Vrijdagse gevarieerde links

  • Quizje: Kan je inschatten wanneer deze Amerikaanse foto’s genomen werden?
  • Blair Fix onderzoekt en kwantificeert economisch jargon door de tekst uit 43 economische handboeken te vergelijken met de Google books database. Een huzarenwerkje waarvan de conclusies moeilijk samen te vatten zijn.
  • Zeg niet meer “Chinese brol”. Onder meer als gevolg van de Amerikaans-Chinese handelsoorlog daalt de import van kerstverlichting uit China in de VS sterk. Cambodja sprong in het gat en kon zijn export van kerstverlichting naar de VS opdrijven met 223 procent.
  • Onderzoekers van onder meer het Max Planck Institute for Human Cognitive and Brain Sciences in Leipzig vonden 49 categorieën of dimensies waarmee elk object kan worden beschreven of herkend. (open versie van het artikel; achtergrondartikel) De dimensies, gaande van “kleurrijk” en “rood”, over “waardevol” en “badkamer- of hygiënegerelateerd”, tot “blinkend/transparant” en “cylindrisch”, gaan zowel over de waarneembare als over de conceptuele eigenschappen van voorwerpen. Om tot de 49 dimensies te komen, toonden de onderzoekers 1.5 miljoen combinaties van drie voorwerpen aan 5,500 testpersonen, waarbij de testpersoon telkens een object moest uitsluiten.
  • Er bestaat een European Spreadsheet Risks Interest Group en ze verzamelen horrorstories. Twee bekende recente zijn COVID-gerelateerd. Excel bleek de namen van genen op te slaan als datums; en door de beperking van het aantal rijen in de vorige versie van Excel tot 65,000 gingen testresultaten wekenlang verloren (lijkt me minstens ook een menselijke fout).

De grootste beursgang die even niet plaatsvindt

Goed achtergrondartikel over Ant Group, de Chinese financiële reus die vandaag 5 november naar de beurs zou gaan, maar waarvan de beursgang te elfder ure afgeblazen is. Naar verluidt omdat de Chinese overheid wou laten zien wie de baas is.

De geplande beursgang, de interventie van de Chinese overheid en enkele wist-je-datjes en superlatieven over Ant Group tonen beter dan een lang theoretisch betoog hoe (snel) het wereldeconomisch toneel aan het veranderen is.

  • Ant Group wilde voor 34.4 miljard dollar aandelen verkopen op de beurs. De beursgang zou daarmee de grootste uit de geschiedenis worden.
  • De beursgang zou Ant Group op ongeveer 313 miljard dollar waarderen (265 miljard euro). Ze is daarmee de vierde grootste financiële groep ter wereld, na Berkshire Hathaway, Visa and Mastercard.
    Even nagekeken en nagerekend. KBC is vandaag 18.2 miljard euro waard. De volledige BEL-20, de twintig grootste Belgische beursgenoteerde bedrijven, is 235 miljard euro waard.
  • Ant Group ontstond uit Alipay, dat in 2004 startte als een spin-offje voor online betalingen van de Chinese veilinggroep Alibaba. In de beginjaren moest Alipay in China vaak in een grijze legale zone werken.
  • Ondertussen verlopen in China meer betalingen via Alipay dan via cash, cheques en kredietkaarten. De groep heeft vandaag 1.3 miljard gebruikers en verwerkt iets meer dan de helft van alle mobiele betalingen in China.
  • Ant (mier) is een metafoor voor “geen enkele transactie of investering is te klein”. Vele kleintjes maken een groot.
  • Ant Group, dat zich posioneert als the future of money, is vandaag actief in betalingen, investeringen, leningen, kredietscoring en verzekeringen. De groep dankt haar waarde in grote mate aan de synergieën in dat ecosysteem. Meer dan 80 procent van haar klanten gebruikt drie of meer diensten; 40 procent gebruikt ze alle vijf.
  • Xiang Hu Bao is een ziekteverzekeringsplatform dat zich richt tot Chinese werknemers met lage lonen voor wie ziekteverzekering te duur is. Het is gratis toegankelijk en klanten betalen alleen als ze ziek zijn. In het eerste jaar na de lancering won het 100 miljoen klanten.
  • Vorig jaar realiseerde Ant Group een winst van 2.6 miljard dollar op een omzet van 17.5 miljard dollar.
  • Ant Group verwacht dat verdere groei vooral van uitbreiding buiten China zal komen.
  • Alibaba-oprichter Jack Ma heeft met het uitstellen van de beursgang door de Chinese overheid, wellicht met meer dan zes maanden, een signaal gekregen dat hij iets teveel aan het ontsnappen is aan de controle door die overheid.

*Amerikanen*; *De Lengte van een Oceaan*

Je zal maar Amerikacorrespondent zijn en nu nog geen boek over Amerika geschreven hebben.

Steven De Foer en Björn Soenens zijn beide Amerikacorrespondent, de ene meestal vanop afstand, soms reizend, de andere ter plaatse, met New York als uitvalsbasis. Het zijn ook twee van Vlaanderens beste journalisten. Dit voorjaar brachten ze nagenoeg gelijktijdig (De Foer klopte Soenens op de meet) hun Amerikaboek uit.

De Foer schreef Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn; Soenens De Lengte van een Oceaan. Stemmen en stemmingen in Amerika.

Om de verdienste van zowel hun boeken als hun dagelijks werk meteen in perspectief te zetten: De Financial Times heeft ter plaatse een US Pharma and Biotech correspondent (Hannah Kuchler). De Foer (voor De Standaard) en Soenens (voor VRT) worden geacht heel Amerika uit te leggen, inclusief de achtergrond en analyse van wat een van de belangrijkste presidentsverkiezingen in de Amerikaanse geschiedenis is, op een historisch keerpunt dat in het ergste geval zelfs volgens anders behoorlijk nuchtere commentatoren tot een burgeroorlog kan leiden.

Heel Amerika uitleggen is in zekere zin geen dankbare taak. Hoe leg je een zo groot, divers en complex land uit, dat zichzelf zelfs niet meer lijkt te begrijpen? En hoe leg je het uit aan een publiek dat over dit onderwerp steevast al een oordeel en een analyse klaar heeft, zeker in deze gepolariseerde tijden?

Zowel De Foer als Soenens verwijzen in hun boek naar giftige reacties die ze van lezers en kijkers “van beide kanten” krijgen op hun analyses over de Trump-jaren en dat ze het daar soms moeilijk mee hebben.

Anderzijds zijn ze beide journalist genoeg om een fameuze kick te krijgen van dit wonderjaar voor Amerikaverslaggevers en -analisten. They’re having the time of their life!

Als verslaggevers en analisten van het dagelijks nieuws weten De Foer en Soenens dat ze the first rough draft of history aan het schrijven zijn. Met het boek hebben ze zichzelf de taak gegeven een stap verder te zetten en van die first rough draft een ietwat coherenter totaalbeeld te maken. Een reportage is altijd “maar” een tessera, een steentje uit een mozaïek.

In beide boeken, en voor Soenens geldt dat nog straffer dan voor De Foer, verdwijnt dat mozaïek-gehalte nooit helemaal. Dat is een bewuste ingreep geweest van de auteurs en hij werkt ook. Als je genoeg afstand neemt van de mozaïek, krijg je een coherent beeld en zie je wat de auteur bedoeld heeft. Maar ook: soms zie je enkel de steentjes en voel je dat de auteurs “uit hun genre” zijn.

De Foer maakt in Amerikanen. Het had zo mooi kunnen zijn zijn mozaïek aan de hand van een combinatie van anekdotische reportages, interviews, zijn diepe kennis van de Amerikaanse cultuur, en de neerslag van heel grondige research in de literatuur.

Een bonus aan het boek is dat De Foer op het einde, in een hoofdstuk “Verantwoording”, bij elk hoofdstuk een bronnen- en literatuurlijst opgeeft. De dankbare lezer kan enkel onder de indruk geraken van de belezenheid en zich afvragen waar deze drukke journalist de tijd gevonden heeft om te lezen wat moet gelezen worden.

De Foer heeft in de design van zijn boek ook de kunst gevonden om relevante feiten en inzichten op de juiste plaats te laten doorsijpelen, soms zij aan zij met een anekdote uit een ontmoeting of interview. Zo bijvoorbeeld de Levittowns, die vlak na de Tweede Wereldoorlog de geboorte inluidden van de voorsteden die het kloppende hart van de VS zouden worden (p 153).

Of de korte geschiedenis van het stadje Flint (p 154), dat we kennen van de documentaire Roger & Me van Michael Moore, en waarvan het dynamisme tijdens en vlak na de Tweede Wereldoorlog zo sterk contrasteert met de lethargie waaraan de VS nu ten prooi zijn gevallen.

Dat Lincoln en Marx nog met elkaar correspondeerden (p 200) is meer dan een handig wist-je-datje, maar geeft een perspectief op de Amerikaanse geschiedenis dat je nog niet had. De analyse van de voormalige Franse president Valéry Giscard d’Estaing over verschil tussen EU en VS (p 148) is een trouvaille.

De Foer heeft er, veel meer dan Soenens, voor gekozen om in zijn mozaïek ook de historische achtergrond mee te nemen zonder dewelke je Amerika niet kan begrijpen (en waarvan je je afvraagt hoeveel Amerikanen hem kennen).
Zijn hoofdstukken over de historische achtergronden van het Amerikaanse racisme tegenover zwarten en de oorspronkelijke indianen kunnen zo op de verplichteliteratuurlijst van het middelbaar onderwijs.

Minder voor de hand liggend (maar evident voor wie Alfred Chandler heeft gelezen – niet in De Foers bibliografie, gotcha) is misschien het enorme belang van de industriële ontwikkeling in het laatste derde van de 19de eeuw, die enorm boeiende periode, met de groeispurt (p 149) waarmee de VS de basis legden van hun economische dominantie tot, wel, ongeveer nu, en het Eerie Canal (p 141) als exemplarisch industrieel erfgoed.

Het is een willekeurige en bijlange geen volledige opsomming, die onvoldoende recht doet aan de eruditie waarmee De Foer zijn verhaal lardeert zonder dat het een geschiedenisles wordt (beetje reserve voor het hoofdstuk over de Indianen).

Verliefd

De ondertitel van De Foers boek, (Het had zo mooi kunnen zijn) behoeft enige uitleg, omdat hij zeer goed het “programma” weergeeft van waaruit De Foer geschreven heeft.
De uitleg komt op pagina 283:

Het jonge Amerika van na de Revolutie droeg de kiemen in zich van een utopia, een ideale staat – vanuit het standpunt van blanke mannen althans. Zijn mix van gelijke kansen en meritocratie was zijn tijd ver vooruit. In de jaren na 1776, op het einde van de Burgeroorlog (1861-1865), en na de Great Societyhervormingen (1964-1965) hebben de Amerikanen diverse kansen gehad om die belofte van een droomland in de praktijk om te zetten. Ze hebben het telkens weer verknald, vandaar de teleurstelling.

En dan meteen daarna; het is sterker dan hemzelf:

En toch blijft de VS een land van belofte.

De Foer is, net zoals Soenens trouwens, verliefd op Amerika en de (meeste) Amerikanen. Maar beiden zijn ze ook zwaar teleurgesteld in het onbereikbare object van hun liefde.

De Foer doet het minste moeite om dat te verbergen. Hij maakte er de ondertitel van zijn boek van. Het is een keuze die veel verder gaat dan die voor een invalshoek voor een boek.

De grootste worsteling van beide auteurs is ongetwijfeld geweest wat ze nu juist, als finale analyse, over Trump moesten zeggen. De lezer moet de intellectuele keuze respecteren die elke auteur gemaakt heeft; dat is alleszins wat deze recensent doet. De Foer gooit, na rijp beraad (zo ken ik hem), alle reserves overboord. “De eerste en hopelijk enige termijn van president Trump is een ramp van formaat geweest voor de VS en de rest van de wereld.” (p 284)

Het heeft het voordeel dat we weten waar hij staat.

Jean-Luc Dehaene

Maar we kunnen niet anders dan de vergelijking maken. We willen niet alleen bevestigd worden in onze wellicht gegronde afkeer van het fenomeen Trump. We willen ook begrijpen waarom nagenoeg de helft van een bevolking die we waarderen op dit fenomeen gestemd heeft en het deze week weer zal doen, ondanks de enorme ogenschijnlijke handicap van de Coronacrisis (Jean-Luc Dehaene zou jaloers geweest zijn: hij werd in 1999 naar huis gestuurd omdat er gedurende enkele weken wat minieme hoeveelheden motorolie in wat kippen werden gevonden).

Die poging tot begrip vinden we meer bij Soenens dan bij De Foer. Ze heeft het voordeel dat we meegenomen worden op een zoektocht naar evenwicht. Bij Soenens vinden we eerlijker en iets meer verwoede pogingen om “de andere helft” (de titel van het vierde hoofdstuk) te begrijpen.

Hij gunt, in tegenstelling tot De Foer, Trump zelfs zijn successen, zoals dat met de Noord-Koreaanse leider Kim Jung-Un (p 204) en zijn wrevels, zoals die over de te lage bijdrage aan de NATO van andere landen (p 205). Soenens wijst er ons terecht op: “We vergeten vaak dat Donald Trump niet de oorzaak is van de turbulentie en de problemen van Amerika. Donald Trump is een symptoom ervan.” (p 206) Hij analyseert ook heel duidelijk de slimme maar verderfelijke symbiose tussen Trump en de media.

De mozaïek die Soenens maakt, lijkt qua constructie en stijlkeuzes soms merkwaardig hard op die van De Foer. Beide hebben ze bijvoorbeeld de keuze gemaakt om citaten uit Amerikaanse muziek als een soort rode draad door hun verhaal te weven.

De bijzonderste ingreep die Soenens doet, en die ik na enige aarzeling wel geslaagd vind, is dat hij zijn Amerikaverhaal regelmatig onderbreekt met heel persoonlijke overpeinzingen over het correspondentschap en over de fysieke en soms mentaal pijnlijke afstand die hem scheidt van de meeste van zijn geliefden (“De Lengte van een Oceaan” uit de titel).

Die aanpak geeft het boek een heel speciaal ritme. Dat en zijn eerlijke pogingen om de andere helft te begrijpen, liggen in het verlengde van het (omstreden) constructive journalism dat Soenens al predikte toen hij nog hoofdredacteur was van Het Journaal.

New York

Niet alleen die ingrepen maken van De Lengte van een Oceaan een veel persoonlijker boek dan Amerikanen. Soenens’ boek gaat voor ongeveer een derde (mijn ruwe inschatting) over zijn woonplaats New York. De liefde voor de stad spettert van de pagina’s. We leren van Soenens dat goede adresjes er snel komen en gaan, maar wie in het kort naar New York gaat, heeft met het boek voldoende plekken en adressen voor een gevuld tiendaags verblijf.

Er zit logica en richting in de opbouw van het boek, maar Soenens (of zijn uitgever, die ook op andere vlakken zijn werk niet goed gedaan heeft) had er misschien toch goed aan gedaan wat te schrappen. Hoewel het boek op geen moment verveelt, is het met zijn 488 pagina’s gewoon te dik.

Ook op het vlak van stijl vergt De Lengte van een Oceaan soms inspanningen. Te vaak kortademig. Teveel zinnen zonder werkwoord. Leidt tot een staccato dat op tv of radio beter werkt dan in een boek. Vooral naar het einde van het boek begint Soenens zich ook soms te herhalen. Ook dit had een beetje eindredactie kunnen verhelpen.

Beide boeken zijn grondig geresearched. Maar deze recensent kan het, reluctantly, niet nalaten wat economische spijkers op laag water te zoeken, omdat dat in de “algemene” journalistiek toch nog te vaak nodig is.

Intussen richt (sic) de vernieuwing en innovatie van de economie elke dag ravage aan,” schrijft Soenens (p 256). De ravage is een zijde van wat vaak creative destruction wordt genoemd. Maar als we de VS een ding moeten gunnen, dan toch wel de erkenning van de keerzijde van die creative destruction, die honderdduizenden jobs heeft gecreëerd en die van de Amerikaanse economie nog altijd een van de meest dynamische ter wereld maakt.

Soenens schrijft (p 45) dat “de lonen van ongediplomeerde arbeiders met 40 procent gedaald zijn sinds de jaren zeventig.” Het is niet waar (ze daalden hooguit met 12 a 13 procent voor sommige groepen; sinds 2000 stijgen de lonen van de laagst geschoolden zelfs het derde snelst van alle opleidingscategorieën). Maar het zet wel de foute toon.

De Foer beweert plompverloren dat het trickledowneffect “in veel economische studies al is gelogenstraft” (p 184). Wat is “veel”? Ik had dan graag minstens een autoritaire verwijzing. En zijn het er meer dan die waarin trickledown wordt aangetoond? I don’t think so.

De huizencrisis in Californië heeft volgens De Foer (p 190) alles te maken met het goede weer daar en met de lokroep van Silicon Valley. Dat is een te eenzijdige economische analyse, die voorbijgaat aan de inspanningen van de huidige bewoners om via zoning wetten de bouw van nieuwe woningen tegen te houden.

Nog een spijkertje: Beide auteurs besteden terecht voldoende aandacht aan de opioidencrisis. Die crisis is tot nader order een heel typisch only-in-America fenomeen, dat in 2018 alleen al 49,000 levens eiste, vooral van blanke mannen.

Het is in dit verhaal een mankement dat geen van beide auteurs verwijst naar Deaths of Despair and the Future of Capitalism van Nobelpijswinnaar Angus Deaton en Anne Case, dat echt wel een striemend standaardwerk is over deze onverkwikkelijke kwestie. De analyse van Deaton en Case is ongenadig en vertelt haarscherp en feitengebaseerd wat er mis is met het Amerikaanse gezondheidssysteem. Misschien een interviewtip? Ik denk dat Deaton nogal benaderbaar is.

En nog een laatste, een taalkundige. De Standaard – ik heb nog eens gecheckt of ze het veranderd hadden – hanteert als redactionele regel dat VS als meervoud moet worden geschreven. De Foer (en zijn eindredacteur) zondigen in het boek tegen die regel.

The New Yorker

Zowel Amerikanen als De Lengte van een Oceaan zijn het ideale “Amerika voor beginners” boek, en dat is hoegenaamd niet denigrerend bedoeld.

God weet dat we het na vannacht nodig zullen hebben. Wij Europeanen staan immers te vaak en te snel klaar met ons oordeel over de wonderlijke natie die de VS zijn. Dat wonderlijke blijkt onder meer uit de vaststelling dat de eerlijkste, scherpste en slimste kritiek op de VS meestal van Amerikanen zelf komt. De Amerikanen verstaan beter dan wij de kunst om zulke kritiek niet alleen te tolereren, maar zelfs te cultiveren. Met De Foer en Soenens hebben ze nu twee auteurs van het Oude Continent die, vanuit dezelfde liefde voor het land, even scherp en genuanceerd hun kritiek hebben durven neerschrijven.

Uitsmijter1: Voor zover ik kon nagaan, hebben noch Humo, noch De Morgen tot nu toe een signalement, laat staan een bespreking gepubliceerd van het boek van De Standaard redacteur De Foer. Arm Vlaanderen! Foei DPG!

Uitsmijter2: The New Yorker maakte een zeer bekijkenswaardige documentaire van 13 minuten waarin ze zeven Amerikacorrespondenten, onder wie de Nederlander Arjen van der Horst, aan het woord laten over de presidentsverkiezingen.


Zaterdag quote

Under the rule of individual property, the division of the produce is the result of two determining agencies: Competition, and Custom. It is important to ascertain the amount of influence which belongs to each of these causes, and in what manner the operation of one is modified by the other.
Political economists generally, and English political economists above others, have been accustomed to lay almost exclusive stress upon the first of these agencies; to exaggerate the effect of competition, and to take into little account the other and conflicting principle.

John Stuart Mill (1848). Principles of Political Economy, Book II, Chapter IV

Geloof en hoop

Kiezers kunnen politiek van mening verschillen, maar als ze min of meer rationeel zijn, zouden ze toch de uitkomst van de verkiezingen min of meer gelijk moeten kunnen inschatten.

Het is niet zoals in voetbal, waar je gelooft dat je geloof in de winstkansen van je ploeg zal bijdragen tot het resultaat.

Niet dus, volgens een recente working paper van de University of Chicago.

Voor Political Polarization and Expected Economic Outcomes ondervroegen de onderzoekers Amerikaanse huishoudens tussen oktober 2019 en oktober 2020.

Van de Democraten verwacht 87 procent dat Biden gaat winnen; bij de Republikeinen verwacht 84 procent dat Trump wint. Straffer nog: meer dan 20 procent van de Republikeinen is 100 procent zeker dat Trump wint; bij de Democraten is 15 procent 100 procent zeker dat Biden wint.

Dit voorspelt niet veel goeds over de aanvaarding van de uitslag in een of ander kamp.

Via Grumpy Economist John Cochrane.


Woensdagse gevarieerde links

  • Unapologetically Human. Reclame voor …
  • Wanneer werd een (Engels) woord of uitdrukking voor het eerst gebruikt in print? Merriam-Webster maakt de lijst van 2020 tot de 12de eeuw. Nieuwkomers dit jaar: het C-woord, maar ook “physically distance” (maar klopt niet volgens Google n-gram) en “pediatric multisystem inflammatory syndrome.”
  • De vaak controversiële economist Bryan Caplan maakte een tijd geleden furore met een graphic novel over Open Borders. The Science and Ethics of Immigration. Voor de illustratie van een andere graphic novel waarvoor hij het scenario had geschreven, Amore Infernale, had hij nu een wedstrijd uitgeschreven. Hier zijn zijn bedenkingen over het verloop van de wedstrijd, die ondertussen gewonnen is voor 400 dollar, tusen 58 inzendingen.
  • Passing Time. Een soort TIK TOK voor intellectuelen. Maar ik snap de navigatie niet helemaal.
  • Web of Science publiceert zijn 2020 laureaten voor meest geciteerde wetenschappelijke papers. Hier zijn de economisten. Van de meer dan 50 miljoen papers die sinds 1970 zijn gepubliceerd, zijn er maar 5,700 die meer dan 2,000 keer worden geciteerd. Er zijn maar twee papers in de Web of Science database die meer dan 200,000 keer werden geciteerd: Protein measurement with the folin phenol reagent van Lowry et al (meer dan 300,000 citaten; Lowry vond het zelf maar een so-so paper, maar kreeg wel een kick van al die citaten) en Cleavage of structural proteins during the assembly of the head of bacteriophage T4 van ene Laemmli.

Dinsdag quote

Growing prosperity seems to give an ever-wider range of people a sense of power and independence. It encourages a special form of self-esteem that comes when people recognize themselves as central causes of the particular lives they are living – rather than being in any way the ward of others, no matter how well meaning, other-regarding or wise those others might be. In many countries, citizens are increasingly resentful about having economic decision-making power taken from them by the planners of the social-democratic state. In ways that are difficult fully to understand, prosperity makes the personal exercise of economic liberty more rather than less valuable to many liberal citizens.

John Tomasi (2012). Free Market Fairness, p. 61

Schrijf niet: vrije markteconomie

Maar vrijemarkteconomie.

Het gaat niet over de vrije economie, maar over de vrije markt.

Bij twijfel: besef dat een “rijkevrouwenversierder” iets anders is dan een “rijke vrouwenversierder”.

Volgens eindredacteur en leermeester Peter Cuypers (hat tip) van De Standaard worstelen redacteurs bij hen vaak met samenstellingen met “sociale media”.

“Dat levert dus ‘sociale mediafiguren’ en ‘sociale mediaplatforms’ op, waarbij men zich nog iets kan voorstellen, maar ook een paradoxaal begrip als ‘sociale mediagevaren’. ‘Sociaal’ lijkt overigens in het algemeen een ingebouwde drempel te hebben bij het aaneenschrijven, want ook ‘socialezekerheidsbijdragen’ en ‘socialezekerheidsinstelling’ worden vaker fout dan correct geschreven.
De angst voor het te lange woord? Terwijl vooral te lange stukken het probleem vormen.”

Klassieke voorbeelden waarmee beginnende redacteurs in de problematiek onderwezen worden: lange afstandsloper, volle melkflessen en rode wijnglazen.

En nog uit de economische sfeer: eerstekwartaalresultaten.


Zaterdag quote

“Market” is a remote and unhelpful analogy. Things don’t work out optimally for a simple reason: there is no reason why they should. There is no mechanism that attunes individual response to some collective accomplishment.

Thomas Schelling (1978). Micromotives and Macrobehavior, p. 32

Vrijdags beleggingsadvies

Mijn drie eenvoudige regels:

  1. Beleg niet
  2. Als je toch wil beleggen, beleg dan enkel geld dat je de komende 15-20 jaar absoluut kan missen
  3. Elk beleggingsadvies is waardeloos

Iets meer onderbouwd: een doorgaans heel leesbaar interview met Eugene Fama, de Titaan van de financiële theorie, die in 2013 de Nobelprijs Economie won met zijn Efficient Market Hypothesis.

Die hypothese zegt dat de competitie tussen beleggers zodanig intens is dat alle informatie en verwachtingen van beleggers ogenblikkelijk en correct weerspiegeld zit in de prijzen van beleggingsinstrumenten.

Daarom kan geen enkele belegger (op termijn) de markt kloppen. En daarom is elk beleggingsadvies waardeloos, behalve als het (onwettige) insider informatie betreft. Beleggingsadvies is alleen “waar” na de feiten. Beleggers die scoren, hebben geluk gehad.

Almost all investors should regard markets as efficient for their own investment decisions. If they do that, they will be better off in the long-term.”

Fama gebruikt zijn hypothese om de op het eerste gezicht rare bokkensprongen van de aandelenmarkten van de jongste maanden uit te leggen.

The market seems pretty good. It held up even though the economy is deep in the bucket. This is a good example of how forward looking the market really is: It’s looking past what we are going through now, and it’s saying that the future doesn’t look that bad.”

Met een slag om de arm:

– Do you think that’s the correct assumption?

– If I could forecast, I wouldn’t be a professor.


Dinsdag quote

Citizenship is by its very essence less comfortable than customership, and if measured by the same criteria must inevitably lose out.

Wolfgang Streeck (2012). Citizens as Customers. Considerations on the New Politics of Consumption, in New Left Review, 76, p 41

Zaterdag quote

Plenty of charities and nonprofits don’t actually change or improve the world or deliver any useful product at all, but rather simply continue as lost causes with no impact. The same cannot be said for most commercial businesses, at least not over extended periods of time. If I think “nonprofit sushi”, my first instinct is to run away, not to embrace it.

Tyler Cowen (2019). Big Business. A love letter to an American anti-hero, p35

Donderdagse gevarieerde links

  • Spelen culturele verschillen een rol in de verschillen in infectie- en overlijdensratio’s tussen en soms zelfs binnen Europese landen? Dit kaartje toont frappante verschillen in Zwitserland. Het Duits-sprekend deel heeft ratio’s die overeenstemmen met die van Duitsland; idem voor het Franstalig deel en het Italiaans-sprekend deel. Ook in België was de taalgrens een Coronagrens. Was, want ondertussen heeft heel België dezelfde kleur.
  • Vervolg op en gevolg van de open memo (en hier) die Brian Armstrong, oprichter en CEO van de financiële innovator Coinbase, kort geleden publiceerde en waar hij zich afzette tegen Corporate Social Responsibility (CSR) en politiek activisme binnen Coinbase. Ondertussen hebben 60 van de 1,200 werknemers van Coinbase ontslag genomen, weliswaar met het genereus afscheidspakket dat Armstrong in een follow-up post aanbood aan wie het niet eens was met zijn visie.
  • Oeps, politiek incorrect artikel? Psychologen en computerwetenschappers van onder meer de University of Columbia onderzochten de loonkloof tussen mannen en vrouwen in een anonieme arbeidsmarkt. Ze bekeken hoe meer dan 22,000 free lancers voor 5 miljoen opdrachten betaald werden in Mechanical Turk, het freelancersplatform van Amazon. Opdrachtgevers in Mechanical Turk kennen het geslacht van hun opdrachtnemers niet. De onderzoekers vonden dat vrouwen gemiddeld 10.5 procent minder verdienden dan mannen. Een van de mogelijke verklaringen was dat vrouwen de neiging hadden opdrachten te kiezen die minder betaalden. Via Marginal Revolution.
  • Interessant en vermakelijk interview met Angus Deaton, Nobelprijswinnaar Economie van 2016 en volgens interviewer Gordon Rausser “maybe the greatest applied economist of his generation“. In de eerste zeven pagina’s van de pdf geeft Rausser een goed overzicht van de loopbaan en verwezenlijkingen van Deaton. Het jongste en ophefmakende boek van Deaton en zijn vrouw Anne Case, Deaths of Despair and the Future of Capitalism, bespreek ik “binnenkort” in de reeks over het einde van het kapitalisme.
  • De top 100 van productopzoekingen op Amazon in 2020.