socialism and Democracy, p 112

Donderdagse gevarieerde links


*How Will Capitalism End?* (2)

Wolfgang Streeck schetst in How Will Capitalism End? (eerste deel bespreking) een scherp en somber beeld van wat volgens hem de nadagen van het kapitalisme moeten zijn. Het einde is onbepaald, maar onafwendbaar.

“Ideas of solidarity and institutions of social regulation are as a result at a permanent risk of erosion, with capitalist patterns of action spreading like cancer in the body social even though capitalism as such, pure and simple and liberated from social constraints, cannot exist. In this sense capitalism feeds parasitically on the society that it inhabits or befalls, with its expansion ultimately amounting to its self-destruction unless checked by social and political opposition.”

p 233

Een van de problemen met het boek is dat Streeck voortdurend verschillende rollen aanneemt en dat hij naadloos switcht tussen die rollen. Dat merkte ook Financial Times journalist Martin Wolf op in zijn recensie van het boek.

Streeck is a mixture of the analyst, the moralist and the prophet. As an analyst, he challenges the stability of democratic capitalism. As a moralist, he dislikes a society founded on greed. As a prophet, he declares that the wages of this sin are death.

Streecks analyse van de (post-1970, Europese en Amerikaanse) economie is bijzonder scherp en inzichtelijk. Maar zijn blik als moralist vertroebelt soms zijn analyses en soms neemt hij zelfs een loopje met feitelijkheden.

In zijn ijver om het kapitalisme dood en verdorven te verklaren, vervalt Streeck net zoals veel van zijn illustere voorgangers in het genre in de val om impliciet en soms expliciet te verwijzen naar een verondersteld gouden tijdperk toen het kapitalisme er nog niet was, of nog niet zo verdorven.

Als het dan moet gaan over het einde van een tijdperk, dan zou het toch lonen om af en toe the longer view te nemen, historisch én geografisch. Streeck beperkt zich tot een terugblik op de Trente Glorieuses, de dertig jaar na de Tweede Wereldoorlog die volgens hem de enige periode waren waarin onder kapitalisme zowel economische groei als sociale en politieke stabiliteit werden verwerwezenlijkt.

Streecks te moraliserende visie leidt vaak naar bedenkingen die kort door de bocht gaan en die onvoldoende gestaafd worden. Competitie wordt door Streeck herleid tot “depriving one’s peers of their livelihood by outbidding them.” (p 205). Het is de zero-som of de win-lose visie op handel drijven die we steevast zien terugkomen in kritieken op het kapitalisme en de vrije markt. Jouw winst is mijn verlies. Het klopt gewoon niet.

Een handelaar moet volgens de logica van het kapitalisme een agressieve voordeelzoeker zijn. (p 207) “Capitalist actors always struggle to escape from their social containment and free themselves from obligations and control.” (p 233, mijn nadruk) Always? Komaan Streeck.

Technologische vooruitgang dient in deze nadagen van het kapitalisme enkel om nog wat tijd te winnen (p 60). De weliswaar superieure innovatie in de kapitalistische economie wordt gedreven door hebzucht en angst en dient enkel om competitie te onderdrukken en woekerwinsten te realiseren. (p 205)

Streeck verwijst daarbij naar Schumpeter uit 1912, maar vergeet te verwijzen naar William Nordhaus uit 2004, die berekende dat de kapitalistische entrepreneur uiteindelijk maar 2.2 procent overhoudt van de economische winst van zijn innovatie. De rest gaat naar de consumenten, en dus naar de maatschappij, in wat de economisch historicus Deirdre McCloskey de “second act” van innovatie noemt.

In een passage waar hij ingaat tegen de visie op kapitalisme als vreedzame, “doux commerce”, schrijft Streeck: “This neglects the fact that non-violent free-trade is typically confined to the centre of the capitalist system, whereas on its historical and spatial periphery violence is rampant.” (p 59) Rampant? Nou!

Wat is dan de boodschap die hij als profeet brengt? How Will Capitalism End? is een pessimistisch en uiteindelijk besluiteloos boek. Streeck laat ultiem niet alleen de vraag uit de titel onbeantwoord, hij biedt ook geen alternatief, niet voor een zoektocht naar een menselijker kapitalisme, en al helemaal niet aan Links.

Dat Links verliest zich volgens Streeck in een verkeerd begrepen cosmopolitanisme en internationalisme en vooral in identiteitspolitiek, de tendens die van identiteiten rond ras, gender, religie het speerpunt van de politieke strijd maakt. “Genderneutrale toiletten!”, sneert hij ergens.

Op het einde van het boek doet hij nog wel een toegift “to put in a word for not entirely abandoning concepts like socialism or even communism” (p 234), en “Would it not be more constructive to be less constructive – to cease looking for better varieties of capitalism and instead begin seriously to think about alternatives to it?” (p 235). Maar het is niet van harte.

In een recenter essay, Whose Side Are We on? Liberalism and Socialism Are Not the Same, een hoofdstuk uit Reflections on the Future of the Left (2017), lijkt hij de hoop op Linkse oplossingen helemaal opgegeven te hebben.

Wie zou hier immers het voortouw nemen? De kloof tussen de belangen van de kinderen van de vroegere arbeidersklasse en de nieuwe eigenaars van human capital is te groot. Immigranten sluiten zich op in hun eigen enclaves, onderbieden de lonen van hun kameraden en worden gezien als concurrenten voor de diensten van de welvaartstaat. De “young losers”, die geprobeerd hebben zich op te werken tot de middenklasse, maar gefaald hebben en nu hun heil zoeken bij Sanders en Corbyn? Of straks de mensen wier jobs overbodig gemaakt worden door robots en artificiële intelligentie?

Tegenover een kapitalisme dat zich globaal georganiseerd heeft, staan dus versplinterde groepen, niet eens een klasse, van mensen die elk bezig zijn met hun cultuur- en identiteitsoorlogjes.

Met individualisme en persoonlijke keuze als hoogste goed en ideaal kiezen mensen hooguit voor “projects, not parties, (as) the organizational form of choice: one can join and leave any time, as one sees fit.” (rinkelt een bel, Vlaamse partijen?).

De samenhorigheid die volgens Streeck nodig is om het kapitalisme te bestrijden, en die voortvloeit uit de (partij)discipline en het gevoel van verplichting van een democratisch beslist programma, is archaisch geworden.

Voor Streeck is er geen socialisme buiten de contouren van de natiestaat en zonder zin voor collectivisme. Maar de natiestaat is onmachtig tegenover het globaal kapitalisme en de zin voor collectivisme heeft Links aan uiterst Rechts gelaten.

Streeck wordt er moedeloos van. “The task of inventing a “future of the Left”, and indeed for a socialist Left, appears nothing short of awesome.” De enige uitweg die hij ziet, maar waarin hijzelf niet echt gelooft, is in een culturele revolutie die het potentieel Linkse electoraat zou wegleiden van de laat-kapitalistische levensstijl en het consumentisme, naar een “sociaal equivalent van het veganisme”.

Not as an economy, but as a society

Hoewel ik eraan twijfel of veel mensen op Links echt warm worden van die oproep, denk ik wel dat hun analyses en aanpak een stuk steviger kunnen worden met de lectuur van Streeck.

Wat we meemaken, is wel degelijk niet enkel een crisis van de economie maar ook een crisis van de democratie en het vergde een socioloog om te analyseren en te duiden hoe de twee met elkaar verstrengeld zijn. “Not as an economy, but as a society,” antwoordt Streeck op de vraag die de titel is van hoofdstuk 9: “How to Study Contemporary Capitalism?” (p 201)

Er is dus iets te zeggen voor de oproep van Streeck dat “(W)e cannot begin early enough to challenge the intellectual hegemony of contemporary economics over contemporary understandings of economy and society.” (p 251)


Hoger onderwijs is (dan toch, contra OESO) *geen* geldkraan voor de overheid

De Leuvense onderzoekers in Onderwijseconomie Koen Declercq en Erwin Ooghe bekijken in een Leuvens Economisch Standpunt en een paper kritisch een OESO-studie kritisch die berekent dat investeringen in het hoger onderwijs in België zich zeer fors terugverdienen via hogere belastingen en sociale bijdragen van hoger opgeleiden.

Het OESO-rapport Education at a Glance is een gezaghebbende bron voor internationale vergelijkingen van structuur en financiering van het onderwijs in de 37 OESO-landen. Education at a Glance berekent dat een Belgische student hoger onderwijs gemiddeld 57,500 dollar kost aan de overheid, via subsidies aan de instellingen van het hoger onderwijs, waardoor de inschrijvingsgelden laag kunnen worden gehouden.

De OESO stelt tegenover deze kosten een baat van 252,000 dollar, een veelvoud van liefst 4.4 tegenover de kosten, vooral door de hogere opbrengsten aan belastingen en sociale bijdragen over de loopbaan van de hoger opgeleiden.

Is het hoger onderwijs dan een melkkoe voor de overheid? Niet echt, stellen de onderzoekers. De cijfers van de OESO moeten geïnterpreteerd worden en zijn minstens voor een deel gebaseerd op onrealistische veronderstellingen.

Zo gaat de OESO er in haar berekeningen van uit dat iedereen slaagt in het hoger onderwijs, wat manifest onjuist is, en dat zonder subsidies niemand zou deelnemen aan het hoger onderwijs, eveneens onjuist. De OESO houdt ook geen rekening met het “perverse” effect dat de lonen van hoger geschoolden zullen verlagen als er meer hoger geschoolden op de markt zouden komen.

Met meer realistische veronderstellingen en bijkomende data berekenen de auteurs dat:

  • Voor elke euro subsidie gemiddeld gezien 1,08 euro terugvloeit naar de overheid. Dit is een stuk lager dan de 4,4 euro die de OESO berekende, maar is toch nog net iets groter dan één. Met andere woorden, gemiddeld gezien betaalt de subsidiëring van het hoger onderwijs zich min of meer terug, en
  • Om te weten of we massaal meer moeten investeren in hoger onderwijs, moeten we naar de marginale opbrengstvoet kijken. Voor een extra euro subsidie vloeit 0,73 euro terug naar de overheid. Dit betekent dat, gegeven het huidige niveau van subsidiëring, een extra euro subsidie grotendeels (73%) gerecupereerd wordt, terwijl het overige deel (27%) een netto-kost is voor de overheid.

Donderdagse gevarieerde links


Dinsdag quote

If someone chooses to take all their hopes for a better and more just society and bundle it up in the name of “socialism,” then any criticism of “socialism” will be viewed as an attack on their dreams and desires. Conversely, pretty much no one ever has said that “capitalism is the name of my desire.” The arguments for capitalism are typically made in terms of machine-like functionality, emphasizing what works and doesn’t work under capitalism. And of course, the arguments for capitalism emphasize how it has actually raised the standard of living for average people over recent decades and centuries, not how it summarizes one’s dreams for the future.

Timothy Taylor, Socialism is the Name of Our Desire, in Conversable Economist

Zaterdag quote

The diversity across countries in measured per capita income levels is literally too great to be believed … I do not see how one can look at figures like these without seeing them as representing possibilities. Is there some action a government of India could take that would lead the Indian economy to grow like Indonesia’s or Egypt’s? If so, what, exactly? If not, what is it about the ‘nature of India’ that makes it so? The consequences for human welfare involved in questions like these are simply staggering: Once one starts to think about them, it is hard to think about anything else.

Robert Lucas (1988). On the mechanics of economic development. Journal of Monetary Economics, p 5

Ontwikkelingshulp is geen substituut voor emigratie

Ontwikkelingshulp wordt in Westerse landen vaak voorgesteld als de meest humane, maar op termijn ook de meest effectieve maatregel om immigratiedruk te verminderen. Creëer economische opportuniteiten in landen waar de immigranten vandaan komen, zodat ze meer redenen hebben om in hun thuisland te blijven, luidt de ogenschijnlijk logische redenering.

Na de immigratiepiek in 2015 creëerde de Europese Unie een Trust Fund van 4.7 miljard euro met het expliciete doel om “de hoofdoorzaken van de migratie aan te pakken”, deels door “economische opportuniteiten in Afrika te creëren”.

In twee recente papers van het Center for Global Development halen Michael Clemens en Mariapia Mendola deze redenering onderuit. (samenvattend artikel)

In Migration from Developing Countries: Selection, Income Elasticity, and Simpson’s Paradox, waarin ze 99 landen met laag tot midden inkomen onderzoeken, vonden Clemens en Mendola dat mensen meer geneigd zijn om te emigreren naarmate ze rijker (of minder arm) worden.

Om de logica van deze ogenschijnlijke paradox te verklaren, vergelijken de auteurs emigratie met een investering in de toekomst zoals hoger onderwijs. In principe zouden rijkere mensen minder nood hebben aan hoger onderwijs, omdat ze toch al een behoorlijk inkomen hebben. We weten dat het omgekeerde gebeurt.

Het effect dat vooral rijkere mensen emigreren, leidt ook tot een positieve selectie. Immigranten zullen doorgaans relatief productiever zijn.

In een tweede paper, The Emigration Life Cycle: How Development Shapes Emigration from Poor Countries, toont Clemens aan dat dat effect niet alleen speelt in een vergelijking tussen landen, maar ook binnen een land en over de tijd.

Als armere landen economisch groeien, zullen hun inwoners, tot een bepaald inkomen, meer geneigd zijn te emigreren.
De emigratieratio, het percentage van mensen die in een land geboren zijn maar niet meer in het land leven, stijgt van 4 procent in de armste landen tot 11 procent in landen met een bruto binnenlands product van 10,000 dollar per hoofd. Boven dat inkomen daalt de ratio.

Clemens bestudeerde het effect over een langere tijdsperiode en in verschillende landen en vond telkens hetzelfde patroon.
Het is een patroon dat andere onderzoekers ook al hadden gevonden en dat Tim Hatton en Jeff Williamson de emigration life cycle noemen. Clemens en eerder onderzoek tonen aan dat die emigration life cycle al twee eeuwen lang bestaat. Ook de Europese emigratie naar de VS volgde dat patroon.

De emigration life cycle ziet er dus hetzelfde uit binnen een land over de tijd als tussen landen met verschillende inkomens.
De conclusie is dat emigratie onlosmakelijk verbonden is met ontwikkeling en dus dat ontwikkeling(shulp) geen substituut kan zijn voor emigratie.


*How Will Capitalism End?* (1)

Dit is het eerste van vijf boeken die ik ga bespreken in een reeks “Kapitalisme. Is het einde nabij?”.

Het “einde van het kapitalisme” is een genre op zich sinds Marx en Mill in de tweede helft van de 19de eeuw. Sinds halfweg de jaren 1990, en versterkt sinds de financiële crisis van 2008-2009, kent het een opflakkering.

De auteur van How Will Capitalism End? is de Duitse economische socioloog Wolfgang Streeck (1946) (en persoonlijke website). Hij studeerde onder meer aan de Goethe Universiteit Frankfurt en aan de Amerikaanse Columbia University. Vandaag is hij emeritus directeur van het Max Planck Institut für Gesellschaftsforschung in Keulen.

Van de vijf boeken die ik in deze reeks ga bespreken, is How Will Capitalism End?, waarin Streeck hoofdzakelijk een aantal eerder verschenen artikels bundelt, het meest donkere, op het griezelige af. Samen met Branko Milanovic’ Capitalism. Alone (dat tot heel andere conclusies komt) is het ook het meest scherpzinnige, dat de diepste en breedste inkijk biedt in de mechanismen die de jongste decennia spelen in het kapitalisme en de wereldeconomie. Maar terwijl Milanovic nog een uitzicht en een glimmer van hoop biedt, is dat bij Streeck, zonder excuses, niet het geval.

Een eerste punt van kritiek, dat ik later ga nuanceren. Mijn journalistieke leermeester Lode Bostoen, destijds algemeen hoofdredacteur van De Standaard en Het Nieuwsblad, kwam ons op de vingers tikken als we in onze titel een vraagteken gebruikten. “Als je in je titel een vraagteken zet, zorg dan dat je in het artikel het antwoord geeft.”
Streeck geeft in zijn boek geen antwoord op de vraag uit de titel, althans geen klaar en eenduidig. De (hoopvolle) lezer weze dus gewaarschuwd.

De kernthesis van het boek is dubbel. Enerzijds was “capitalism always a fragile and improbable order that depended on continuous repair work for its survival.” (p 13). Anderzijds is de zoveelste voorspelling van de dood van het kapitalisme deze keer niet voorbarig, ironisch genoeg wegens gebrek aan tegenstanders die het in het verleden telkens van zichzelf gered hebben door het te dwingen een aangepaste vorm aan te nemen.

Streeck is erudiet genoeg om te beseffen dat hij niet de eerste is die het einde van het kapitalisme voorspelt. De enige plaats in heel het boek waarop hij wat zelfrelativering en humor toont, is in een voetnoot na een passage waarin hij verwijst naar illustere voorgangers in de voorspelling: Marx, Polanyi, Weber, Schumpeter, Sombart, Weber, Keynes. “If history proves me wrong, I will at least be in good company.” (p 57)

Hij stoelt zijn conclusie van de onvermijdelijkheid van het einde van het kapitalisme op een historische analyse van de economische gebeurtenissen van de jongste decennia die (voor een socioloog! zal zelfs de meest erudiete econoom moeten toegeven) bijzonder scherp en inzichtelijk is.

Streeck focust in zijn historische analyse op de periode sinds 1970, waarin de belastingstaat eerst plaats maakt voor de schuldenstaat, om dan opgevolgd te worden door de consolidatiestaat.

Die consolidatiestaat (hoofdstuk 4) is een gevolg van de dalende belastbaarheid van democratische-kapitalistische staten en de stijgende overheidsschuld die daarop volgde. Nationale staten, supranationale instellingen en de internationale financiële markten (die maar al te graag geld bleven lenen), spanden daarop samen om staten te dwingen hun uitgaven te verlagen. Het gevolg van die collusie was dubbel: de economische groei werd gefnuikt; en de economie werd onttrokken aan elke democratische controle of sturing.

Sinds de crisis van 2008 zitten we in de vierde fase, waarin zowel de overheidsschuld als de private schulden hoger zijn dan ooit. Drie langetermijntrends – lagere groei, stijgende ongelijkheid en stijgende schuld – versterken elkaar onderling en er is niets in zicht dat sterk genoeg is om die drie trends te keren.

De cyclus van oplossingen-problemen-oplossingen die het kapitalisme al van in het begin kenmerkt, en waarbij overheden een evenwicht zijn blijven zoeken tussen economische groei, democratische legitimiteit en sociale vrede, lijkt doorbroken, en ligt onherstelbaar aan diggelen.

Wat overblijft is een “capitalism passing away as a result of having destroyed its opposition – dying, as it were, from an overdose of itself.” (p 65)

Ter illustratie somt Streeck vijf symptomen van het ultieme verval op, “systemic disorders of today’s advanced capitalism“: stagnatie; oligarchische herverdeling naar de top; de plundering van het publieke domein (zoals bijvoorbeeld in de privatisering van oorlog); corruptie; en globale anarchie. (p 65 e.v.)

De analyse van deze symptomen zal terugkomen in de andere boeken die ik ga bespreken in deze reeks.

Aan de historisch-economische analyse die Streeck maakt van de voorbije decennia, kunnen veel economisten een punt zuigen. Het helikopterzicht dat de lezer krijgt in hoofdstuk 2, The Crises of Democratic Capitalism, was, voor deze economist althans, ongezien.
Wat Streeck daaraan toevoegt, vanuit zijn sociologische en politieke invalshoek, trekt pas echt de eng-economische blik open.
In zeven van de elf hoofdstukken dissecteert hij ongenadig, zonder verdoving, de gevolgen van de economische evoluties op de democratie en het sociale leven.

Now states were located in markets …

De griezelige conclusie van die analyse is dat de democratie, die ooit werkte als een motor van economische en sociale vooruitgang, losgekoppeld is geraakt van de economie. “The post-war shotgun marriage between democracy and capitalism came to an end” (p20), en dat gebeurde gradueel, zonder putsch, zodat niemand er echt erg in heeft gehad. “Democracy ceased to be functional for economic growth and in fact became a threat of the new growth model; it therefore had to be decoupled from the political economy. This was when post-democracy was born.” ( p 22)

De belangrijkste drijvende kracht van deze loskoppeling van de democratie is uiteraard de globalisering, waarbij een lokale arbeidsmacht het moet opnemen tegen een internationaal werkende economie. Het gevolg, schrijft Streeck in wat het motto van deze analyse en van het boek zou kunnen zijn, is dat “Now states were located in markets rather than markets in states.” (p 22)

Streeck maakt zijn dissectie concreet in vier hoofdstukken waarin hij het project van de Europese Unie en de euro analyseert. Hij neemt daarbij geen gijzelaars; zijn oordeel over het Europese project zoals het nu wordt uitgevoerd (en zijdelings ook over Merkel), is vernietigend. Het is vooral in de Europese Unie dat de loskoppeling van democratie van economie haar concretisering vindt. Via de Europese Centrale Bank heeft de EU naast haar economisch lot ook haar politiek lot in handen gegeven van de financiële markten, die ze afschermt van en beschermt tegen de “grillen van de de democratische politiek”. (p 134)

Together with the Council, the Commission and the ECJ [het Europees Hof van Justitie], but if need be also without them, the European Central Bank has developed into the de facto government of the biggest economy on earth, a government entirely shielded from ‘pluralist democracy’ that acts, and can only act, as the guardian and guarantor of a liberal market economy.” (p 162)

Parallel met de nefaste invloed op de democratie, is er de invloed op het individu in zijn sociaal weefsel. Als ondersteunende instellingen en cultuur wegvallen, als het nationale “staatsvolk” van burgers het internationale “marktvolk” van beleggers is geworden (p 124), verschuift de last om het dagelijks leven te organiseren van het macroniveau naar het allerindividueelste microniveau en komen we terecht in een post-social society (p 38).

Het individu moet in deze maatschappij niet alleen leren leven met, maar ook zijn uitdaging en vervulling vinden in sauve-qui-peut strategieën, met modetermen zoals disruption en resilience. Het enige verweer dat het individu nog heeft, is “coping, hoping, doping and shopping.” (p 41 e.v.)

How Will Capitalism End? is een horrorverhaal, met geen straaltje optimisme en geen uitzicht op een “oplossing”. “(C)apitalism is facing its Götterdammerung.” (p 57)

We maken een doodstrijd mee waarvan we niet weten hoe lang die zal duren.

Before capitalism will go to hell, then, it will for the foreseeable future hang in limbo, dead or about to die from an overdose of itself but still very much around, as nobody will have the power to move its decaying body out of the way.” (p 36)

Volgens Streeck zijn hoop en welke vorm ook van optimisme zelfs nefast. Hij kijkt vooral neer op de Amerikaanse variant van dreaming: (T)he sacrosanct nature of dreams, never to be critically assessed, may be the most powerful impediment to political radicalization and collective action … (L)ife under social entropy elevates being optimistic to the status of a public virtue and civic responsibility … while defining pessimism as a socially harmful personal deficiency.” (p 42-43)

Vrolijk word je er niet van.

In een volgende post over Streeck en How Will Capitalism End? formuleer ik enkele kritieken en aanvullende bedenkingen. Ik ga ook nog iets dieper in op de bijdrage die de socioloog levert aan het economisch debat, een thema waar Streeck herhaaldelijk op terugkomt in het boek.